Frederik van Houten

Frederik van Houten (1662-1711) was een predikant die bekendstond om zijn godsvrucht, bewogen prediking en nauwe vriendschap met Petrus Immens. Na een ingrijpende bekering diende hij de gemeenten van Oudega, De Kaag en Middelburg. Zijn leven en arbeid stonden in het teken van de verkondiging van Christus en de bevordering van een godzalig leven.

Levensloop
Geboren 11-01-1662
Overleden 02-04-1711
Predikantsplaatsen
Kleef en Emden 1693-1697
Oudega (Sm.), Nijega en Opeinde 1697-1701
De Kaag 1701-1702
Middelburg 1702-1711

Afkomst, jeugd en bekering

Frederik van Houten werd geboren op 11 januari 1662 in Hoorn, als jongste zoon van Frederick Zegersen en Neeltie Jacobs Beecke. Enkele maanden voor de geboorte was zijn vader overleden, een weduwe met acht kinderen achterlatend. Fredericus heeft zijn achternaam, volgens onderzoek van ds. R.P. van Rooijen (gepubliceerd in het Documentatieblad Nadere Reformatie, najaar 1994) te danken aan een van de doopgetuigen, namelijk Thomas van Houten.

Ongeveer twee jaren oud zijnde, sloeg de pest over van Amsterdam naar Hoorn, welke binnen enige uren twee van zijn zusters en een broer uit het leven wegrukte. De pest greep hem ook aan, zodanig dat hij naar de beschrijving van zijn lijkredenaar, Petrus lmmens, "genoegsaam onder de dooden getelt wierdt". De Heere herstelde hem echter.

Sint-Agathakerk, Oudega (Smallingerland)

 Toen hij ouder was geworden, bezocht hij de Latijnse school in zijn geboorteplaats. Zijn godvruchtige moeder had hem voorbestemd voor het predikambt. Zij heeft dan ook dikwijls de hemel bestormd om zijn bekering, maar heeft die niet mee mogen maken, want Frederik verloor zijn moeder toen hij zestien jaar was. Wel ging hij aanvankelijk naar Utrecht om theologie te studeren, maar van gedachten veranderd zijnde, begaf hij zich naar Leiden om medicijnen te studeren.

In deze tijd heeft hij "in den hoogsten top de wereldt gedient/ en op de wijse der studenten geleeft/ en met die verkeert/ die niet dan de wereldt vertoonden". Hij bleef echter uitwendig beschaafd, en door Gods wederhoudende genade heeft hij zich niet aan dergelijke wandaden schuldig gemaakt die "in vervolg van tijdt/ een vlekke hadden kunnen leggen op zijn persoon". Na zijn bekering voegde hij zich dadelijk in het gezelschap van Gods volk en knechten, die hij eerder kwalijk genomen had, dat zij zich met ernst en kracht op de godsvrucht toelegden. Hij ontving een lust tot onderzoek van de waarheid. Hij werd overtuigd, hetwelk bij hem niet zeer schielijk geschiedde, "want hij hadt al een omtrek van tijdt van doen/ tusschen welke hy zijne bekeeringe bepaalde".

De vindenstijd brak aan, nadat hij zich naakt, arm en dwaas had leren kennen, zijnde tienduizend talentponden schuldig. Dit moest zo zijn, opdat hij buiten het schepsel en met een walg van zichzelf, naar een genoegzaam en betamelijk middel zou omzien. Daar leerde hij Jezus kennen in al zijn schoonheid en beminnelijkheden. Het voorafgaande durfde hij eerst niet voor een zaligmakend werk te houden, "hoewel ik wel stralen van de sonne der geregtigheyd, en vonkjes van de goddelijke liefde in mijn ziele gehad heb", schrijft hij in Een nadrukkelyken brief. Zoals het natuurlijk leven al voor de geboorte in de mens is, maar geen zichtbare en doordringende kracht vertoont, zo is het met het geestelijk leven ook: het geestelijk leven is het eerste dat een ziel wordt ingestort, door welk leven het schepsel kracht ontvangt, om de smart en angst der hel met moed en blijdschap te doorstaan; doch zolang hij niet is doorgebroken, zolang hij niet bekleed is met de klederen des heils, is zijn staat nog wankelbaar. "Hy heeft niet veel grond om op te steunen/ want God werkt betamelijk en hem selven waardig."

Studie en voorbereiding op het predikambt

Nadat Christus de zijne, en hij van Christus geworden was, werd in hem een lust ontstoken om met de besten, ijverigsten, tedersten en meestgevorderden van Gods volk te leven en te verkeren. Dit deed hem Nederland doorreizen maar ook Duitsland bezoeken, om aldus in ijver opgewekt te worden. Toen ontving hij ook lust om de theologische studie te hervatten, eerst in Franeker in 1689. Daar behaagde het de Heere hem bijzonder van zijn genadeaandeel in Gods verbond te verzegelen, waarop hij krank van liefde werd. Toen dit gerucht verspreid werd, zijn velen daardoor gesticht en sommigen bekeerd, ook mannen van naam in Nederlands kerk.

