Een predikant die gebukt gaat onder verdeeldheid, zonde en strijd in de gemeente ontvangt een indringende boodschap van troost. In deze pastorale brief wijst Job Hupton op Gods absolute soevereiniteit, zelfs midden in pijnlijke omstandigheden. Hij roept op tot geduld, vertrouwen en onderwerping aan Gods wil, met de zekerheid dat alles — hoe donker ook — uiteindelijk zal meewerken ten goede voor Gods kerk en tot eer van Zijn Naam.
Door Job Hupton (1761-1849)[1]
Geachte broeder.
Ik heb zojuist de Heere voor u aangeroepen. Nu heb ik mijn pen ter hand genomen om u enkele gedachten te schrijven, ter bemoediging en troost in onze huidige moeilijkheden. O, moge de Heilige Geest van waarheid en genade, Wiens voorrecht het alleen is de waarheid in onze harten toe te passen, deze woorden tot een krachtdadig middel maken. Moge Hij u nu en blijvend vertroosten in uw gekwelde gemoed.
Ik denk vaak aan u en uw gemeente. Mijn gebed tot de God en Vader van alle barmhartigheid, voor u en voor hen, is dat Hij alles wat onder u in strijd is met Zijn woord, genadig zal vergeven en krachtig zal wegnemen. Uw hart bloedt om de wonden van Sion. De val en de twist van uw broeders doen u in uw geest zuchten. Een stortvloed van tranen stroomt uit uw ogen. U vertelt hun de bittere smart van de ziel die u omwille van hen voelt. Want zij onteren de Heilige Israëls. Zij stellen de beste van alle zaken – de zaak[2] van Christus – bloot aan spot en minachting. Die is u dierbaarder dan de schatten van Indië, – dan alle rijkdommen van de wereld.
Maar waarom, mijn beste broeder, deze overvloed aan verdriet? Is er iets vreemds of ongewoons gebeurd? ‘Houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking.’ Het is slechts dezelfde beker der verschrikking die u in handen wordt gegeven, waaruit honderden van uw broeders nu drinken. Maar dezelfde smeltoven waar u doorheen gaat, zijn er duizenden die nu bij God zijn, al vóór u doorheen gegaan.
Kom, droog uw tranen, en bedenk:
Ten eerste, dat Hij, die rustig ‘op de vleugelen des winds wandelt’, met een woord, of met een knik, of zelfs met een blik, in een oogwenk de wildste stormen kan stillen. Hij kan de meest woeste gemoederen en twistzieke karakters bedaren. Hij kan zelfs wild tumult tot diepe rust brengen. Wanneer Hij zegt: ‘Zwijg, wees stil’, moet het naar Zijn woord geschieden.
Tot dan, mijn beste broeder, moet u wachten. Tot dan zullen alle menselijke inspanningen tevergeefs zijn. Rust in de Heere en wacht geduldig op Hem. Hoe geduldiger en meer onderworpen u wacht, des te meer zult u God eren en de plannen van de vijand dwarsbomen. Die heeft de storm in het huis van God doen opsteken. Die heeft ervoor gezorgd dat de ongerechtigheden van sommigen hen meevoeren als de wind, om uw handen te verslappen en uw hart te ontmoedigen in het werk van uw Meester. Maar vrees niet, want,
Ten tweede zijn zelfs de haren van uw hoofd alle geteld; geen daarvan kan vallen zonder een bevel uit de hemel. Juist de zaken die u het meest bekommeren, staan op dit moment onder Goddelijke leiding. Niets, of het nu pijnlijk of aangenaam is, is het gevolg van toeval.
Voorspoed en tegenspoed zijn beide onderworpen aan besluiten. Zij komen voort uit grenzeloze liefde, gevormd door oneindige wijsheid en gegrondvest op de absolute soevereiniteit van Hem Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil; Die zegt: ‘Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen’. Niemand kan Zijn hand afslaan. Niemand, noch mensen noch engelen, kan zeggen: ‘Wat doet Gij?’
Onze tijden zijn allemaal in Zijn hand. Hij heeft ze geschapen. Hij onderhoudt ze en Hij regeert de gehele natuur. Wie is er zo geschikt om de lijn van ons lot te tekenen en ons deel van goed en kwaad af te meten? Is Hij het niet, Die ons in aanzijn heeft geroepen, en in Wie oneindige goedheid en oneindig inzicht verenigd zijn?
