De tijd voert ons onophoudelijk mee naar het einde van ons aardse leven. In deze meditatie staat ds. J. Smidstra stil bij de vergankelijkheid van de tijd, de eeuwigheid van God en de troost die er is in Jezus Christus. Tegenover de vergankelijkheid van dit leven staat de zekerheid van het eeuwige leven met God. De boodschap is daarom ernstig én bemoedigend: laten wij de tijd uitkopen en uitzien naar de wederkomst van onze Heere.
Ds. J. Smidstra, predikant van de First PRC in Holland, Michigan.
‘De tijd, als een steeds voortrollende stroom, voert al haar kinderen mee.’ Deze woorden uit een bekende bewerking van Psalm 90 drukken een diepzinnige maar pijnlijke waarheid uit. Wij brengen ons leven door in de onontkoombare stroom van de tijd, die ons, net als een rivier, onophoudelijk meevoert naar ons einde. Het is onmogelijk om tegen de stroom van de tijd in te zwemmen. Het verstrijken van de tijd brengt verandering met zich mee: periodes van groei en vreugde, maar ook verlies, verval en uiteindelijk, onvermijdelijk, de dood. Sinds de zondeval teistert1 de tijd ons. De tijd voert al haar kinderen mee.
Dat was niet altijd zo. Want de tijd is, net als alle dingen, een schepsel dat God goed heeft geschapen. Een schepsel! Hoewel wij het ons nauwelijks kunnen voorstellen, was er een tijd waarin er geen tijd was, en een moment waarop de stroom begon te vloeien. ‘In den beginne schiep God den hemel en de aarde’ (Gen. 1:1). Daarin ligt de wording2 van de tijd. Vervolgens schiep God in zes dagen alles. Hij had de tijd niet nodig; het behaagde Hem om die tijd te nemen. De Schepper is de Heere van de tijd, ‘Die van den beginne aan verkondig het einde’ (Jes. 46:10). Hij alleen is de eeuwige IK BEN3, verheven boven de tijd, op geen enkele wijze gebonden aan de tijd. In Zijn goddelijk leven is er geen onophoudelijke stroom van momenten. God alleen is geen kind van de tijd dat door de stroom meegevoerd zou moeten worden, maar de Vader van de tijd, Die de tijd voortbracht door het Woord van Zijn macht. Hij deed de stroom voortvloeien uit de bron van Zijn eeuwige raad, Die de loop ervan van het begin tot het einde bestuurt. Wij, schepselen, zijn de kinderen van de tijd. De tijd is het rijk waarin God schepselen heeft geschapen om te verblijven. Ons leven verloopt in een onophoudelijke stroom van momenten. In tegenstelling tot de onvergelijkbare IK BEN, Die altijd alleen maar is, waren wij, zijn wij en zullen wij zijn.
Vanuit ons menselijk oogpunt spreekt de Bijbel op verschillende manieren over tijd. Wij lezen over ‘het verloop van de tijd’4 (Ex. 2:23), het verstrijken van de tijd dat van de ene gebeurtenis naar de andere leidt. Wij lezen ook over ‘te gezetter tijd’ (Gen. 18:14) of ‘de bestemde tijd’, dat wil zeggen een bepaalde tijdsperiode, een tijdperk, waarvan God de grenzen heeft bepaald. Jezus spreekt over beide in Handelingen 1:7, toen Hij de vraag van Zijn discipelen beantwoordde over het moment waarop het koninkrijk ten volle gekomen zal zijn: ‘Het komt u niet toe te weten de tijden of gelegenheden5, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft.’ Onze eigen tijden en gelegenheden liggen in Gods hand. Onze levensduur, de ‘gezette tijd op de aarde’6 (Job 7:1). Wij weten niet wanneer ‘zijn tijd’ zal komen (Pred. 9:12), maar onze tijden ‘zijn van den Almachtige niet verborgen’ (Job 24:1). Wat een troost om te weten dat Zijn goedertierenheid eeuwig is (Ps. 103:17). Hij zal ons ‘in de tijd des ouderdoms’ niet verstoten (Ps. 71:9). Hoewel er tijden van benauwdheid zullen komen – en deze komen voort uit Gods vaderlijke hand – is de Heere van de tijd ons een hoog Vertrek in tijden van benauwdheid (Ps. 9:10), en onze ‘Strekte ten tijde van benauwdheid’ (Ps. 37:39). ‘Alles heeft een bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijn tijd.’ (Pred. 3:1).
