Kort Ontwerp van de Leer der Waarheid – vragenboekje van vier Friese predikanten
Het Kort Ontwerp van de Leer der Waarheid is een bekend vragenboekje uit de Nadere Reformatie, geschreven door vier Friese predikanten. Dit inmiddels vergeten catechisatieboekje werd veel gebruikt in kerk en gezin en heeft grote invloed gehad op het geestelijk leven en het Bijbels onderwijs.
👉Lees ook de volgende gebeden uit dit boekje afkomstig:
Wat is het Kort Ontwerp van de Leer der Waarheid (vragenboekje)?
Het Kort Ontwerp van de Leer der Waarheid is een vragenboekje voor de catechisatie (zoals die van Hellenbroek) van vier Friese predikanten. Hierin wordt de gereformeerde leer van de Reformatie helder uiteengezet. Het boekje heeft zeker 12 herdrukken beleefd en is zelfs vertaald in het Maleis (1732) en Singalees (1744) voor gebruik in onze koloniën, zoals Nederland- Indië en Sri Lanka.
Verspreiding en invloed in binnen- en buitenland
Dit boekje genoot in de 18e eeuw grote bekendheid en volgens Van der Aa is het “in zeer vele gemeenten in gebruik geweest onder den naam van ‘Het boekje der vier predikanten' en heeft aldus op veler godsdienstig leven grooten invloed geoefend.”
Er verscheen ook een verkorte versie van onder de naam “Kort Uittrekzel”, bedoeld voor de jonge kinderen dat eveneens vele malen herdrukt werd. De vragen en antwoorden zijn veel korter dan in het oorspronkelijke boekje.
De vier predikanten
De vier Friese predikanten die bij dit vragenboekje betrokken waren, zijn:
- Martinus Duirsma (spreek uit: Duursma) 1678-1740
- Duirardus Duirsma, broer van Martinus (1680?-1735)
- Augustinus Geukama (1682-1762)
- Hillebrandus Mentes (1672-1731)
Martinus diende de gemeenten van Gerkesklooster, Oostermeer en Eestrum en ten slotte in Drachten. Zijn broer Duirardus was predikant te Suawoude en Tietjerk. Geukema stond te Gerkesklooster en Oostermeer. Mentes tenslotte was herder van de gemeente te Bergum en later Visvliet.
Het geestelijke doel van het vragenboekje
In het voorwoord wordt opgemerkt: “Wat de andere boekjes aangaat, wij oordelen dat sommigen te hoog en te zwaar voor de eenvoudigen en anderen met nodige praktijk van godzaligheid niet genoegzaam doorwrocht zijn. En de meesten vooronderstellen te veel in hun toehoorders. De grond- of worteloorzaak van het bederf is naar ons oordeel niet genoeg doorzien.”
Waarschuwing tegen valse gronden in het geloof
Ze vervolgen: “Men heeft de mensen als reeds bekeerd of van hun jeugd geheiligd aangemerkt, omdat zij in de kerk van Christus, van christelijke ouders geboren, gedoopt en in de kerk aangekweekt of, volwassen zijnde, in de gemeenschap der kerk zeer gemakkelijk geraakt waren."
Nadruk op ware bekering en leven uit Christus
"Zij hebben zich dus veelal op valse gronden gebouwd, daar zij in de grond nooit hun verloren staat buiten Christus hebben gevoeld, niet inwendig geheiligd nog veranderd zijn, om uit de vereniging met Christus een heilig leven te leiden met verloochening van zichzelf en de begeerlijkheden der wereld. Hierom is het dat wij nu zovele valse gronden ontdekken moeten, opdat niemand schipbreuk zou lijden aan zijn geloof en met een ingebeelde hemel naar de hel ga. Dienvolgens is het zeer nodig op de grond van het hart te tasten en alle valse sterkten de bodem in te slaan."
Plaats binnen de Nadere Reformatie
"We volgen in dezen het spoor van zovele, eerbare en wakkere mannen die in geleerdheid en godzaligheid als sterren aan het firmament van de kerk van Christus hebben uitgeblonken en nog blinken in hun geschriften. Zoals de eerwaardige heren Teellinck, Saldenus, Lodenstein, Witsius, de beide Brakels, Koelman, Alardin, Vitringa onze hooggeachte en beroemde meester, D’ Outrein, Hellenbroek, Eversdijk en meer anderen."
Tekst van het vragenboekje 'Kort Ontwerp'
De inhoud van het boek willen we in de loop van de tijd hieronder opnemen.
De tekst is overgenomen uit de editie van 1757 (11e druk, Pieter Koumans, Leeuwarden) met lichte aanpassingen. Van volledig uitgeschreven Bijbelteksten in het origineel, zijn in de meeste gevallen alleen de Schriftplaatsen vermeld, tenzij het antwoord een volledig citaat vereist. U kunt de tekst volledig lezen door de muis over de Schriftplaats te laten gaan.
Opdracht
Aan de weledele, hooggeborene, en gestrenge heer, mijn heer
JOH. VAN GLINSTRA,
Grietman van Tietjerksteradeel, en mede Gecommitteerde in de Provinciale Rekenkamer van Friesland.
Voortreffelijke heer,
Mijn heer,
Het heeft de allerhoogste God, Die boven alles in majesteit en heerlijkheid verheven is, behaagd sommigen uit de mensenkinderen als machten en overheden op de stoel van eer te zetten, met zwaard en scepter in hun handen; niet opdat zij zichzelf verheffen, maar opdat zij hun onderdanen besturen zouden naar recht, en regeren in gerechtigheid, met de kwade te straffen en de goede te beschermen en te belonen; want God heeft haar gericht gegeven, en haar troon zal door gerechtigheid verhoogd worden. Doch indien iets de overheden achtbaar, en hun regering ontzaglijk maakt, zo is daarin ook bijzonder gelegen dat zij zelf de zuivere godsdienst zijn toegedaan, en zich gedragen als voedsterheren der kerk. Want hoewel Jezus alleen de Koning, en het Hoofd van Zijn kerk is, zo neemt dit evenwel een wettige regering niet weg; de kerke Christi is niet schadelijk, maar voordelig aan ’t gemenebest, en haar overheden onderworpen; en ofschoon de overheden geen meesterschap mogen voeren over Christi erfdeel, omdat de Heere alleen haar Rechter, Wetgever en Koning is, zij mogen echter de kerk wel met hun wijze raad dienen, en onder de vleugelen harer bescherming nemen.
Gewis, als deze dingen hand aan hand gepaard gaan, gelukkig is het land, gezegend is de stad, voorspoedig is het volk! Want van een godvruchtige, wijze en rechtmatige regering hangt veeltijds af het welwezen van land en kerk; gelijk de ervaring dit ten allen tijden bevestigd heeft: daar David, waar Afas, waar Josaphat, waar Hizkia, waar Josia op de troon zitten, daar gaat het wel, daar bloeit de zake Gods, het rijk van Koning Jezus.
Omdat nu, weledele, hooggeborene, en gestrenge heer, de Goddelijke voorzienigheid UEd. mede gesteld heeft onder de hoofden des lands, onder wiens vleugelen wij schuilen, en zulke aangename schaduw vinden, zo nemen wij de vrijmoedigheid om UEd. aanzienlijke naam te stellen op ’t voorhoofd van dit ons gering werkje, om alzo een openbare betuiging te doen van de hoogachting en verplichte dankbaarheid, die wij UEd. schuldig zijn, voor zulke vriendelijke bejegeningen en blijken van toegenegenheid, die wij genoten hebben en nog genieten.
Wij zullen hier de gewoonte niet opvolgen, die doorgaans de opdrachtschrijvers gemeen is; welke, wanneer zij met de namen van aanzienlijke personen voor hun werken pronken, met de uitgezochtste woorden hun lof en deugden ten top verheffen; want wij zijn niet gewoon met pluimstrijkende woorden om te gaan, oordeelende zulks onbetamelijk voor dienstknechten Jesu Christi. Ook zou UEd. inborst geenszins gedogen, veel minder van ons verwachten, dat wij ons in een lofuiting van hun voorbeeldige nederigheid, bescheidenheid, zachte en aangename regering, welmenendheid, voor ons lieve vaderland in ’t algemeen, en zijne ingezetenen in ’t bijzonder, zouden begeven.
Wij verzoeken dan ootmoedig, dat dit ons werkje, hoe klein en gering het ook mag zijn, met die genegenheid, waarmede wij het eerbiedig in Uw schoot neerleggen, van UEd. mag ontvangen worden.
Wij kunnen betuigen dat de innige liefde voor onze gemeente ons voornamelijk heeft bewogen om deze onze letteren aan ’t licht te brengen, als ook de algemene opbouwing van Gods kerk; indien wij hiervan enige vrucht mochten zien, ’t zou ons in de Heere verblijden.
Voorts bidden wij dat de algenoegzame God, Zijn rijke en milde zegen gelieve uit te storten over UEd. dierbaar persoon en aanzienlijke familie; Hij beware die in langdurige gezondheid tot dienst en voordeel van land en kerk, en eindelijk verzadigd van dagen zijnde, neme Hij die over in Zijn eeuwig Koninkrijk, om daar het eeuwig leven te genieten, in de gemeenschap van een algenoegzame God, voor eeuwig en altoos.
Dit is de innerlijke zucht en zielenwens,
Weledele, hooggeborene
en gestrenge heer,
Van UEd. verplichte en gehoorzame dienaars in Christus,
Martinus Duirsma,
Bedienaar des Evangelies in de Drachten.
