Wat bedoelt de Bijbel wanneer er staat dat God wil dat alle mensen zalig worden? Dit artikel van emeritus predikant E.J. Malcolm, redacteur van The Gospel Magazine, onderzoekt die vraag zorgvuldig in het licht van Schrift, context en gereformeerde leer.
‘Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker, Welke wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen’ (1 Timotheüs 2:3-4).
De vraag die we stellen is: Wat wordt er bedoeld als er gezegd wordt dat God de wil heeft om alle mensen zalig te maken? Dat God zo'n wil heeft, ontkennen we niet, omdat het op verschillende plaatsen duidelijk wordt gezegd. ‘Hij is voor allen gestorven’ (2 Korinthe 5:15). Christus heeft ‘Zichzelven gegeven tot een rantsoen voor allen’ (1 Timotheüs 2:6). Jezus smaakte de dood voor allen, Hebreeën 2:9. Niemand durft te ontkennen dat deze woorden er staan en niemand durft ze weg te redeneren. Aan de andere kant zou niemand het moeten wagen om meer in deze woorden te leggen dan ermee bedoeld is.
Het antwoord op de vraag vereist dat we de woorden van Paulus aan Timotheüs onderzoeken in het licht van het gedeelte (het verband), de verdere geïnspireerde schriften (de analogie[1] van de Schrift) en de leerstukken van onze leer (de analogie van het geloof). Er kan geen verklaring van de woorden aanvaard worden die deze twee proeven niet kan doorstaan.
Het verband
De zinsnede begint bij vers 1, waar Paulus schrijft: ‘Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle mensen.’ Het verband vereist daarom dat we het onderwerp ‘gebed’ bezien. Calvijn wijst erop dat drie van de vier woorden die voor gebed worden gebruikt, synoniemen zijn, en moderne verklaarders zien niet echt een verschil. Dat zulk gebed wordt aangespoord ‘vóór alle dingen’, betekent dat het de belangrijkste zaak is waarover hij wil schrijven. Er is een dringende behoefte aan het gebed waartoe hij aanspoort. Dat gebed is voor alle mensen. Niemand zal ontkennen dat de ‘alle mensen’ van vers 1 de ‘alle mensen’ van vers 4 moeten zijn
Vervolgens spreekt Paulus in vers 2 over bepaalde groepen[2] van mensen: ‘Voor koningen en allen die in hoogheid zijn’. Dat wil zeggen, we worden aangespoord om zelfs te bidden voor degenen die ons regeren, in welke samenhang of situatie dan ook. Elders eist dezelfde apostel dat iedere ziel aan de hogere machten onderworpen moet zijn, Romeinen 13:1. Petrus eist van ons dat wij alle menselijke ordening onderdanig zijn, om des Heeren wil, of het nu koningen of stadhouders zijn, 1 Petrus 2:13 enz. Voor christenen die in landen wonen waar men zich over het algemeen aan de wet houdt en waar een stabiele regering en vreedzame wisselingen van de macht worden verwacht, lijken zulke gebeden misschien niet zo dringend nodig. In de eerste eeuw en tegenwoordig op veel andere plaatsen, zijn zulke gebeden misschien moeilijk te rechtvaardigen. Wat hebben de heersers en gezagdragers van die naties per slot van rekening voor Christus' volk gedaan? Zij hebben verdrukt, net zoals Pilatus en Herodes. Zij hebben zich, net als de oversten van de synagogen, de overpriesters en oudsten van het volk, tegen het Evangelie verzet en iedereen vervolgd die de Heiland liefhad. Er zijn in de geschiedenis van ons eigen land tijden geweest, dat het regeerders waren, in staat en in kerk, die het voortouw hebben genomen in het weerstaan van het licht van Gods waarheid.
Het zal dan ons dan ook niet verbazen dat er sommigen zijn geweest, en nog steeds zijn, die onwillig zijn om zich aan de hogere machten of elke menselijke ordening te onderwerpen om des Heeren wil. Hoe kan een persoon, of een gemeente, die over de onderdrukkende daden van het gezag treurt, ertoe bewogen worden om voor dat gezag te bidden? Hoe kunnen christenen die door de staat worden vervolgd, bidden voor hun overheden? Toch wordt ons geboden te bidden voor hen die ons vervolgen, Matth. 5:44.