In 1692 vertrok hij naar Utrecht, om daar de lessen te volgen van professor Witsius, die bij de vromen geacht en geliefd was. Ook daar is hij tot bekering van deze en gene onder de studenten gebruikt, die nog met ere in Gods kerk gearbeid hebben. Hier hield hij zich op tot het jaar 1693, in welk jaar hij met lof proponent werd. Gaarne verliet hij zijn vaderland om zijn buitenlandse vrienden de eerstelingen van zijn dienst te brengen, eerst te Kleef, waar God veel zegen gaf, daarna in het gasthuis te Emden. Daar kweet hij zich zo van het werk der bediening, dat hij een beroep kreeg van de gemeente van Emden. Enige kerkordelijke moeilijkheden deden hem van dit beroep afzien.

Predikant te Oudega, Nijega en Opeinde

ln dezelfde tijd ontving hij een beroep van de gemeenten Oudega, Nijega en Opeinde in de classis Leeuwarden. Nadat hij voor die classis op 5 juli 1697 een proefpreek gehouden had en zijn peremptoir examen had afgelegd, werd hij met eenparige stemmen tot de volle bediening van Woord en sacramenten toegelaten, waarna hij door twee classispredikanten bevestigd werd in het ambt. Na een periode van vier jaar werd hij beroepen in De Kaag. Hij besloot dit beroep aan te nemen, waarop hij 4 juli 1701 ontslag kreeg van de classis.

Predikant te De Kaag

Eenmaal in De Kaag aangekomen, eiste classis Leiden en Neder-Rijnland van Van Houten, dat hij zich zou opstellen achter wat in de Postacta van de Nationale Synode van Dordrecht was opgenomen inzake het vierde gebod. In De Kaag heeft Van Houten ongeveer vijftien maanden gearbeid. In die tijd werd hij betrokken bij de problemen die Jacques Hanapier ondervond in verband met diens overgang van de roomse naar de gereformeerde religie. Pogingen werden ondernomen hem te ontvoeren. Om Hanapier hiertegen te beschermen, werd voor hem een veilige wijkplaats gezocht bij Frederik van Houten in De Kaag. Deze nam hem daarop in huis. De ongehuwde Van Houten beschouwde de jonge Hanapier als zijn geestelijke zoon. Na het overlijden van Van Houten werd hij predikant te Kapelle (Zuid-Beveland) en daarna te 's-Gravendeel.

Middelburg en vriendschap met Petrus Immens

Gaarne had de gemeente van De Kaag gezien dat Van Houten langer in haar midden gebleven was. Dit mocht zo echter niet zijn: in augustus werd hij beroepen in de aanzienlijke standplaats Middelburg, welk beroep hij aannam, waarna hij in oktober naar deze stad overging. Daar dienden als predikant in die tijd ook onder andere Bernardus Smytegelt, Petrus Immens, Carolus Tuinman en Henricus de Frein. Immens en Van Houten gingen met elkaar om als David en Jonathan.

Ziekte, lijden en overlijden

In 1705 moest Van Houten zes maanden zijn werk neerleggen, omdat een verlamming hem getroffen had. Hij was hieronder stil en onderworpen. Hij had wel begeerte om te sterven, maar ook lust om nog te leven, tot ere Gods en dienst der gemeente. Na zijn herstel was het alsof hij nader tot God gebracht was en verhevener preekte. Frederik van Houten leefde door geloof en deed alzo zijn werk. Hij studeerde en mediteerde meest biddende. De stoffen waarover hij predikte, heeft hij meest biddend bestudeerd, en aldus "veelzints de trouwe, en bystandt van zynen Bond-Godt" geproefd. Immens sprak dat Van Houten het talent van bidden op een uitnemende wijze van God ontvangen had. De beste en beproefdste christenen hielden van hem wel het meest, hoewel sommigen met vooroordelen tegen hem bezet waren, hetwelk hem niet weinig smartte.

De laatste activiteiten van Van Houten golden de classis Walcheren. Als assessor van deze vergadering moest hij op 5 maart 1711 de catechismuspredikatie houden over de vierde bede van het Gebed des Heeren. Kort daarop werd hij verkouden en kreeg hij hevige hoofdpijnen. Woensdagnacht 2 april 1711 overleed hij, na betuigd te hebben: "De grondt van myne hope is vrye genade in Christi offerbloedt: en myne bewyzen kent de Heere, en die zyn voor hem, dat ik daar op gebouwt hebbe, niet als myne gronden, maar als Gods genade bewyzen in my." Petrus Immens hield een lijkpredikatie over Openb. 14:13.

Overzicht van zijn geschriften

  1. Geestelyk Houwelijks verzoek van Vorst Messias.
  2. Geestelyke Gezangen en Gedigten.
  3. Een nadrukkelyken Brief.
  4. Een Nedergebogene en met God worstelende Ziel, in het Geloof weder opgericht.
  5. Ordre en Regel van een Christens Levens.
  6. Het Weergaeloos Groot Goedt.
  7. De ziek-verquickende Raed voor een verlegen sondaer.

Geraadpleegde bronnen

  1. Het blijvende Woord, deel 3, Gereformeerde Bijbelstichting te Leerdam
  2. Schatkamer van de Gereformeerde Theologie in Nederland, ds. J. van der Haar
  3. zie ook: Theologienet.