Augustinus Geukema,
Dienaar Jesu Christi te Bommel.
Duirardus Duirsma,
Bedienaar des Goddelijken Woords te Suawoude en Tietjerk.
Hillebrandus Mente,
Bedienaar des Evangelies te Bergum.
Aan de waarheidlievende lezer
Buiten twijfel zullen velen verwonderd staan, dat wij in deze geleerde eeuw tevoorschijn komen met een boekje, waarin wij laag kruipen, temeer dewijl de kerk van allerlei slag van vraagboekjes als overladen is.
Maar deze verwondering zal ophouden, als de lezer met opmerking (zonder vooroordeel) de tegenwoordige gestalte van onze kerk, en ons voornemen in dezen recht, zal overwogen hebben.
Wat het eerste betreft: wij willen niet betwisten, maar met dankzegging erkennen, het groot geluk, dat de Heere ons uit de duisternis van het afgodisch pausdom heeft uitgeleid, en dat in onze kerk de ware Godgeleerdheid ongeschonden is bewaard geworden. Ook zijn er nog die te Jeruzalem ten leven zijn aangeschreven, en lust hebben te wandelen in de wegen des Heeren. Maar echter moet men in het algemeen zeggen, dat wij meer gelijkvormigheid hebben met de kerk van Laodicéa, dan met die van Filadélfia, en de redenen schijnen naar ons oordeel deze te zijn.
De eerste kerkhervormers zijn wel gedrongen geweest naar vereis van die tijden, de dwalingen, zo van de roomse kerk, als van andere gezindheden, tegen te gaan. Maar mettertijd behoorde men meer toegelegd te hebben, om de toehoorders hun eigen valse gronden te ontdekken, en Christus in het hart een gestalte te doen hebben; daar men nu integendeel mettertijd de Godgeleerdheid heeft beginnen te schoeien naar een schoolgeleerde trant, en niet altijd zulke wapenen heeft gebruikt, welke ons God Zelf door rede en openbaring in handen geeft; maar die men van elders uit menselijke schriften halen moest. Zo kan men lichtelijk denken dat de staat van zulke gemeenten doorgaans zeer mager en levenloos moet geweest zijn; want daardoor werden de mensen, of opgeblazen in het verstand van hun vlees, vervult met strijd en twist tegen de partijen, of die zich daarmede niet bemoeien, konden of wilden, bleven in een diepe onwetendheid, of geestelijke zorgeloosheid.
Een tweede reden van het verval in het christendom ingeslopen, zou men kunnen afhalen van de al te gemakkelijke toegang, die elk vergunt wordt tot de heilige Bond-zegelen, van Doop en Avondmaal, om mogelijk op zulken wijze de mensen uit te lokken tot de schoot van onze kerk, min of meer, of dan hun staat reeds veilig en heilig was, zonder nauwkeurige kennis te nemen, of ze enig begrip hadden van de Heilige Doop en des Heeren Avondmaal, voor wie dezelve waren ingesteld, en wat er al in bondelingen des Nieuwen Testaments meer vereist wordt. En of al de leraren op de preekstoelen klaagden over onwetendheid, en aandrongen op de oefening van ware Godzaligheid, wat voordeel konden die arme onwetende mensen daarvan trekken, zonder voorgaand onderwijs in de gronden van het christendom? Immers worden in alle kunsten zekere eerste grondbeginselen voorondersteld, die eerst recht moeten verstaan worden, zal men verder gelukkiglijk voortgaan. Of een meester tot een ongeleerde knecht bijvoorbeeld al zegt, dat hij werken moet, hij zal echter zonder voorgaand onderwijs verlegen staan, en geen goed werk maken.
Men kan hier nog bijdoen, dat in huisbezoeken niet, of weinig is aangedrongen op de plichten van een waar christen, als de reeds aangenomen lidmaten maar niet slechts ingewikkeld waren in burgerlijke geschillen of openbare ergerlijke zonden, heeft men ze als broeders en zusters in de Heere genodigd tot het Heilig Avondmaal, en de troostbeloften des Evangelies toegezegd.
Ten vierde, de sleutelen zelfs van het Koninkrijke der hemelen, zijn veeltijds verwaarloost, men blijft af van des Heeren Tafel, men gaat eraan naar zijn welgevallen, men verloopt zich in allerlei zonden, en dit gaat veeltijds ongestraft heen. Zou nu zulk een kerk wel een besloten hof, en een verzegelde fontein kunnen genoemd worden? Hooglied 4:12. Lijkt ze wel op de bruid van Christus, en op de koningin die aan Zijn rechterhand staat in het fijne goud van Ofir, en in gestikte klederen tot de Koning behoorde geleid te worden, Psalm 45:10, 14, 15. Is ze wel geheel verheerlijkt inwendig? Kan men wel zeggen, dat ze schoon is als de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren? Hooglied 6:10. Worden hier de poorten geopend, dat het rechtvaardige volk inga, hetwelk de getrouwigheden bewaart, Jesaja 26:2. Waarlijk de kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben! Klaagliederen 5:16.Elk ware liefhebber Sions zou met Jeremia wensen: och, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een springader van tranen! Zo zou ik dag en nacht bewenen de breuk der dochter Sions, Jeremia 9:1. Want de wereld is in de kerk doorgebroken, en heeft die vervult met onwetende, aardgezinde, vleselijke en onwedergeborene, ja zelfs met vele ergerlijke en boze mensen.
Hier is het dan ook vandaan gekomen, dat God Zijn zegen en genade ingetrokken, en een geest des diepen slaaps over onze kerk heeft uitgegoten, en wie weet hoe lange! Het is waar, de oorsprongen van dit bederf der kerk zijn al sinds lange tijd door vele geleerde en Godzalige mannen gezien; en men heeft de Godgeleerdheid uit de redekunde, en Goddelijke openbaring, veel klaarder en Schriftmatiger voorgedragen. Ook is de kennis van oudheidkunde, en allerlei Oosterse talen, ten top geklommen, welke met matigheid gebruik, groot licht verschaft aan de uitlegging van Gods Woord; maar zeldzaam kan men wijs zijn tot matigheid. De geleerdheid heeft de ziel al te veel overmeesterd, waaruit dan ook is voortgevloeid, dat men zo in het prediken als schrijven meer op kennis, dan op de oefening van ware Godzaligheid heeft aangedrongen; even alsof die met dezelve altoos gepaard ging. Echter, de droeve ervaring leert ons maar al te zeer, dat velen in de uitwendige kennis wel zeer gevorderd, maar echter weinig ware en wezenlijke Godzaligheid in hun wandel naar buiten vertonen, of ten beste genomen een gedaante, zonder de kracht daarvan, 2 Timotheüs 3:5.
Hier komt nog bij, dat men veeltijds zonder geestelijke voorzichtigheid, zonder kentekenen van ware genade, de kerk des Nieuwen Testaments zeer heerlijk afschildert, de antichrist overal gezocht, en zichzelven zonder enige grond van waarheid gerechtvaardigd heeft. Wat kunnen de toehoorders hieruit anders denken, dan dat zij een vrijgemaakt, heilig en gelukkig volk waren. Maar wat is toch de kerk des Nieuwen Testaments, indien zij Christus’ Geest niet heeft? Wat helpen namen, ijdele loftuitingen, zonder zaken?
Als tot verstandigen spreken wij, oordeelt gij dan, wat recht en billijk is. Zou het geen kerk-roverij, en schending van het heilige zijn, de heerlijkheden des Evangelies, en de voortreffelijke goederen des Nieuwen Testaments, te huis te brengen op een onwetend, en in de grond onbekeerd, of zeer dood en geesteloos volk? Is dit niet de paarlen voor de zwijnen te werpen? Moest men zijn toehoorders eerst niet levendig ontdekken, dat we overeenkomst behoren te hebben met de rechte gestalte en geestelijke hoedanigheden van Christus’ kerk, zouden wij ons deszelfs heerlijke beloften eigen maken? Immers vooronderstellen de beloften zekere voorwaarden, en een heerlijk genadewerk van Christus’ Geest in het hart Zijner kinderen gewrocht, eer men de toepassing derzelver op het hart der toehoorders kan verzegelen. Immers, de apostelen hebben hun brieven geschreven alleen aan de gelovige en geroepen. Derhalve is het een grote misgreep die heerlijke beloften zonder onderscheid aan allen toe te wijzen, en zo in het algemeen te grabbel te werpen.
Dewijl wij nu deze droevige gestalte van de kerk door Gods genade zagen en ons de Heere door Zijn voorzienigheid nabij elkaar geplaatst had, zijn wij in onze christelijke bijeenkomsten, tot onderlinge opwekkingen aangelegd, te rade geworden ons zelf te verloochenen, van eigen vernuft af te staan en ons talent op woeker te leggen, om het verval der kerk te helpen herstellen, Sions vervallen muren benevens andere, onder de verwachting van des Heeren hulp weer op te bouwen, en aan ons licht getrouw te zijn.
Maar wij hebben wel gewikt, dat dit de weg niet zou zijn, om eer, achting en aanzien bij mensen te behalen; hetgeen wij ook niet zoeken; maar alleen het belang en voordeel van Christus’ Koninkrijk.
Bijzonder is onze toeleg geweest, om dit Vragenboekje te gebruiken tot dienst van onze toebetrouwde gemeenten. Om daaruit de nieuwe aankomende lidmaten, ook de eerste beginnende jongelingen en kinderen te catechiseren. Ja zelfs de oude lidmaten in de huisbezoeken een ontwerp te geven, waarnaar zij zich des te beter schikken konden, en zo onze voorgestelde vragen des te gemakkelijker beantwoorden, en opdat zij zo allengskens mochten gewend worden, om onze openbare leerredenen met des te meer zielsvrucht aan te horen en elk naar zijn gestalte toe te passen.