De apostel Paulus gebiedt echter dat er gebeden moet worden voor alle gezagsdragers, zowel voor koningen als voor alle overheden. Dit is een categorie mensen die niet uitgesloten mogen worden van onze gebeden, ook al zijn zulke gebeden moeilijk en staan ze in de gegeven omstandigheden gevoelsmatig ons tegen. Waarom zouden we voor zulke mensen bidden? ‘Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker.’ Paulus beveelt zowel het gebed zelf aan als de zaken waarvoor we moeten bidden, ‘opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid’. Dat betekent bidden voor alle gezagsdragers en voor alle andere categorieën van mensen. We worden beïnvloed door degenen die onze wetten maken en door degenen die ze handhaven. We worden beïnvloed door degenen die ideeën uitdenken en voorstellen doen, en door hen die ideeën en voorstellen geleidelijk inprenten door middel van het onderwijs. Of we het nu mooi vinden of niet, kerkleiders hebben invloed, dus zou het niet verstandig zijn om voor hen te bidden, dat de Heere hun hart zou omkeren, in plaats van over hen te klagen en over hun vaak teleurstellende uitspraken en daden? Dit alles is goed en aangenaam in de ogen van God, onze Zaligmaker. En omdat Hij onze Zaligmaker is, weten wij dat Hij allen zal zalig maken die Hij in Christus heeft uitverkoren vóór de grondlegging der wereld. Dit kunnen koningen zijn, en sommigen die gezag hebben. Dit kunnen filosofen en journalisten zijn, leraren en docenten, aartsbisschoppen en andere predikanten. Of twijfelen we aan de zaligmakende kracht van God?
Merk op: ‘Er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus, Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis te zijner tijd.’ Het Evangelie is niet alleen voor één groep van personen en ook sluit het geen categorie van personen uit. Arme weduwen en bedelaars staan naast de Nikodemussen en Jozefs van Arimathéa in het Koninkrijk der hemelen. Er zijn er misschien meer van de eerste dan van de laatste soort, maar we hebben goede redenen om te denken dat George de Derde[3] naast Billy Bray[4] zal staan in de tegenwoordigheid van hun Zaligmaker.
We mogen ook niet voorbijgaan aan het feit dat onze vertalers in het vers een komma geplaats hebben: ‘Welke wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen’[5]. Er zijn twee zaken in de wil van God, onze Zaligmaker: de zaligheid van mensen uit alle rangen en standen, en hun komen tot de kennis van de waarheid. Er is geen zaligheid zonder het komen tot de kennis van de waarheid. Omdat niemand die geen voorwerp van zaligmakende genade is tot die kennis komt, volgt daaruit dat het tweede aspect van de Goddelijke wil hier onze opvatting van het eerste aspect moet bepalen: die Hij voorheeft om in Christus Jezus zalig te maken, zullen tot de kennis van de waarheid komen.
Hieruit zal duidelijk zijn dat we pleiten voor de opvatting dat deze woorden in hun verband betekenen dat Paulus spreekt over groepen van mensen, niet over de hele mensheid. Hoe verhoudt dit zich tot onze andere twee toetsstenen?
De analogie van de Schrift
Een tekst die uit zijn verband is gerukt, wordt inderdaad een dekmantel[6], zoals het spreekwoord zegt [namelijk om de Bijbel te laten zeggen wat er niet staat, vert.]. Hetzelfde kan gezegd worden van een opvatting die, hoewel het in het verband lijkt te passen, in strijd is met iets anders in de Schrift. De kerk mag niet ‘de ene plaats van de Schrift zo uitleggen, dat ze in strijd is met een andere’ (artikel XX van de Negenendertig Artikelen)[7]. Zo'n eis geeft ons geen vrijbrief om de uitleg van de Schrift achterwege te laten met de bewering dat we twee zaken die op gespannen voet met elkaar zijn, moeten laten staan: dat is louter luiheid.
Hebben we het recht om ‘alle mensen’ hier zo op te vatten dat ze verwijzen naar alle categorieën van mensen, in het licht van de leer van de rest van de Schrift? Wij houden staande dat dit zo is.
Hier ligt het schijnbare probleem in vers 6, waar we lezen dat Christus Zichzelf gaf ‘tot een rantsoen voor allen’. Als de ‘alle mensen’ van de verzen 1 en 4 inderdaad alle groepen van mensen zijn, dan is het ‘allen’ voor wie Christus Zichzelf tot een rantsoen gaf, ook alle groepen van mensen. Als echter het 'allen' voor wie Christus Zichzelf tot een rantsoen gaf, inderdaad alle mensen zijn, volgt daaruit dat de ‘alle mensen’ van de verzen 1 en 4 niet alle groepen kunnen zijn, maar alle mensen moeten zijn. Daarom vragen wij: Heeft Christus Zichzelf gegeven tot een rantsoen voor alle mensen, of voor alle categorieën van mensen?
We beantwoorden dit door te kijken naar vers 5. Daar lezen wij dat ‘er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus’. Is het mogelijk dat de ‘mensen’ van dit vers verschillen van de ‘alle mensen’ van de verzen 1 en 4? Is Christus de Middelaar van alle mensen in het algemeen, of is Hij niet veeleer de Middelaar van Zijn volk? In Mattheüs 20:28 lezen we de woorden van Christus, dat de Zoon des mensen kwam om ‘Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen’. Namen de zaligmakende weldaden van Christus toe tussen deze uitspraak en die welke Paulus aan Timotheüs schreef? Werd er een uitbreiding gemaakt, zodat de reikwijdte van de verzoening achteraf werd vergroot? Of moeten we de twee uitspraken als synoniem opvatten, waarbij ‘velen’ en ‘allen’ niet met elkaar op gespannen voet staan, laat staan dat ze tegenstrijdig zijn. In plaats daarvan betekent ‘allen’ in 1 Timotheüs 2:6 ‘velen’ of ‘alle groepen’. De betekenis ervan moet in overeenstemming zijn met zowel de verzen 1 en 4 van hetzelfde hoofdstuk als met Mattheüs 20:28. Jesaja 53:12 leert ons dat Gods Rechtvaardige Knecht de zonden van velen droeg, niet van allen.