O, dat wij stil zouden zijn! Dat wij, door een vreugdevolle onderwerping aan Zijn wil, Zijn recht zouden erkennen om te regeren en al Zijn heilig behagen te doen, in elk deel van Zijn uitgestrekte rijk. Hij beïnvloedt, beteugelt en laat de gedachten van de mensen toe, overeenkomstig Zijn allerhoogste wil. Hij geeft ons, noch enig van Zijn schepselen, een andere reden voor Zijn handelen dan deze: ‘omdat Het goed is in Zijn ogen.’
Of wij ons verheugen of treuren, Zijn wil is zeker het beste. Maar is het Zijn wil dat die dingen plaatsvinden waardoor Zijn geheiligde Naam wordt onteerd en Zijn rechtvaardige zaak wordt blootgesteld aan smaad en spot? Zo niet, waar zijn dan Zijn onafhankelijkheid en soevereiniteit?
Elke zaak die iets zou voortbrengen onafhankelijk van Zijn wil, moet worden beschouwd als Zijn meerdere. Maar Hij, voor Wie de volken zijn als een druppel van een emmer en als het kleine stof dat aan de weegschaal kleeft, en in Wiens ogen de gehele schepping minder is dan niets en ijdelheid, kan noch een meerdere noch een gelijke hebben. Daarom kan er in geen enkel deel van Zijn uitgestrekte rijk iets plaatsvinden zonder Zijn toestemming.
Hoewel de verheven heiligheid van Zijn natuur zodanig is dat Hij onmogelijk de verdorvenheid van welke handeling dan ook kan goedkeuren, is er toch niets zekerder dan dat Hij het meest snode gedrag toestaat om Zijn soevereine oogmerken te dienen. Die zijn niet minder heerlijk en heilig dan diepzinnig en met verborgenheid omringd.
Dat Hij het zedelijke kwaad heeft toegestaan onze wereld binnen te dringen en het gehele menselijke geslacht te omhullen, is een waarheid die niet kan worden ontkend. Dat Hij Zijn uitverkorenen, vóór hun wedergeboorte, in zonde laat leven, en sommigen van hen even diep in de onreine afgrond laat storten als wie ook die uit een vrouw geboren is, evenzeer. Dat Hij het niet uit hun natuur uitroeit wanneer Hij hen door Zijn genade roept, maar het in hen laat blijven en werken gedurende hun bestaan in deze wereld, is eveneens duidelijk. En dat Hij in talrijke gevallen toestaat dat degenen die oprecht in Jezus geloven, door de verleidingen van satan en de macht van de inwonende zonde vervallen in de meest schandelijke misdaden, is al even zeker.
Dit zijn onderdelen van Zijn wonderbare wegen. De redenen daarvan kunnen nooit op een andere grond worden verklaard dan die van Zijn eeuwige, onveranderlijke welbehagen en Zijn absolute en rechtvaardige soevereiniteit. Deze eer zal Hij nooit aan een ander geven. Hij zal haar ongeschonden handhaven als de basis van Zijn troon en de schitterendste edelsteen van Zijn kroon, temidden van al het gemor van de mensen en al het geklaag van de duivels.
Ten derde, wanneer door die gedragswijze, die de godsdienst in diskrediet brengt, de monden van de goddelozen worden geopend om op afschuwelijke wijze de waardige Naam te lasteren waarmee wij worden aangeduid, ontstaat er grote nood. De kerk wordt gekwetst en in benauwdheid gebracht. Zij wordt zelfs vervolgd door iemand uit onze eigen kring. Dan zou het goed zijn als wij, terwijl wij hun misdaden met heilige afkeer aanschouwen en hen met gepaste getrouwheid berispen[3], ons volledig neerleggen bij de wil die toestaat dat dit gebeurt.
Hoezeer wij de zonde ook verafschuwen en treuren om de schande die de Goddelijke Naam en de godsdienst die wij belijden wordt aangedaan door het wangedrag van degenen om ons heen, wij moeten stil zijn en weten dat Hij God is, Die dit toestaat. Wij moeten voor Hem neervallen met bevende aanbidding en eerbiedig ontzag. En met Paulus zeggen: ‘Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen.’
Voor zover wij Zijn wil afkeuren, zelfs in de meest ontzagwekkende beschikkingen van Zijn heilige voorzienigheid – waaronder Zijn toelating van zonde in Zijn kerk een prominente plaats inneemt –, beschuldigen wij Hem van dwaasheid. Dan nemen wij een houding van soevereiniteit aan. Daardoor onteren en mishagen wij Hem misschien evenzeer als degenen wier gedrag wij terecht veroordelen en wier misdaden wij betreuren.