Maar zal iemand zeggen, de kerk is reeds genoeg voorzien van zulke vragenboekjes, ja daar zijn er te veel op de baan, het geeft maar verwarring in de gemeenten. Wij willen niet loochenen de voorraad, welke onze kerk heeft van allerlei geleerde, en ook eenvoudige boekjes, waar de eerste beginselen worden ingescherpt. Maar in elk geval, die vrijheid, welke zich andere leraren hebben aangematigd, kan ons niet betwist worden, dewijl wij altoos binnen het bestek van de regelmaat des geloofs blijven.
En wat de andere boekjes aangaat, wij oordelen, dat sommige te hoog en te zwaar voor de eenvoudigen, en andere met nodige praktijk van Godzaligheid niet genoegzaam doorwrocht zijn, en meest alle vooronderstellen zij te veel in hun toehoorders. De grond- of worteloorzaak des bederfs is naar ons oordeel niet genoeg doorzien.
Men heeft de mensen als reeds bekeerd of van der jeugd geheiligd aangemerkt, omdat zij in Christus’ kerk, van christelijke ouders geboren, gedoopt, en in de kerk aangekweekt, of volwassen zijnde in de gemeenschap der kerk zeer gemakkelijk geraakt waren. En dus zichzelven veeltijds op valse gronden hadden gebouwd, daar zij in de grond nooit hun verloren staat buiten Christus hebben gevoeld, niet inwendig geheiligd, noch veranderd zijn, om uit de vereniging met Christus een heilig leven te leiden, met verloochening van zichzelven, en de begeerlijkheden der wereld. Hierom is het dat wij nu zovele valse gronden ontdekken moeten, opdat niemand schipbreuk lijde aan zijn geloof, met een ingebeelde hemel naar de hel ga. Dienvolgens is het zeer nodig op de grond van het hart te tasten, en alle valse sterkten de bodem in te slaan, volgende in dezen het spoor van zo vele brave en wakkere mannen, die in geleerdheid en Godzaligheid als sterren aan het firmament van Christus’ kerk hebben uitgeblonken, en nog blinken in hun schriften, hoedanigen zijn de eerwaarde heren Teelinck, Saldenus, Lodenstein, Witsius, de beide Brakels, Koelman, à Marck, Vitringa, onze hooggeachte en beroemde meester d’ Outrein, Hellenbroek, Evertsdijk, en meer anderen.
Of wij nu in dezen ons voorgenomen bestek voldoen, laten wij over aan het oordeel van den onpartijdige en waarheidlievende lezer.
Wensende voorts, dat dit ons boekje met zulk een toegenegenheid mag aangenomen en gelezen worden, als het van deszelfs makers tot ere Gods, en voordeel van Christus’ Koninkrijk is opgesteld. En dewijl nog hij die plant, nog hij die nat maakt, iets is, maar God alleen de wasdom geeft, zo bidden wij de Algenoegzame, dat Hij het werk onzer handen wil bevestigen, en daarover licht en schijnsel geven.
O Heere! Bouw eens de muren van Jeruzalem op; doe wel bij Sion naar Uw welbehagen!
1. Van de natuurlijke Godskennis
- Welke is de eerste waarheid?
Dat God is, Hebreeën 11:6. - Waaruit wordt God gekend?
Door het licht der natuur en nog klaarder door de Schriftuur - Hoe wordt God gekend door het licht der natuur?
- Uit de aandachtige beschouwing van mezelf.
- Van de schepselen buiten mij.
- Is er iets kennelijks in u van God?
Dit leert Paulus in Romeinen 1:19 - Blijkt zulks ook uit de wil?
Ja, omdat zij zich uitstrekt tot een eeuwig goed. - Is er meer bewijs?
De consciëntie leert zulks ook zeer krachtig - Wat verstaat gij door de consciëntie?
Een medebewustheid van al onze daden met God, die daarom een lamp des Heeren genoemd wordt, Spreuken 20:27. - Hoe volgt daaruit dat er een God is?
Omdat zij de mens vrij spreekt als hij wel doet en Gods wraak dreigt als hij kwaad doet, Romeinen 2:14-15. - Leert gij dit ook niet uit de beschouwing van uw lichaam?
Ja, dewijl hetzelve zo kunstig is toebereid dat het mij tot een wijs en almachtig Werkmeester opleidt, Psalm 139:14-15. - Wat is er buiten u, waaruit God gekend wordt?
De hemelen zeer kunstig uitgebreid, de zon, maan en sterren roepen als met luide stem: Daar is een God, Psalm 19:2-4. - Is er meer bewijs?
De beschouwing der ganse aarde en zee met haar volheid overtuigt mij van een Godheid. - Op wat wijze?
De verscheidenheid der schepselen hun bewegingen, nette orde, sieraad en gebruik geven dat klaar te kennen, Job 12:7. - Verklaar dit eens door gelijkenissen.
Neem eens, gelijk de welgepaste delen van een huis, de raderen van een uurwerk, en de trekken van een kunstig schilderij een wijs werkmeester vereisen, dus leiden ons de schepselen van het heelal tot een wijs Maker, Psalm 104:24. - Is nu deze kennis Gods genoegzaam tot zaligheid?
Geenszins, want de rede is verduisterd en openbaart ons niet de weg der zaligheid welke alleen Jezus Christus is, Johannes 14:6.
Gebruik - Heeft zij echter niet enige nuttigheid?
Gewis, want God heeft de mens niet te vergeefs met een redelijk verstand begaafd, Psalm 32:9. - Waartoe dient zij dan?
Om in alle schepselen de Schepper te zien, te horen en te vinden, Handelingen 17:27. - Waartoe strekt zij verder?
Zij dient ook tot een geschikte onderhouding van de samenleving der mensen, dewijl alles anders tot een grote wanorde zou vervallen. - Stelt zij ook niet de mens onverantwoordelijk voor God?
Ja toch, Romeinen 1:20. - Wie zijn hier dan te beschuldigen?
Zulke dwazen die zeggen, daar is geen God, Psalm 14:1. - Wie meer?
Alle onwetende naamchristenen, die boven het licht der natuur ook nog Gods Woord hebben, echter God niet kennen, 1 Korinthe 15:34. - Welke nog?
Die voorgeven God te kennen, maar Hem niet verheerlijken, Romeinen 1:21. - Wat staat zulken te vrezen?
Dat zelfs de heidenen in het laatste oordeel tegen hen zullen opstaan, opdat vele derzelver in de kennis Gods en uitwendige deugdzaamheid verder gekomen zijn.
2. Van de Heilige Schriftuur
- Aangezien de natuurlijke kennis Gods niet genoeg is ter zaligheid, waarom moet de zondaar het middel ter verzoening met God dan zoeken?
In de Heilige Schriftuur, waarin God de weg des levens heeft geopenbaard. - Welke houdt Gij daarvoor?
De boeken des Ouden en Nieuwen Testaments, die door Gods Geest ingegeven en van de heilige mensen beschreven zijn. - Welke zijn de boeken des Oude Testaments?
Die voor Christus geboorte geschreven zijn van Mozes en de profeten. - Hoeveel zijn ze in getal en hoe volgen zij in orde?
Ze zijn 39 in getal en volgen aldus met hun namen: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium, Jozua, Richteren, Ruth, twee boeken van Samuël, twee boeken van de Koningen, twee van de Kronieken, Ezra, Nehemia, Esther, Job, Psalmen, Spreuken van Salomo, Prediker, het Hooglied van Salomo, de vier grote profeten, zoals Jesaja, Jeremía met de Klaagliederen, Ezechiël, Daniël, en de twaalf kleine, namelijk Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Zefanja, Haggaï, Zacharia, Maleachi. - Welke zijn de boeken des Nieuwe Testaments?
Die na Christus geboorte beschreven zijn door de heilige evangelisten en apostelen. - Noemt ze eens in haar getal en orde?
Zij zijn 27 in getal, te weten: de vier Evangelisten, zoals Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes, de Handelingen der apostelen, de veertien brieven van Paulus, geschreven aan de Romeinen, twee aan de Korinthiërs, aan de Galaten, Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen, twee aan de Thessalonicenzen, twee aan Timotheüs, aan Titus, Filemon en de Hebreeën, en zeven algemene zendbrieven, één van Jacobus, twee van Petrus, drie van Johannes, de zendbrief van Judas en de Openbaring van Johannes. - Zijn er nog andere Goddelijke boeken?
Nee. - Wat oordeelt gij dan van de apocriefe boeken?
Dat zijn menselijke schriften, waarin vele tegenstrijdigheden, maar ook nuttige leringen in voorkomen. - Maar waaruit weet gij dat de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments Goddelijk zijn?
De zaken in dezelfde begrepen zijn heilig en hemels en kunnen daarom van niemand als van God zelf zijn voortgekomen. - Waartoe zoudt gij die bepalen?
Men kan ze brengen tot de geschiedenissen, voorzeggingen met haar vervullingen, leerstukken en geboden. - Waarmede zijn nu deze zaken bevestigd?
Met Goddelijke wonderwerken, Hebreeën 2:4. - Zijn ze ook niet van een krachtige uitwerking op het gemoed van de mensen?
Gewis, zij zijn krachtig tot ontdekking en bekering van de zondaar, Jeremia 23:29. - Hebben ze die uitwerking omtrent alle mensen hoofd voor hoofd?
