In dit artikel wordt ingegaan op de Bijbelse leer van Gods eeuwige, persoonlijke uitverkiezing in het licht van Johannes 1:11, waar staat dat Christus door ‘de Zijnen’ werd verworpen.
Tegenover opvattingen die de verkiezing afhankelijk maken van de menselijke aanvaarding, laat de Schrift zien dat Gods verkiezend handelen soeverein, beslissend en onvoorwaardelijk is. De verwerping van Christus door de Zijnen ontkent de verkiezing niet, maar benadrukt juist de noodzaak en de kracht van Gods genade, waardoor uitverkorenen op Zijn tijd tot waar geloof en aanneming van Christus worden gebracht.
De vraag rond ‘de Zijnen’ en de uitverkiezing
De volgende vraag gaat over Gods eeuwige verkiezing en de verwerping van Jezus door ‘de Zijnen’. Vraag: “In Johannes 1:11 lezen we: ‘Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.’ Tegenstanders van het gereformeerde geloof gebruiken deze tekst om te beweren dat de uitverkiezing niet tot de zaligheid leidt. Het volk van Israël, zo zeggen zij, was uitverkoren (d.w.z. ‘de Zijnen’), maar niet al ‘de Zijnen’ hebben Hem aangenomen. Daarom leidt uitverkiezing niet noodzakelijkerwijs tot zaligheid, of is zij in ieder geval afhankelijk van de aanvaarding door die uitverkorenen: slechts sommigen van ‘de Zijnen’ hebben Hem aangenomen (Joh. 1:12). Wat wordt bedoeld met ‘de Zijnen’ in Johannes 1:11? Christus ‘kwam tot de Zijnen’ met het oog op het zijn van hun Zaligmaker, maar ‘de Zijnen hebben Hem niet aangenomen’?”
Persoonlijke en geen algemene verkiezing volgens de Schrift
Een van de dingen die de Schrift benadrukt met betrekking tot de uitverkiezing, is dat deze persoonlijk is en niet algemeen: God verkiest bepaalde personen tot verlossing en eeuwig leven, en Hij verwerpt. Beide worden duidelijk uiteengezet in Romeinen 9:6-13: ‘Doch ik zeg dit niet alsof het woord Gods ware uitgevallen. Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn; Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen, maar: In Izak zal u het zaad genoemd worden. Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend. Want dit is het woord der beloftenis: Omtrent dezen tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben. En niet alleenlijk deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit één bevrucht was, namelijk Izak, onzen vader. Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende, Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen; Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.’ De HEERE verkoor en had de persoon Jakob lief, en verwierp en haatte de persoon Ezau. Let wel, dit is van toepassing op ieder individu in het menselijk geslacht, want ieder is ofwel persoonlijk uitverkoren ofwel persoonlijk verworpen (zie 14-24).
Uitverkiezing vóór de grondlegging der wereld
Efeze 1:3-6 spreekt over persoonlijke uitverkiezing: ‘Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil; Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde.’ De woorden ‘wij’ en ‘ons’ verwijzen naar specifieke personen, de ‘heiligen’ en ‘gelovigen in Christus Jezus’ (1), die ‘uitverkoren’ (4) of ‘verordineerd’ (5) waren tot verlossing.
Voor soortgelijke teksten in de brieven van Paulus kan de lezer bijvoorbeeld Romeinen 8:28-30 en 11:1-10, Kolossenzen 3:12, 1 Thessalonicenzen 1:4 en 5:9, en 2 Timotheüs 1:9 raadplegen.
De dwaling van een algemene verkiezing
Kenmerkend voor degenen die de soevereine, eeuwige en onveranderlijke verkiezing van slechts enkelen ontkennen, is dat zij – omdat zij de vele verwijzingen naar de verkiezing in de Schrift niet kunnen ontkennen – de verkiezing algemeen en niet persoonlijk maken. God, zo zeggen zij, koos alleen volken of bepaalde soorten mensen, maar geen specifieke personen. Hoewel Romeinen 9:6-13 duidelijk verwijst naar bepaalde personen, wordt het Schriftgedeelte daarom vaak geïnterpreteerd alsof dit alleen over volken spreekt en niet over personen. Op deze manier herleiden zij het Schriftgedeelte tot het volgende: In het Oude Testament koos de HEERE Israël als Zijn uitverkoren volk, niet de Ismaëlieten of de Edomieten.