Ten vierde is niets zekerder dan dat de Almachtige verheerlijkt wordt door alle daden van Zijn wil, evenals door die van Zijn macht. Hij zal uit die hartverscheurende gebeurtenissen, die u ertoe brengen in het verborgene te zuchten, op de een of andere manier, vroeg of laat, Zijn grote Naam eer toebrengen. Ook zal Hij het goede doen voor de zwaar getroffen kerk en haar troosteloze herder.
Het staat vast en is een onbetwistbaar feit: ‘dat dengenen die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn’. Hij die daarom wenend voortgaat en dierbaar zaad draagt, zoals u, mijn broeder, doet, zal ongetwijfeld te zijner tijd vreugde vinden. Hij zal uit een treurige zaaitijd een overvloedige, vreugdevolle oogst binnenhalen. ‘Des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.’
De duisternis van middernacht moet worden opgevolgd door de pracht van de dag. De somberheid van de winter door de bekoring van de lente. Wat maakt het uit dat sommigen, die eens hoog in onze achting stonden, zich hebben afgekeerd naar hun kromme wegen? Met hen raadpleegden wij eens in zoetigheid. Voor hen waren onze namen als kostelijke olie. Toch leidt de Heere hen samen met de onrechtvaardigen naar strenge tuchtiging of het definitief verderf. Toch zal er vrede zijn over Israël.
Als er aan de rechter- en aan de linkerzijde afvalligen in overvloed zijn, en de ongerechtigheden van de menigten hen als de wind hebben weggevoerd, blijft dit waar: ‘Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen die Zijne zijn.’
Hoewel Sion gekweld wordt, door onweder voortgedreven en ongetroost, zullen haar stenen toch gans sierlijk worden gelegd en zal zij op saffieren gegrondvest worden. ‘Uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken en uw poorten van robijnstenen, en uw ganse landpale van aangename stenen. En al uw kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn.’
Hoewel zij, te midden van haar verwarring en angst, zegt: ‘De HEERE heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten’, wordt zij toch door de Heere bijzonder in gedachten gehouden. Haar naam staat gegraveerd in Zijn handpalmen. Haar muren, de bron van haar veiligheid, zijn steeds vóór Hem. Haar zonen zullen zich haasten. Haar bekeerlingen zullen toenemen. Haar verstoorders en zij die haar verwoest hebben, zullen uit haar weggaan.
Het is inderdaad waar dat de Almachtige Zijn weg gaat in de wervelwind en de storm. Dat de werken van Zijn voorzienigheid ondoorgrondelijk zijn en de voetstappen van Zijn oneindige soevereiniteit onnaspeurlijk. Dat Hij voor de ogen van stervelingen een deel van de diepte van Zijn raadsbesluiten verbergt. Dat Hij Zijn schepselen geen rekenschap geeft van sommige van Zijn zaken. Dat Hij Zich af en toe, zelfs in het heiligdom, zowel Zichzelf als Zijn gangen verbergt achter een dikke wolk van ondoordringbare verborgenheid.
Hij is altijd de God van Israël, de Heiland!
Ten vijfde is het niet ongebruikelijk dat de Heere Zijn wonderbare oogmerken uitvoert en het welzijn van het volk des Heeren krachtdadig bevordert door middelen die op zichzelf verschrikkelijk en smartelijk zijn. Zij lijken, vanuit menselijk oogpunt, in strijd te zijn met het doel dat zij beogen te bereiken.
Het was door de haat en boosaardigheid, het verraad en de wreedheid van zijn broeders, dat Jozef zijn weg begon. Het was door de vernederende toestand van een slaaf. Door de verleiding en valse beschuldiging van zijn meesteres. Door de sombere verschrikkingen van een gevangenis. Zo bereikte hij zijn verheven positie aan het hof van Egypte. Door deze gebeurtenissen, die ogenschijnlijk in strijd waren met de betekenis van zijn profetische dromen, werd de voorzegging vervuld. Het wijze en genadige besluit van de hemel vond zijn precieze vervulling, tot redding van hem, van het huis van zijn vader en van het land Egypte.