Nee, want daar zijn er op welkers hart een deksel ligt, 2 Korinthe 3:15. 1 Petrus 2:8. - Wat wordt er dan bovendien nog vereist?
Het getuigenis van de Heilige Geest, Die het verstand moet verlichten, het hart openen en de zondaar in alle waarheid leiden, Efeze 1:17-18. Handelingen 16:14. Johannes 16:13. - Staan alle dingen ter zaligheid nodig in dit Woord der waarheid?
Ja, want de wet des Heeren is volmaakt, bekerende de ziel. Psalm 19:8. 2 Timotheüs 3:15. - Is de Schriftuur ook klaar om te verstaan?
Daarin zijn wel veel zware verborgenheden, maar echter de leer der zaligheid is daarin klaar geopenbaard. Psalm 119:105. - Kan deze klaarheid van een natuurlijk mens wel gekend worden ter zaligheid?
Wel naar de uiterlijke letter, maar niet in haar zielsveranderende kracht, nuttigheid en gebruik. 1 Korinthe 2:14. - Waarom wordt zij dan een licht en lamp genoemd?
Zodanig is die in zichzelf en voor die, die licht zijn in de Heere. - Toont dit door een gelijkenis.
De zon en hoe klaar en helder zij ook schijnt kan echter van een blinde niet gezien worden. - Moet elk mens deze heilige Schrift ook lezen?
Christus gebiedt dit uitdrukkelijk. Johannes 5:39.
Gebruik - Zijn we Gode voor Zijn Woord geen dankbaarheid schuldig?
Ten hoogste, want daarin alleen heeft de Heere geopenbaard hoe Hij de God en het hoogste Goed van de zondaar kan en wil worden. - Waarin bestaat deze dankbaarheid?
Dat we dit Woord met hoogachting veel lezen en daaruit met nederigheid de weg der zaligheid leren kennen om God aldus te mogen verheerlijken. - Doen dit de mensen in het algemeen wel?
Dat scheelt veel, want de meesten zijn in deze traag en gans lusteloos. Job 21:14. - Maar velen zeggen: we kunnen niet lezen.
Ook hebben ze geen gezette genegenheid om te willen leren het welk echter zeer nodig is. Handelingen 17:11. - Andere wenden voor: wij hebben daartoe geen tijd vanwege onze kostwinning en zwaar huisgezin.
Desniettegenstaande zijn ze evenwel verplicht de uren en ogenblikken daartoe uit te kopen, Efeze 5:15-16. Mattheüs 6:33. - Doen de meesten dit wel?
Nee, want de tijd wordt veel tijds onnut doorgebracht met aardse samensprekingen en allerlei zondige gezelschappen en wel meest op de dag des Heeren. - Sommigen brengen in: ik ben eenvoudig en daarom onbekwaam om te leren.
Zulken hebben te weten dat de wet des Heeren de slechten wijsheid geeft, Psalm 19:8. - Velen geven voor: ik heb een kort geheugen en daarom kan ik niet onthouden.
Daar scheelt het altoos niet aan, want haar hart en mond is vol van de wereld, 1 Johannes 4:5; Hebreeën 2:1. - Wat hebben zulken nodig?
Ze moeten, zoveel mogelijk is, zich van aardse dingen ontlasten en integendeel zich veel aan de Heere en Zijn Woord gewennen. Job 22:21-22. - Maar die niet veel weet, zal ook weinig hebben te verantwoorden.
Onder deze dekmantel verbergen zich vele tragen, doch zij mogen wel staat maken dat de onwetendheid nu onder zulk een klaar licht des Evangelies ten enenmale onverschoonlijk is. 2 Thessalonicenzen 1:8-9. - Hoe zoudt gij dit nader ophelderen?
Indien een koning zijn wetten laat gemeen maken en de onderdanen dezelve wetens en willens verwaarlozen, zouden dan zulken onverschoonlijk zijn? - Is dit ook zo gelegen met onwetenden bij God?
Ja, de wet zegt: En indien een mens zal gezondigd hebben en gedaan tegen een van alle geboden des HEEREN, hetwelk niet zou gedaan worden, al is het dat hij het niet geweten heeft, nochtans is hij schuldig en zal zijn ongerechtigheid dragen, Leviticus 5:17. - Doch de Heere heeft niet allen evenveel gegeven.
Het is waar, nochtans eist de Heere zoveel als elk ter zaligheid nodig is, ook heeft men wel toe te zien dat men de schuld op de Heere niet legge. - Maar wij kunnen allen geen leraars noch catechisanten zijn.
Een iegelijk is nochtans verplicht om belijdenis te doen van zijn geloof, 1 Petrus 3:15. En Mozes wens was: Och, of al het volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave, Numeri 11:29. - Is het dan genoeg als men veel van Gods Woord weet te spreken?
Geenzins, want de kennis der waarheid moet met de godzaligheid gepaard gaan. Titus 1:1. Mattheüs 7:21. - Wat onderscheidt is er dan tussen letterkundigen en die van de Heere geleerd zijn?
De eersten berusten in de uitwendige letter en worden naar de waarheid niet veranderd. De tweede dringen door tot de geestelijke zin der waarheid en kennis van zichzelf. En dus is het Woord voor hen een zaad der wedergeboorte en een dagelijks voedsel der ziel, 1 Petrus 2:2, gelijk ook een regel des levens, Galaten 6:16. - Is er meer onderscheid?
De eersten worden opgeblazen en zoeken eer en achting bij de mensen. De laatsten worden daardoor vernederd, geheiligd en veracht bij de wereld. Jeremia 20:8. 1 Korinthe 8:1. - Hebt gij nog meer?
De eersten vertragen en vallen af als zij hun oogmerk niet verkrijgen. De anderen daarentegen is en blijft Gods woord hun lust en vermaking, Psalm 119:92. - Hoedanig moet elkeen het Woord lezen en onderzoeken?
Niet terloops, maar met alle aandacht en opmerking. Hij moet het gelezene bij zichzelf overleggen en herkauwen, gelijk de reine dieren. Hij moet niet alleen een hoorder, maar ook een dader des Woords zijn. Jakobus 1:22-25. - Wat dient nog meer tot recht verstand der Heilige Schrift waargenomen te worden?
Men moet ook de spreekwijzen overdenken, de samenhang der woorden onderzoeken, op het oogmerk van de schrijver nauwkeurig acht geven en de ene plaats met de andere vergelijken. 1 Korinthe 2:13. - Maar indien er iets voorkomt dat men niet begrijpt, wat is dan nodig?
Dat men alle eigen wijsheid verzake, alle vooroordelen aflegge en Gods Woord met onderwerping gelove. 2 Korinthe 10:5. - Wat middelen zijn er nog meer aan te wenden?
De predicaties, catechisaties, bijzondere oefeningen en samensprekingen met godvruchtigen, Kolossenzen 3:16. - Wat staat de huisvaders en moeders te betrachten omtrent hun kinderen en huisgenoten?
Ze moeten hen in alle godzaligheid voorgaan met dezelve bijzondere huisoefening houden en die van jongs af aan naar de kerk en school zenden. Deuteronomium 6:6,7. 2 Timotheüs 3:16-17. - Worden deze dingen wel naarstig waargenomen?
O nee, vele ouders zijn zelf zeer onkundig en daarom ook liefdeloos omtrent hun kinderen en huisgenoten. - Welke zijn de allernodigste middelen?
De vreze des Heeren, Psalm 25:14; Jesaja 66:2. En het gebed voor, onder en na het betrachten van al die gemelde middelen, Jakobus 1:5. - Is het dan genoeg in die uiterlijke plichten te berusten?
Nee, maar het is des zondaars plicht daarin vlijtig aan te houden, of het de Heere mocht behagen zijn hart te raken, hem inwendig te veranderen en de bekering ten leven te schenken.
3. Van het wezen Gods en Zijn volmaaktheden
- Waar spreekt de Schrift het meest van?
Van God, zoals Hij van de zondaar gekend, bemind en gediend moet worden. - Wat is God?
Een Geest, Johannes 4:24. - Wat is een geest?
Een wezen, welkers aard bestaat in een gedurige werkzaamheid van verstand en wil. - Is God ook zulke een wezen?
Ja, Hij is het allervolmaakste Wezen. - Kan men dit allervolmaakste Wezen met ons eindig verstand wel begrijpen?
Geenzins, Job 11:7. - Hoe zal men dan tot kennis van Gods Wezen komen?
God heeft Zijn Wezen door verscheidene namen en volmaaktheden geopenbaard. - Spreek de heilige Schrift wel van Gods Namen?
Ja, zeer veel. Psalm 22:23. Johannes 17:6. - Wat wordt daardoor al verstaan?
Gods Wezen zelve, Zijn volmaaktheden, wegen en werken tot Zijn heerlijkheid in Christus Jezus geopenbaard. Exodus 23:21. - Maar zijn er niet enige bijzondere namen die God Zich toe-eigent in Zijn Woord?
Ja, verscheidene. Welkers getal en betekenis in de Korte Schets van de geleerde heer D' Outrein kan nagezien worden, pagina 79. - Maar waardoor maakt God Zijn Wezen meer aan ons bekend?
Door Zijn volmaaktheden. - In wat orde zoudt gij ze bevatten?
Ze behoren:
1. tot Gods wezen in het algemeen,
2. tot Zijn leven in het bijzonder. - Hoedanig is het Wezen Gods?