De arminiaanse opvatting en het antwoord van Dordt
Toen de Dordtse Leerregels (1618-1619), de oorspronkelijke vijf punten van het calvinisme, werden opgesteld, leerden de arminianen, die zich verzetten tegen Gods soevereine en almachtige genade, dat uitverkiezing alleen betekent dat Hij bepaalde voorwaarden voor de verlossing heeft bepaald, namelijk bekering en geloof, en niet dat Hij specifieke personen heeft uitverkoren. Dat ging gepaard met hun leer dat geloof en bekering niet werkelijk gaven van God zijn, maar van ons komen als voortbrengselen van onze eigen vrije wil – wij kiezen ervoor om ons te bekeren en te geloven. Door dat te doen, voldoen we aan de voorwaarden die God in de uitverkiezing heeft gesteld en zo bevinden we ons onder de uitverkorenen.
De Leerregels verzetten zich hier krachtig tegen en verwerpen de dwalingen van degenen ‘Die leren: Dat de verkiezing Gods ten eeuwigen leven velerlei is: de ene algemeen en onbepaald, de andere bijzonder en bepaald; en dat deze wederom óf onvolkomen, herroepelijk, niet-beslissend en voorwaardelijk is, óf volkomen, onherroepelijk, beslissend en volstrekt. Insgelijks: Dat er een andere verkiezing is tot het geloof, een andere tot de zaligheid, alzo, dat de verkiezing tot het rechtvaardigmakend geloof kan zijn zonder de beslissende verkiezing ter zaligheid. Want dit is een gedichtsel van des mensen hersenen, buiten de Schrift uitgedacht, waardoor de leer van de verkiezing verdorven en deze gulden keten van onze zaligheid verbroken wordt: Die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. 8:30).’ (I:V:2).
De sluwe arminianen beweerden dat zij een ‘bijzondere en bepaalde’ uitverkiezing – een uitverkiezing van bijzondere en bepaalde personen – niet ontkenden, maar zij leerden dat er nog een andere uitverkiezing bestond die ‘algemeen en onbepaald’ was, een uitverkiezing waarbij het aan de wil en keuze van de mens werd overgelaten of hij al dan niet zou geloven, behouden zou worden en tot de uitverkorenen zou worden gerekend. Die ‘onbepaalde’ uitverkiezing hield in dat het behoud afhangt van de keuze van de mens, niet van die van God.
Een onbijbelse, voorwaardelijke ‘verkiezing’ verworpen
Dat soort uitverkiezing, die eigenlijk helemaal geen uitverkiezing is, is, zoals de Leerregels aangeven, ‘onvolkomen’ (niemand weet, zelfs God Zelf niet, wie tot de uitverkorenen zal behoren), ‘herroepelijk’ (iemand kan zijn uitverkiezing verliezen), ‘niet-beslissend’ (God bepaalt het niet, maar laat het over aan de wil en de grillen van de mens) en ‘voorwaardelijk’ (want de mens maakt zichzelf uitverkoren door de voorwaarden te vervullen die God heeft gesteld). Deze uitverkiezing is evenmin soeverein, eeuwig of onveranderlijk. Ze is zelfs niet Goddelijk, dat wil zeggen een uitverkiezing door God Zelf, want de mens maakt zichzelf uitverkoren door zijn keuze. Een dergelijke uitverkiezing is niet in de Bijbel te vinden.
Hoe moeten wij Johannes 1:11 dan verstaan?