Toen Jozef verondersteld werd dood te zijn, en er hongersnood heerste in het land Kanaän, en Benjamin naar Egypte moest gaan, riep Jakob in de bitterheid van zijn hart uit: ‘Al deze dingen zijn tegen mij.’ Maar hoezeer stond die uitroep haaks op de werkelijkheid! De gebeurtenissen toonden aan dat juist de dingen die hem het meest kwelden, hem het meest ten goede kwamen. Juist toen alles er het somberst en angstaanjagendst uitzag, en zijn geest met de scherpste smart werd doorboord, werkten zij mee om zijn belangen te bevorderen en zijn geluk veilig te stellen.
De Vorst des Levens stond toe dat de machten van de hel en de dood Hem in gevangenschap voerden. Zij brachten Hem tot het oordeel en het kruis. Opdat Hij door Zijn gevangenschap en dood hen gevankelijk zou voeren. En op de ruïnes van hun duistere rijk een heerlijke triomfboog zou oprichten, die noch de tijd noch de eeuwigheid kan uitwissen. Het was door de dood dat Hij hem vernietigde die de macht over de dood had, namelijk de duivel.
De hel mocht zich een tijdlang verheugen over de dood van de Zaligmaker, terwijl Zijn troosteloze kerk rouwde om zijn levenloze lichaam. Maar de hel ontdekte al snel, tot haar eeuwige schade, dat de oorzaak van haar triomf het middel tot haar vernietiging was. En dat het middel tot de neerslachtigheid van de kerk de oorzaak van haar vreugde was.
Er moest een hevige vervolging ontstaan rond Stéfanus, om de discipelen te verspreiden. Opdat zij het Evangelie zouden verkondigen, niet alleen in alle delen van Judea, maar ook in de heidense wereld, tot in Fenicië, Cyprus en Antiochië. En Paulus en Silas moesten wreed worden vervolgd en onrechtvaardig gevangengezet. Zo werd de aanleiding gegeven tot de bekering van de gevangenbewaarder en zijn huis.
Zo zet de Allerhoogste, in Zijn soevereine wijsheid en liefde, Zijn heerlijke werk voort. Hij bevordert het belang van Zijn Koninkrijk door middelen die het tegendeel lijken te doen. Door deze verborgenheid dwarsboomt Hij de plannen van de hel. Hij brengt de wijsheid van de wereld in verwarring. Hij drukt de leer in de harten van Zijn volk. En Hij verheft de eer van Zijn eigen Naam.
Ik hoef u dit niet te zeggen: bid. Ik weet dat u een man van gebed bent. U roept de Heere aan in de dag der benauwdheid, en Hij zal er u uithelpen; en gij zult Hem eren. Hij, mijn goede broeder, Die dit heeft beloofd, is de getrouwe God. Hij kan niet liegen. U kunt daarom veilig en gerust op Hem vertrouwen. Eerder zullen hemel en aarde in eeuwige chaos verzinken dan dat één belofte zal falen.
Wat u dan in uw huidige situatie moet doen, wordt door de Heilige Geest uitgedrukt: ‘Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken; ja, wacht op den HEERE.’
Gedenk mij in uw smeekbeden aan de genadetroon.
De uwe, in de zaak van de waarheid, Job Hupton
[1] Job Hupton werd in 1762 geboren in een klein dorpje in de buurt van Burton-on-Trent. Hij werd opgeleid om in een smederij te werken. Na zijn bekering onder de prediking van dominee John Bradford (een van de predikanten van Lady Huntingdon), die hij in Walsall had gehoord, begon hij te preken. Na enkele maanden aan het Trevecca College werd hij door Lady Huntingdon enkele jaren in dienst genomen als een van haar rondreizende predikanten. Toen hij anders ging denken over de doop, werd hij in 1794 predikant van de baptistenkerk in Claxton, in Norfolk. Daar werkte hij vele jaren met veel vrucht. Hij stierf op 19 oktober 1849.
[2] Het Engelse woord ‘cause’ wordt ook kortweg gebruikt om de (plaatselijke) kerkelijke gemeente aan te duiden. Dan zou het hier ook vertaald kunnen worden als ‘de zaak van Christus’ kerk’.
[3] Engels: ‘censure’ wat aan ‘censureren’ doet denken.
Bron: ‘The Sinner Saved’, nr. 51, augustus 2025
Dit artikel is geplaatst binnen de categorie Leer & Leven.
Meer reformatorische artikelen lezen? Bezoek de blogpagina of ontdek onze boekwinkel.