Enkel geestelijk, en derhalve kan Het niet aangeraakt, nog afgebeeld worden. 1 Timotheüs 1:17. Lukas 24:39. - Nochtans worden God ogen, oren, handen en voeten toegeschreven.
Dit geschiedt oneigenlijk: Zijn ogen en oren beduiden zijn alwetendheid, de handen Zijn almacht, de voeten Zijn alomtegenwoordigheid. - Is God ook onafhankelijk? Ja, Hij bestaat en werkt uit en van Zichzelf en alles hangt van Zijn wil af. Johannes 5:26.
- Is God altijd geweest?
Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Psalm 90:2. - Kan God wel veranderd worden?
Hij is allervolmaakst en daarom de minste verandering noch in Zijn wezen, noch in Zijn besluiten onderworpen. Maleachi 3:6. Jesaja 46:10. Jakobus 1:17. - Hoe wordt Hem dan berouw toegeschreven?
Oneigenlijk. Dit geeft in God geen verandering in Zijn voornemen, maar in Zijn werk te kennen. Numeri 23:19. - Maken al deze verscheidene volmaaktheden geen samenstelling van delen in God?
Nee, want Hij is eenvoudig, zodat al de volmaaktheden Gods, God Zelf zijn. Alleen zijn ze onderscheiden ten aanzien van onze bevatting. 1 Johannes 1:5. - Heeft God ook een volmaakt leven?
Ja, Handelingen 14:15. - Waarin bestaat Gods leven?
In de allervolmaakste werkzaamheid van Zijn verstand en wil. - Wordt God wel verstand toegeschreven?
Zeer klaar, Psalm 147:5. - Weet God alle dingen?
Hij weet alle verleden, tegenwoordige en nog toekomende dingen. Jesaja 41:22. En daar is niets verborgen voor God, Hebreeën 4:13. - Kent Hij ook onze gedachten wel?
Zekerlijk, Psalm 139:2. - Is God ook wijs?
Ja, en daardoor weet Hij alle dingen in haar nette orde en samenhang. Romeinen 11:33. - Wordt God ook een wil toegeëigend?
Wel duidelijk, Efeze 1:9. - Kan God alles doen wat Hij wil?
Ja, Hij is almachtig. Psalm 115:3. - Is Hij niet door Zijn wil omtrent alle dingen werkzaam?
Gewis, en dus is Hij overal tegenwoordig. Jeremia 23:24. - Kan God wel iets doen dat strijdt met Zijn volmaaktheid?
Geenzins, want Hij is een heilig God. Jesaja 6:3. - Betaamt God ook de zonde ongestraft te laten?
Nee, Hij haat, verbiedt en straft het kwade. Psalm 5:5-7. - Bemint Hij ook het goede?
Hij bemint Zijn beeld en alles wat met Zijn wet overeenkomt en zal een Beloner zijn van degenen die Hem zoeken. Hebreeën 11:6. - Hoe noemt Gij deze volmaaktheid Gods?
Zijn rechtvaardigheid. Psalm 11:7. - Wat volmaaktheden zijn er meer in Gods wil?
Hij is langmoedig, goed, genadig en barmhartig. Exodus 34:6. - Hoe oefent Hij deze volmaaktheden?
Hij is langmoedig en goed omtrent allen, maar genadig, barmhartig omtrent de ellendigen, doch uitverkoren en boetvaardige zondaar. - Wat vloeit uit deze volmaaktheden?
Dat God heerlijk en gelukzalig is, 1 Timotheüs 6:15.
Gebruik - Is er wel enige nuttigheid te halen uit de verhandeling van Gods volmaaktheden?
Zeer veel, want hierin ligt de grondslag van de ganse praktijk der godzaligheid. - Hoe zo?
Omdat de zondaar geen gemeenschap met God kan hebben of hij moet op zijn wijze Gods volmaaktheden trachten gelijkvormig te worden, Mattheüs 5:48. 2 Petrus 1:4. - Wat leert u dat God een Geest is?
Dat al mijn denken, bidden en dienen van God geestelijk moet zijn. Johannes 4:24. - Is dan een uitwendige gedaante der godzaligheid wel genoeg?
Nee, de Heere vertoornt Zich zeer over allen die maar slechts met de mond en lippen tot Hem naderen. Jesaja 29:13-14. - Wat leert u de oneindige volmaaktheid van Gods wezen?
Men moet zich daarover verwonderen en tot nederigheid ons eindig verstand erkennen. Psalm 145:3. - Wie zijn hier dan te beschuldigen?
Dezulken die wijs willen zijn boven hetgeen zij behoren wijs te zijn en niet willen aannemen dan hetgeen zij met hun eindig verstand begrijpen kunnen. - Is dat wel mogelijk?
Alzo weinig een klein vat de grote zee in zich bevatten kan, nog minder kan het eindige het oneindige begrijpen. - Wat leert u dan het leven Gods?
Dat ik al mijn leven uit Hem als uit de Fontein des levens halen moet. Psalm 36:10. - Kan ons dan de wereld het leven niet geven?
Die zich derwaarts begeven, keren zich tot gebroken vaten. Jeremia 2:13. - Waartoe moet u Gods alwetendheid en alomtegenwoordigheid bewerken?
Om al onze gedachten, woorden en werken te doen als voor het alziend oog van God. Spreuken 5:12. - Waarom moet dit geschieden?
Omdat de mens eens van dit alles rekenschap zal moeten geven. Prediker 12:14. - Wie bezondigen zich hiertegen?
Alle openbare goddelozen. Job 22:13. En die in het verborgen zondigen, over welk een wee wordt uitgesproken. Jesaja 29:15. - Is hier ook geen troost voor de ware gelovigen?
Wel terdege. Zij kunnen zich hiermee troosten tegen de verdrukkingen en wederwaardigheden dezes levens. 2 Kronieken 16:9. Psalm 1:6. Job 31:4,6. - Wat leert u de wil Gods?
Ik moet met onderwerping die opvolgen met verloochening van mijn eigen zelf. Romeinen 12:2. Mattheüs 16:24. - Waartoe dient u Gods heiligheid?
Ik moet trachten die gelijkvormig te zijn. 1 Petrus 1:15-16. - Waartoe Gods rechtvaardigheid?
Ik moet die herkennen, daarvoor vrezen en mij voor zondigen wachten. 1 Petrus 1:17. - Waartoe behoorde u Gods genade en barmhartigheid te bewerken?
Om de zonden die ik zie en gevoel van God af te smeken. Hebreeën 4:16. - Maar wordt Gods genade van velen niet zeer misbruikt?
Ja, want velen beminnen de zonde en troosten zich echter met Gods genade. - Is dat niet gruwelijk?
Ten hoogste, want God is niet genadig noch barmhartig als in Christus Jezus voor boetvaardigen. Judas 1:21. - Nochtans is God langmoedig over hen?
Die verachtende en misbruikende, verzwaren ze hun oordeel. Romeinen 2:4. - Waartoe moet u Gods gelukzaligheid brengen?
Om alles wat buiten God is te verloochenen en God alleen te herkennen als mijn hoogste Goed. Psalm 73:25. - Waartoe dienen nog meer de volmaaktheden Gods?
Om ze gedurig te stellen tot een grondslag van ons gebed en dezelve naar vereis van zaken verstandiglijk te onderscheiden. - En waartoe zal dit eindelijk Gods kinderen bewerken?
Om God te verheerlijken en groot te maken. 1 Kronieken 29:11-13. Psalm 29:1-2.
4. Van de heilige Drie-eenheid
- Is deze leer van Gods wezen en volmaaktheden alleen genoegzaam ter zaligheid?
Neen, want Hij openbaart Zich in Zijn Woord als een Drie-enig God. - Wie is die God?
Vader, Zoon en Heilige Geest, Mattheüs 28:19. - Zijn dit geen drie Goden?
Neen, daar is maar een enig God, Deuteronomium 6:4. En ook kan er niet meer als één Allervolmaakste zijn. - Waarom noemt gij dan drie, Vader, Zoon en Heilige Geest?
Die zijn drie onderscheiden Personen, doch niet verscheiden van wezen, 1 Johannes 5:7. - Maar is één en drie niet strijdig?
Wel ten aanzien van het getal, want drie personen zijn geen één persoon, doch eenheid kan er zijn in een ander opzicht, met betrekking op de vereniging van deze drie Personen tot de eenheid van het Goddelijk Wezen, Die tezamen een allervolmaakste God uitmaken, en hoewel deze verborgenheid niet strijdig is met een rede, nochtans gaat dezelve verre boven het menselijk verstand, maar moet met nederigheid worden geloofd, dewijl God Zich als zodanig in Zijn Woord geopenbaard heeft. - Maar hoe zoudt gij nader bewijzen dat God Zich als zodanig heeft geopenbaard?
Uit de boeken des Ouden en Nieuwe Testaments. - Wat blijken vindt gij daarvan in het Oude Testament
Daar God in het veel-getal van Zichzelf spreekt, Genesis 1:26 en 11:7. - Wordt dit getal niet bepaald?
Wel duidelijk, want niet zonder nadruk wordt de Goddelijke zegenwens driemaal hervat, Numeri 6:24, en der serafijnen roem van Gods heiligheid, Jesaja 6:3, vergeleken met Johannes 12:41, en Handelingen 28:25. Daar zegt Paulus tot de Joden: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, den profeet, tot onze vaderen. - Is er nog klaarder bewijs?
Drie onderscheiden Personen worden in dezelfde rang van Goddelijke eer wel uitdrukkelijk genoemd, Jesaja 63:9-10. Genesis 48:15-16. Psalm 33:6. Jesaja 61:1. - Hebt gij nog daarvan niet duidelijk bescheid in het Nieuwe Testament?