Wat betekent het, in het licht van de Bijbelse leer over de Goddelijke verkiezing, dat Christus ‘tot het Zijne kwam, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen’ (Joh. 1:11)? Kan het mogelijk betekenen dat Jezus tot degenen kwam die Hem door de Vader in de uitverkiezing waren gegeven, maar nooit door hen werd aangenomen, zodat zij uiteindelijk voor eeuwig verloren gingen, ook al waren zij eeuwig uitverkoren? Waren zij uitverkoren, maar was hun uitverkiezing ‘onvolkomen’ en ‘niet-beslissend’? In het licht van Johannes 6:37 kan dat niet, want Christus verzekert ons: ‘Al wat de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.’
Twee mogelijke verklaringen van ‘de Zijnen’
Er zijn twee mogelijke verklaringen voor Johannes 1:11 die in overeenstemming zijn met de leer van het Woord van God. De eerste verklaring is dat met ‘de Zijnen’ niet de uitverkorenen worden bedoeld, maar gewoon de Joden, Zijn eigen volk en natie. Jezus kwam tot hen en zij verwierpen Hem, zoals de Evangelieverslagen inderdaad vermelden. Er is dan ook geen sprake in dit vers van een uitverkiezing die niet persoonlijk, specifiek en definitief is, of van een verlossing die afhankelijk is van de wil of de werken van mensen. De tekst spreekt, volgens die uitleg, niet over Gods soevereine en onherroepelijke uitverkiezing.
De andere verklaring, waaraan wij de voorkeur geven, is dat met ‘de Zijnen’ de uitverkorenen worden bedoeld. Hij kwam tot hen en zij namen Hem niet aan, net zomin als de niet-uitverkoren wereld waarover Jezus in het vorige vers (10) spreekt. Ook de uitverkorenen verwierpen en verachtten Hem, totdat zij, door des HEEREN almachtige genade, werkelijk verstonden wie Hij was, en Hem aannamen en het recht verkregen om kinderen van God te worden (12). Dit sluit aan bij Jesaja 53:3: ‘Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.’
Onze eigen verwerping van Christus
Zeker, iedereen die zijn eigen hart kent, weet dat hij een van degenen is die ‘Hem niet hebben aangenomen’. Als ik in het paleis van de hogepriester of in de rechtszaal van Pilatus of op Golgotha was geweest, zou ik, ware het niet dankzij Gods genade, ook in het gezicht van de Zoon van God hebben gespuwd, om Zijn kruisiging hebben geroepen, de voorkeur hebben gegeven aan Barabbas en tot de onboetvaardige moordenaar zijn gerekend die lasterde: ‘Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons’ (Lukas 23:39). Iedereen die zijn totale verdorvenheid kent, weet dat het zijn eigen handen waren die de Zoon van God kruisigden, en zijn eigen hart dat Hem verwierp en verachtte. De wereld kende Hem niet (Johannes 1:10) – een tragedie – maar wij ook niet, die van eeuwigheid af Zijn eigen volk waren – een nog grotere tragedie! Ook wij kenden Hem niet en zouden Hem nooit hebben gekend – niet totdat Hij ons Zijn Geest zond om bekering en geloof in onze harten te bewerken.
Aanneming van Christus als vrucht van Gods genade
Degenen die Jezus wel hebben aangenomen, degenen tot wie Hij kwam, zijn degenen wier hart werd veranderd, aan wie door de Heilige Geest bekering ten leven en de gave van het geloof werd geschonken. Dit is het Woord van God in Johannes 1:13: ‘Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.’ Het is waar dat het eigen volk van Christus Hem verwierp ondanks alle beloften van Zijn komst, maar er is niemand die Hem ontvangt, niemand die enige achting voor Hem heeft, tenzij Hij Zelf dat mogelijk maakt: ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage’ (6:44).
U en ik hebben Christus aanvankelijk niet aangenomen, maar we waren altijd al van Hem, aan Hem gegeven door de Vader, verlost door Zijn bloed, en toen de door God bepaalde tijd kwam, werden we door Zijn Geest wedergeboren! Wat een wonder!
Bron: https://cprc.co.uk/languages/crnewsaugust2025/#election, ds. R. Hanko
Dit artikel is geplaatst binnen de categorie Bijbel & Schrift.
Meer reformatorische artikelen lezen? Bezoek de blogpagina of ontdek onze boekwinkel.