Terugziend op deze huidige tijd zei de Prediker ooit dat God ‘ieder ding schoon gemaakt heeft op zijn tijd’ (Pred. 3:11). Toch schuilt er droefheid in die woorden. Want door de zonde vervaagt al het schone op zijn tijd met de tijd. ‘Alle ding wedervaart hun gelijk allen anderen; enerlei wedervaart’ alle mensen (Pred. 9:2). De mens brengt zijn leven door in ijdelheid, want niets blijft bestaan; de stroom der tijd voert al zijn kinderen mee. En de mens is geschapen met een honger naar eeuwigheid in zijn ziel, een honger die alleen het leven met God kan stillen (Pred. 3:11).
Onze hoop en onze troost is uitsluitend Jezus Christus!
Het verzoeningswerk van Christus aan het kruis heeft de zonden van Zijn volk verzoend en voor hen het eeuwige leven bij God verdiend. De verlossing in Christus redt ons van de teisteringen van de tijd en de ijdelheid van dit vergankelijke leven, en verzoent ons met de eeuwige God, de Fontein van het eeuwige leven (Ps. 36:9). Jezus is de zaligheid van ‘IK BEN’, de Alfa en de Omega, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid Dezelfde. Christus heerst over de stroom der tijd die Zijn volk meevoert, net zoals Hij heerste over de golven van de zee. Nu kan de steeds voortrollende stroom van de tijd Gods zonen en dochters alleen nog maar naar de eeuwige gemeenschap met de Vader voeren. De vorige dingen zullen op een dag voor altijd voorbij zijn. Alle dingen zullen voor altijd nieuw zijn. Eeuwig leven! In Christus wordt de tijd zelf met God verzoend. Hoe de tijd er in de heerlijkheid uit zal zien, is moeilijk te zeggen. Zij zal niet verdwenen zijn, want God alleen is tijdloos, maar zij zal anders zijn (Openb. 10:6). De tijd zal niet langer teisteren. Maar voor eeuwig zal de stroom van de eeuwige tijd ons verder en dieper meevoeren, in de veelzijdige rijkdom van de verbondsgemeenschap met de God van onze verlossing en de onvergankelijke erfenis van de kinderen van God. Van heerlijkheid tot heerlijkheid, tot in alle eeuwigheid, dat is het verstrijken van de tijd in het eeuwige leven. De eeuwige tijd zal niet voldoende zijn om de lof van onze God te bezingen!
Laten wij moed vatten! Omdat ‘het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden’ (Rom. 8:18). Laten wij ook waakzaam zijn. Want de tijd is voorts kort (1 Kor. 7:29)!
De zondige mens denkt in zijn dwaasheid dat hij alle tijd van de wereld heeft. Hij zegt bij zichzelf: ‘Ik kan nu leven zoals het mij goed lijkt. Later zal ik wel nadenken over de eeuwigheid.’ Pas op voor dergelijke dwaasheid; zij leidt tot de eeuwige ondergang. Ons aardse leven is ‘een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt’ (Jak. 4:14). Zeg niet tegen Christus wat Felix tegen Paulus zei: ‘Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen’ (Hand. 24:25). Zeg liever: ‘Braakt u een braakland; dewijl het tijd is den HEERE te zoeken’ (Hos. 10:12). Laten wij gehoor geven aan de oproep van het Evangelie om ons te bekeren en in de Heere Jezus Christus te geloven (Markus 1:15), want ‘dat het de ure is dat wij nu uit den slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader dan toen wij eerst geloofd hebben (Rom. 13:11). Zijn ‘tijd is nabij’ (Openb. 1:3). Laten wij ons benaarstigen om in Hem gevonden te worden (2 Petr. 3:14), de tijd uitkopen (Ef. 5:16) en met opgericht hoofd uit te zien naar de wederkomst van onze Heere. Kom, Heere Jezus, kom haastelijk!
Voetnoten
[1] Engels: ‘ravages’, dat is teisteren, verwoesten.
[2] Letterlijk ‘genesis’.
[3] Volgens de Engelse Bijbel (KJV). De Statenvertaling heeft: ‘IK ZAL ZIJN’.
[4] Volgens de Engelse Bijbel (KJV). De Statenvertaling heeft: ‘na vele dezer dagen’.
[5] De Engelse Bijbel (KJV) heeft ‘seasons’ dat is tijdperk.
[6] Zie kanttekening 1 bij dit Schriftgedeelte.
Bron: The Standard Bearer, september 2026, rubriek: ‘Een rede op zijn pas gesproken’.
Dit artikel is geplaatst binnen de categorie Leer & Leven.
Meer reformatorische artikelen lezen? Bezoek de blogpagina of ontdek onze boekwinkel.