Ja, nadien het Oude Testament door het Nieuwe Testament verklaard moet worden. - Wat plaatsen bevestigen deze waarheid?
Zeer vele, als Mattheüs 28:19, Johannes 14:16-17, Openbaring 1:4-6, 2 Korinthe 13:13 en meer andere. - Waarom noemt gij eerst de Vader?
Niet omdat Hij eerder in tijd is of waardiger dan de Zoon of Heilige Geest, maar omdat Hij als de eerste wordt aangemerkt in orde van bestaan en werking. - Waarom wordt dan de eerste Persoon Vader en de tweede Zoon genaamd?
Omdat gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelven, Johannes 5:26. - Waaruit wordt dit meer bevestigd?
Niet zonder reden wordt de eerste Persoon Vader en wel de eigen Vader van de Zoon, de tweede de Zoon, de eigene, eeuwige, enige, en eerstgeboren Zoon van de Vader genaamd, Romeinen 8:32, Spreuken 8:24, Johannes 1:14. - Waarom wordt de derde Persoon de Heilige Geest genaamd?
Omdat Hij van de Vader en de Zoon uitgaat, Johannes 14:26. - Is het niet aanmerkelijk dat de Geest de Adem des Almachtigen genaamd wordt?
Buiten twijfel, want gelijk onze adem uitgaat van ons lichaam, door haar warm geblaas levendig maakt en nochtans met ons lichaam gedurig verenigd blijft, zo gaat ook de Heilige Geest uit, Gode betamelijk, van Vader en Zoon, maakt levend en verwarmt het hart der uitverkorenen, en blijft nochtans met het Goddelijk Wezen verenigd. Job 33:4, Johannes 20:22. - Wat werk wordt elk Persoon naar buiten toegeschreven?
Doorgaans de Vader de schepping, de Zoon de verlossing, de Heilige Geest de heiligmaking. - Maar geschiet zulks met elkanders uitsluiting?
Geenzins, deze werken naar buiten zijn deze drie Peronen, omdat ze één van Wezen zijn, onderling gemeen. - Is de Zoon ook de ware en allerhoogste God met de Vader?
Ja zekerlijk, 1 Johannes 5:20. - Hoe zoudt gij met klemmende bewijzen deze waarheid kunnen sterk maken?
Omdat de Zoon, zowel als de Vader, Goddelijke namen, eigenschappen, werken en eer worden toegeschreven. - Wat kracht is in dit bewijs?
Omdat de ware God, van al dat geen God is, daardoor onderscheiden wordt, want Hij geeft Zijn eer aan geen ander. Jesaja 42:8. - Wat Goddelijke namen worden de Zoon gegeven?
a. De naam HEERE, Jeremia 23:6;
b. God, Johannes 1:1;
c. waarachtig God, 1 Johannes 5:20. - Wat eigenschappen?
a. De eeuwigheid, Spreuken 8:22;
b. de overaltegenwoordigheid, Mattheüs 18:20;
c. almachtigheid, Openbaring 1:8;
d. alwetendheid, Johannes 21:17. - Wat Goddelijke werken?
Der natuur, als
a. schepping, Johannes 1:3;
b. onderhouding, Hebreeën 1:3;
c. der genade, als
1. Verlossing;
2. rechtvaardigmaking
3. heiligmaking, 1 Korinthe 1:30;
d. de heerlijkmaking van de lichamen der gelovigen, Filippenzen 3:21. - Wat Goddelijke eer?
a. Dezelfde met de Vader, Johannes 5:23;
b. geloven in Hem, Johannes 14:1;
c. gehoorzaamheid aan Hem, Hebreeën 5:9;
d. het gebed tot Hem, Hebreeën 1:6;
e. de doop in Zijn Naam, Mattheüs 28:19. - Hoe bewijst gij dat de Heilige Geest een onderscheiden Goddelijk Persoon is?
Omdat Hem personele eigenschappen worden toegeschreven, verstand, oordeel en wil, gelijk Hij ook als Gever van Zijn gaven wordt onderscheiden en de kracht aan Hem wordt toegeëigend, Handelingen 1:8. 1 Korinthe 12:11. - Bewijs nader dat Hij de ware God is.
Omdat Hem ook Goddelijke namen, eigenschappen, werken en eer worden toegeëigend. - Wat namen?
HEERE, Jesaja 6:8, vergeleken met Handelingen 28:25. God, Handelingen 5:3-4. - Wat eigenschappen?
a. De eeuwigheid, Genesis 1:2;
b. overaltegenwoordigheid, Psalm 139:7-8;
c. alwetendheid, 1 Korinthe 2:10-11;
d. almachtigheid, 1 Korinthe 12:11. - Wat werken?
a. der natuur, als schepping, Psalm 33:6;
b. onderhouding, Psalm 104:30;
c. der genade, als wedergeboorte, Johannes 3:5;
d. geloof, 2 Korinthe 4:13;
e. heiligmaking, 1 Korinthe 6:11. - Wat eer?
a. de doop in Zijn Naam, Mattheüs 28:19;
b. gehoorzaamheid aan Hem, Efeze 4:30;
c. gebed tot Hem, 2 Korinthe 13:13. Gelijk ook daarom zo schrikkelijk is tegen Hem te zondigen, Mattheüs 12:31.
Gebruik - Is ook deze leer noodzakelijk tot Godzaligheid en zaligheid?
Ten hoogste, omdat de zondaar tot de Vader niet kan komen als door de Zoon en Heilige Geest, omdat hij schuldig en onheilig is. Johannes 17:3, Johannes 14:6, Hebreeën 12:14. - Is het dan niet genoeg te zeggen, ik geloof in God de Vader en vertrouw op onze lieve Heer’?
Nee, elk moet zich onderzoeken of hij wel zijn zonden en des Vaders onkreukbare rechtvaardigheid recht kent. - Tot wat einde?
Om als verloren in zichzelf de zaligheid te zoeken in de Zoon en door Zijn verdiensten met de Vader bevredigd te worden. Filippenzen 3:8-9, Romeinen 5:1. - Wat meer?
En ook door de Heilige Geest wedergeboren en geheiligd te worden om dus met de Vader en Zoon gemeenschap te hebben. 1 Johannes 1:3, Romeinen 8:9. - Wie liegen hier dan den Heere en bedriegen zichzelf?
Die God hun Vader noemen, zonder dat ze Hem in Christus Jezus door de Heilige Geest recht kennen en vrezen. Maleachi 1:6. - Wat betrachting is hierin voor de gelovigen?
Dat ieder in een heilig ontzag zich verwondere over deze aanbiddelijke verborgenheid. Jesaja 6:3. - Is er meer?
Hierin kan men ook zien Gods wegen in het heiligdom, dat de Drie-enige God met lof van Zijn Naam, dus betamelijk kan en worden wil, de God van de zondaar. - Toont dit onderscheidenlijk?
Dewijl de Vader door de Zoon voldaan en in Zijn recht geheiligd is, dus kan Hij van Rechter, de Vader der gelovigen worden. 1 Johannes 3:1. - Wel de Zoon?
Die, hebbende voldaan aan de eis des Vaders, wordt de Zaligmaker, Voorspraak en Broeder van Zijn verkregen volk. Hebreeën 7:25. - Wat doet de Heilige Geest?
Die is de Trooster en Heiligmaker van Gods kinderen en verzegelt ze van hun deelgenootschap aan de Vader en de Zoon. Efeze 4:30, Johannes 14:16. - En wat volgt hieruit?
Dat zij deze Drie-enige God danken, roemen en verheerlijken moeten.
5. Van Gods eeuwig raadsbesluit
- Is de Drie-enige God van alle eeuwigheid werkzaam geweest
Ja, Hij heeft alles besloten wat in de tijd geschieden zou. - Wat verstaat gij door Gods besluit?
Gods eeuwig, vrijwillig, alwijs, onafhankelijk en onveranderlijk voornemen over en van alles wat in de tijd gebeuren zou. - Is dit besluit eeuwig?
Ja, Handelingen 15:18. - Is het ook vrij en onafhankelijk?
Ja, Efeze 1 vers 11. - Heeft de Heere ook alles wijselijk besloten?
Zekerlijk, alles heeft een nette orde en samenschakeling en leidt ons op tot Gods eer en heerlijkheid. Romeinen 11 vers 33. - Verandert God zijn besluit wel?
Neen, Hij Zelf betuigt: ‘Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen’, Jesaja 46:10. - Gaat Gods besluit over alle dingen?
Ja, geen ding uitgezonderd, Efeze 1:11. - Gaat Gods besluit niet voornamelijk omtrent de mensenkinderen?
Ja, als over des mensen geboorte, woonplaats, ganse wandel, bedrijf en dood, Job 14:5, Handelingen 17:26. - Hoe wordt het genaamd met betrekking op het uiteinde van de mensenkinderen na dit leven?
Gods voorverordinering, Romeinen 8:29. - Hoeveel delen heeft dezelve?
Twee, namelijk de verkiezing en verwerping, Romeinen 9:13-23. - Wat verstaat gij door de verkiezing?
Gods eeuwige, vrije en onveranderlijke wil, waardoor Hij zekere mensen, als met name zonder enig voorgezien geloof, waardigheid of goede werken besloten heeft om tot de zaligheid in Christus over te brengen, tot prijs der heerlijkheid Zijner genade. - Is deze verkiezing van eeuwigheid geweest?
Ja, voor de grondlegging der wereld, Efeze 1:4, 2 Timotheüs 1:9. - Welke is de beweegreden geweest van de verkiezing?