De analogie van het geloof
Wat is onze leer? Hebben we een volledig Evangelie? Erkennen wij de Goddelijke besluiten, de wil van God waarmee Hij alle dingen heeft voorbestemd? Verkondigt Hij werkelijk het einde van den beginne, bestaat Zijn raad, en doet Hij al Zijn welbehagen, zoals Jesaja 46:10 leert? Als dat zo is, dan kunnen we niet denken dat onze genadige en liefhebbende God niet de zielen heeft verordend die Hij zalig zal maken, die uitverkoren zijn in Christus vóór de grondlegging der wereld, Efeze 1:4, voor wie Christus gestorven is, Die voorgekend zijn voor de grondlegging der wereld, 1 Petrus 1:20. Wij durven niet te denken, dat Christus Zijn leven aan het kruis aflegde, zonder te weten voor wie Hij stierf, want Hij zag de arbeid Zijner ziel, en werd verzadigd, Jesaja 53:11. Hij wist dat de boetvaardige moordenaar Zijn eigendom was en de onboetvaardige niet. Hij kende het verschil tussen het toenmalig Jeruzalem, waarover Hij weeklaagde vanwege de toekomende toorn, Mattheüs 23:37 enz. en het Jeruzalem dat boven is, voor wie Hij in liefde bad, Lukas 23:28, Johannes 17.
Elke opvatting van 1 Timotheüs 2:4 die in tegenspraak is met de gereformeerde leer van de particuliere verzoening, moet worden weerstaan. Dit is niet omdat we ons systeem boven de duidelijke woorden van de Schrift stellen, maar omdat we er in onze ziel van overtuigd zijn dat het gereformeerde geloof het echte Evangelie is. We schamen ons er niet voor en voelen niet de behoefte om dingen die ogenschijnlijk tegenstrijdig zijn met elkaar op gespannen voet te laten staan: nee, we lossen die schijnbare tegenstrijdigheden op door de studie, verklaring en toepassing van Gods heilig Woord. Waar we een zaak nog niet kunnen oplossen (ik spreek over personen, omdat de kerk ze heeft opgelost, in het geheel van de geschriften die van geslacht op geslacht zijn doorgegeven, en vaak stof liggen te verzamelen op de planken van menige studeerkamer van predikanten), laten we eerlijk zijn en toegeven dat we nog werk te doen hebben. Maar laten we de waarheid van Gods Woord niet in twijfel trekken door de analogie van het geloof niet toe te passen.
Conclusie
De gezegende apostel Paulus spoort aan om in de eerste plaats allerlei soorten gebeden te doen voor alle mensen, ook voor degenen voor wie we van nature misschien niet geneigd zijn te bidden. Per slot van rekening is Christus gestorven voor alle categorieën van mensen, zonder één uit te laten. Laten we ons niet baseren op ons eigen inzicht in de geschikte onderwerpen voor gebed, maar laten we de wil van de Heere gehoorzamen. Laten we niet steunen op ons eigen begrip van de betekenis van de Schrift, maar laten we ons onderwerpen aan de wijsheid van de Heere, daar de Heilige Geest, de Trooster, ons in alle waarheid leidt.
Het is onnodig te zeggen dat tegenstanders zullen willen wijzen op andere verzen die, naar hun mening, het leerstuk loochenen die we hier hebben verdedigd. We hopen in de komende maanden meer van die verzen te behandelen, om alle lezers van ‘The Gospel Magazine’ te helpen in hun liefde voor Christus, hun vreugde in de goedheid van God en hun vertrouwen in de Schrift der waarheid.
Bron: The Gospel Magazine, November-December 2023, Edward Malcolm.
[1] Of: overeenstemming. De Schrift spreek zichzelf niet tegen en wat in een bepaald vers niet duidelijk is, kan en moet vanuit andere Schriftplaatsen en in lijn daarmee verklaard worden.
[2] Of: rang, stand, categorie
[3] George III (1738-1820) Koning van Groot-Brittannië en Ierland
[4] Billy Bray (1794-1868), een wat eigenaardige prediker onder de methodisten
[5] In de King James Version staat een komma achter het woordje en: ‘Welke wil dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen’
[6] Een Engels gezegde: A text taken out of context becomes a pretext
[7] Westminster Geloofsbelijdenis
Dit artikel is geplaatst binnen de categorie Bijbel & Schrift.
Meer reformatorische artikelen lezen? Bezoek de blogpagina of ontdek onze boekwinkel.