Alleen Gods vrij welbehagen, Romeinen 9:18. - Heeft God de mens dan niet verkoren om zijn voorgezien geloof en goede werken?
Neen, deze zijn wel vruchten en gevolgen, maar geen bewegende oorzaken van de verkiezing, Handelingen 13:48, Efeze 1:4. - Is dit besluit der verkiezing ook onveranderlijk?
Ja, Romeinen 9:11-12. - Gaat de verkiezing ook omtrent zekere personen?
Ja, ‘de Heere kent degenen, die Zijne zijn’, 2 Timotheüs 2:19. - Tot wat einde heeft God sommigen uitverkoren tot zaligheid?
Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, Efeze 1:6. - Maar zijn alle mensen van God uitverkoren?
Nee, de uitverkorenen zijn verre de weinigsten, Mattheüs 20:16. De meesten bewandelen de brede weg, Mattheüs 7:13, en zijn van God verworpen. - Hoe noemt gij deze wil Gods?
Het besluit der verwerping. - Wat verstaat gij daardoor?
Gods eeuwige, vrije en onveranderlijke wil, waardoor Hij zekere mensen, (als met name) onder de zonde besloten heeft, om te straffen tot betoning van Zijn macht en rechtvaardigheid. - Is dit besluit ook eeuwig?
Ja, Romeinen 9:11-12. - Gaat het ook over zekere personen?
Zulks blijkt uit Romeinen 9:22; Openbaring 17:8. - Wat heeft God hierin beoogd?
De openbaring en betoning van Zijn macht, toorn en rechtvaardigheid, Romeinen 9:22
Gebruik - Wat nuttigheid merkt gij aan in deze leer?
Zeer veel. - Waartoe moet zij u dan bewerken?
Om altijd stil te wezen en in Gods besluit te berusten, dewijl alles daarvan afhangt. Psalm 62:6. - Waartoe nog meer?
Zij leidt ons op tot roem van Gods vrije genade, Efeze 1:6. - Op wat wijze?
Dewijl dus de zaligheid alleen aan Gods besluit moet toegeschreven worden. - Dient dit niet tot vernedering van de mensen?
Ten hoogste, 1 Korinthe 4:7. - Maar zet deze leer de mens ook niet aan tot oefening van godzaligheid?
Zekerlijk, aangezien niemand tot de zaligheid zal komen, of hij moet de middelen ook daartoe aanwenden. - Doch dit schijnt niet nodig te wezen, dewijl God toch besloten heeft wat er van de mens wezen zal?
Het besluit Gods is voor de mens verborgen en geen regel van zijn bedrijf en doen, maar Gods geopenbaarde wil, die hij verplicht is te gehoorzamen. - Maar alles kon wel tevergeefs zijn?
De mens heeft het echter eens te onderzoeken en is gehouden de aangeboden genade te omhelzen, daar de Heer Jezus roept: Jesaja 45:22. - Doch hoe kan de mens anders als Gods besloten heeft?
Het is wel waar dat hij niet anders kan, maar hij wil ook niet anders. Romeinen 8:7. - Is God dan geen aannemer van personen, dat Hij sommigen alleen tot de zaligheid heeft uitverkoren?
Dat zij verre, want dat sommigen zalig worden, geschiedt niet vanwege de waardigheid van hun persoon of verdiensten, boven anderen, maar zulks is alleen Gods vrije genade. Efeze 2:8-9. - Doch dus schijnt God onrechtvaardig te handelen, dat Hij de ene meer geeft als de andere?
Dit volgt geenszins, dewijl niemand verloren gaat als door tussenkomen van de zonde, opdat Gods oordeel rechtvaardig en naar waarheid zij. - Maar is dit niet bezwaarlijk te begrijpen?
Wij moeten het echter met onderwerping geloven, al begrijpen wij dit alles niet, dewijl het onbetamelijk is voor het schepsel tegen de Schepper te twisten. Romeinen 9:20. - Helder deze zaak eens op door gelijkenis?
Gelijk een vrij heer zijn goederen mag geven aan wie hij wil, zo is de Heere ook de vrije Uitdeler van Zijn genadegaven. Mattheüs 11:26 en Mattheüs 20:15. - Wat is hier dan de plicht van een iegelijk mens?
Niet gerust te wezen, voor en al eer hij verzekerd is, dat hij van God uitverkoren is. - Kan iemand daarvan verzekerd zijn?
Ofschoon een waar gelovige niet altijd verzekerd is, echter is het zijn plicht daarnaar te staan. 2 Petrus 1:10. - Op wat wijze geschiedt zulks, immers heeft niemand Gods verborgen raadsbesluit ingezien?
Als iemand zich onderzoekt, of hij de gevolgen en vruchten van de verzoening al in zich bevindt. - Welke zijn die?
De krachtdadige roeping door Gods Woord en Geest. Romeinen 8:30. - Wat nog meer?
Het geloof in Christus. Handelingen 13:48. - Noem nog iets?
De heiligmaking. Efeze 1:4. - Behaagt het de Heere niet wel Zijn kinderen somtijds op een zonderlinge wijze te verzekeren?
Ja, hij leidt hen weleens in de binnenkameren van Zijn heiligdom en kust ze daar met de kussens Zijns monds en maakt ze dronken in de liefde Zijner wellusten, zodat ze roemen, Hooglied 1:4. - Spreekt Gods Woord daar wel van?
Ja, Paulus spreekt van het inwendige getuigenis des Geestes. Romeinen 8:16. Efeze 1:13-14. - Als iemand dit nu niet bevindt, wat staat hem dan te betrachten?
Niet zorgeloos noch wanhopig te wezen, maar met ernst te trachten naar bekering en geloof. Jeremia 31:18. - Maar wat heeft zulk een te betrachten die het gezegde in zich bevindt?
Hij heeft stof van verblijd te zijn. Lukas 10:20. - Moet hij de Heere daarvoor niet danken?
O ja, Kolossenzen 1:12-13. - Wat staat hem verder te doen?
Hij moet trachten naar grotere mate van heiligmaking. 2 Petrus 1:5-7. - Is hierin ook niet veel troost voor de uitverkorenen opgesloten?
Zekerlijk, want zij worden versterkt tegen hun dagelijkse struikelingen en gebreken, en voorts tegen allerlei kruis en wederwaardigheden die hen in dit tranendal van de satan, wereld of hun eigen vlees zouden mogen aangedaan worden. Romeinen 8:28. - Kan er wel groter geluk als dit bedacht worden?
O neen! Want: ‘Welgelukzalig is het volk welks God de HEERE is; het volk dat Hij Zich ten erve verkoren heeft’, Psalm 33:12. 1 Johannes 3:1.
6. Van de schepping
- Welke is het eerste werk Gods naar buiten geweest, tot uitvoering van Zijn besluit?
De schepping van hemel en aarde. - Wat is schepping?
Te roepen de dingen die niet zijn, alsof zij waren. Romeinen 4:17. Of door een almachtige wil iets voort te brengen uit niet. Openbaring 4:11. Hebreeën 11:3. - Is er dan niets voor de schepping der wereld geweest?
Niets dan God alleen; want alle schepselen zijn onvolmaakt, en vereisen derhalve een eerste begin. Genesis 1:1. - Wat leert ons Mozes van de schepping?
Dat God in den beginne hemel en aarde heeft geschapen, en in de tijd van zes dagen volmaakt. - Welke zijn de voortreffelijkste schepselen Gods?
Engelen en mensen. - Wat zijn engelen?
Enkel geesten, niet verenigd met lichamen, welke zich werkzaam door verstand en wil vertonen. - Wanneer zijn zij van God geschapen?
Waarschijnlijk op de eersten dag; zo lezen we Job 38:7. Dat de God de aarde fundeerde, de morgensterren en de kinderen Gods (dat zijn de engelen) Hem vrolijk zongen en juichten. - Hoe heeft God ze geschapen?
Allen goed en recht. Genesis 1:31. - Heeft God ze alle in die staat van rechtheid bevestigd?
Neen, de uitkomst heeft geleerd, dat velen van dezelve hun eerste beginsel verlaten hebben, en in de waarheid niet zijn staande gebleven. Judas 1: 6. 2 Petrus 2:4. - Zijn ze niet werkzaam naar buiten omtrent de mensen?
Ja, zij woeden tegen de gelovigen, en werken in de kinderen der ongehoorzaamheid. Openbaring 12:7,9,17. Efeze 2:2. - Wat is het werk van de goede engelen naar buiten?
Zij vertroosten, verzekeren en bewaren de gelovigen. Hebreeën 1:14. Psalm 91:11. - Wat zegt gij in dit alles?
Dat God in den beginne al bezig is geweest om de weg te banen tot uitvoering van het besluit der verkiezing en verwerping. - Op wat dag heeft God de mens geschapen?
Op de zesde dag, opdat de mens de aarde als een opgesierd huis vol van alle voorraad zou bewonen. Jesaja 45:18. - Wat is de mens?
Een schepsel bestaande uit ziel en lichaam, welke beide zeer nauw verenigd zijn, tot een onderlinge werking. - Wat is de ziel?
Een denkend wezen, begaafd met verstand om de voorkomende zaken te begrijpen. Met oordeel, om ze te onderscheiden. En met wil, om het goede te begeren en het kwade te verwerpen. - Wat is het lichaam?
Een uitgebreide zichtbare en tastbare stof, welkers delen en leden welgeschikt en met betrekking op elkander werkzaam zijn. Job 10:10,11,12. Psalm 139:13-17. - Hoe zijn die beide verenigd?
Door een onderlinge werkzaamheid op elkander, naar de wil Gods. - Welke is het edelste en voornaamste deel?
De ziel, omdat zij redelijk en onsterfelijk is. Mattheüs 10:28. - Hoe heeft God de eerste mens geschapen?
Goed en naar Zijn beeld. Genesis 1:26. Prediker 7:29. - Waarin bestaat Gods beeld?
In de wijsheid van het verstand, in de rechtheid van het oordeel en de heiligheid of zuivere liefde van de wil, dat is, in de overeenkomst van de werkzaamheid der ziel met die van God. - Welke zijn de gevolgen van Gods beeld?
1. De welgesteldheid van het lichaam.
2. De heerschappij over de schepselen. 3. De onsterfelijkheid van de mens. - Hoeveel mensen heeft God in den beginne geschapen?
Twee: de man uit de aarde en de vrouw uit een rib van de man. Genesis 2:7. Genesis 21:22. - Waarom juist twee?
Omdat zij door een wettig huwelijk verenigd zijnde, de wortel van het ganse menselijke geslacht zouden wezen. Genesis 1:23,24. - Wat deed God op de zevende dag?
Hij heeft van Zijn werk gerust, die dag gezegend en geheiligd. Genesis 2:2,3.
Gebruik - Is er enige nuttigheid uit de voorgestelde leer aan te merken
Ja, dewijl al de schepselen zoveel bewijzen zijn van Gods macht, wijsheid en goedheid. Romeinen 1:20. Jesaja 40:26. - Op wat wijze zoudt gij uzelven daarin best opleiden?
Als ik met een heilige opmerking overweeg Wiens zon, maan en sterren ik aanschouw, in Wiens lucht ik leef, Wiens aarde ik betreed, en Wiens schepselen ik geniet. Psalm 19:2. - Waartoe kan u de aard en eigenschappen der schepselen meer dienen?
Om vele van die aan te merken als zinnebeelden van het grote werk der herschepping. - Toon ons enige bijzonderheden?
De duisternis kan ons bekwaam verbeelden de diepe afgrond van de ellendige natuurstaat des zondaars; het licht, de verlichtende genade van Gods Geest. 2 Korinthe 4:6. - Waartoe dient de aanmerking van de schepping uzelf?
Daaruit moeten wij leren kennen onze nietigheid, geringheid en afhankelijkheid. Psalm 144:3. - Waartoe nog meer?
Om God te loven, dat Hij ons zo een kostelijke ziel, en zo een heerlijk lichaam heeft gegeven. Psalm 139:13-17. - Waartoe moet u dat bewerken?
Om die beide aan Hem op te dragen, en tot Zijn eer te gebruiken. 1 Korinthe 6:20. - Hoe geschiedt zulks naar de ziel?
Als ik mijn verstand gebruik om God en Zijn waarheid te kennen, het oordeel om de Goddelijkheid zaken te onderscheiden, en de wil, om Hem en Zijn waarheid lief te hebben. - Hoe met uw lichaam?
Als ik alle deszelfs leden stel tot wapenen der gerechtigheid, de ogen om Gods werken te aanschouwen en Zijn Woord te lezen; de oren om God door de schepselen en Zijn Woord te horen spreken; de mond en tong om Zijn lof te melden, etc. Romeinen 6:13. - Wordt dit van de meeste mensen wel betracht?
Van zeer weinigen, want vele leven als zonder God in de wereld, zij berusten in de beschouwing en genieting van de aardse schepselen, en dienen de schepselen in plaats van de Schepper. - Maar velen worden nog al door de schepselen opgeleid tot de Schepper?
Het is waar, doch met hun wandel verloochenen zij Hem. - Zal dit ongestraft doorgaan?
Neen, omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken, en zal hen niet bouwen. Psalm 28:5. - Wat leert gij uit de schepping der engelen?
Dat God niet alleen op de aarde, maar ook van de hemelse heirscharen wilde verheerlijkt worden. - Wat merkt gij aan, uit de bevestiging van de goede en de val der kwade engelen?
Dat ook het besluit der verkiezing en der verwerping over dezelve is geweest, en dat God door dezelve Zijn eeuwige raad uitvoert, tot voordeel van de uitverkoren kinderen Gods, alsook tot een oordeel en straf van de verworpen mensen. - Waartoe moest u dit aanzetten?
Om te waken en te strijden tegen de listige omleidingen, en geweldige aanvallen des duivels, te bidden om bijstand in de strijd, en verlossing uit dezelve, en het geleide van Zijn goede engelen. Efeze 6:10,11.
7. Van Gods voorzienigheid
- 1. Heeft God na de schepping opgehouden te werken?
Nee, Hij draagt nog alle dingen door het Woord Zijner kracht. Hebreeën 1:3. - Hoe noemt Gij die krachtige werking Gods?
Zijn voorzienigheid. - Wat is Gods voorzienigheid?
De krachtige wil Gods, waardoor Hij alles onderhoudt, werkt en bestuurt tot Zijn heerlijkheid. - Op wat wijze oefent God Zijn voorzienigheid?
Door de onderhouding, medewerking en besturing. - Wat is Gods onderhouding?
Die alvermogende werking van Gods wil, waardoor Hij de schepselen van Hem voortgebracht in hun eerste wezen bewaart, zodat zij niet onder elkander vermengd nog vernietigd worden. Nehemia 9:6. Psalm 104:27-29. - Welke Zijn medewerking?
Die kracht van Gods wil, waardoor Hij in al Zijn schepselen werkt en hen doet werken. Handelingen 17:27-29. - Werkt God ook de vrije werkingen van de wil des mensen?
Ja, maar overeenkomende met de aard van het redelijk schepsel. - Hoe kan de mens dan vrijwillig werken?
God dwingt de wil niet, maar neigt dezelve vrijwillig en daarom. hoe meer Hij in de mens werkt, hoe vrijer en gewilliger hij werkt. Hooglied 1:4, Filippenzen 2:13, en 2 Korinthe 8:16-17. - Werkt God dan ook het kwade?
Wel het kwaad der straf, maar niet der zonde, Amos 3:5, Deuteronomium 32:5, Habakuk 1:13. De consciëntie van de goddeloze zelf zal hem getuigen als hij zondigt dat hij vrijwillig werkt en niet gedwongen wordt. - Wat verstaat Hij door Gods besturing?
Die alvermogende kracht van Gods wil, waardoor Hij alles tot Zijn eer en heerlijkheid bestuurt, Spreuken 16:1. - Waarover gaat Gods voorzienigheid al?
Over alle dingen, zo groot als kleine, goede en kwade, Mattheüs 10:29-30. - Hoe over het goede?
Dat werkt en bestuurt Hij door Zijn Geest en genade, Filippenzen 2:13. - En hoe over het kwade?
Door hetzelve toe te laten, te bepalen en te besturen tot openbaring van de heerlijkheid, Zijner genade en rechtvaardigheid, Genesis 50:20. Handelingen 4:28. - Straft God ook wel de zonden met zonden?
Ja, tot meerdere openbaring van Zijn rechtvaardigheid, Romeinen 1:28, 2 Thessalonicenzen 2:10.
Gebruik - Waartoe moet u de voorzienigheid Gods bewerken?
Tot erkentenis en roem van vele deugden en volmaaktheden Gods, als Zijn almacht, wijsheid, lankmoedigheid, goedheid, etc. - Wat volgt hieruit?
Dat ik onvolmaakt, afhankelijk, nietig en gebrekkig ben. - En waartoe moet u dit aanzetten?
Om in voorspoed dankbaar, in tegenspoed lijdzaam, en zo in alles stil te zijn en van Gods voorzienigheid te leren afhangen. Job 1:21. - Wie bezondigen zich hiertegen?
Alle ondankbare klagers en murmureerders, die met hun staat en lot niet tevreden zijn, en daarom zichzelf kwellen, of ook wel in lasterwoorden uitbarsten, omdat ze God in Zijn hoogheid en zichzelf in hun eigen onwaardigheid niet erkennen. Judas 1:16. - Wie meer?
Die de voorspoed aan hun eigen wijsheid, beleid en fortuin, of geluk toeschrijven, waardoor ze trots en stout worden. - Geschiedt er dan geen ding bij geval?
Wel ten aanzien van de mens, maar niet in opzicht van God, Die alles weet en bestuurt. Spreuken 16:33. - Mag men onder tegenspoeden gans niet gevoelig zijn?
Ja, men moet de slaande hand Gods wel met gevoeligheid erkennen, doch daaronder lijdzaam en nederig zijn. 1 Petrus 5:6. Lukas 21:19. - Maar is het genoeg te zeggen, gelijk velen doen: wij moeten stil zijn, dewijl het toch niet anders komen kan, en wij tegen Gods wil niet doen kunnen?
Hoewel dit waar en zeker is, echter geschiedt zulke taal veeltijds meer uit nooddwang, als door vrijwillige onderwerping. - Toont dit eens door een gelijkenis?
Het gaat met zulk een, als met iemand, die tegen wil en dank met boeien in een gevangenis geworpen wordt. - Wat troost vinden de gelovigen in de beschouwing van Gods voorzienigheid?
Zeer veel, dewijl alle tegenspoeden die hen in dit tranendal overkomen, hen ten goede moeten gedijen, als voortkomende van een liefhebbende Vader. Romeinen 8:28. - Mogen zij zich dan hierop niet veilig verlaten?
O ja, want dus zal hen de Heere door de duisternis tot het licht, door de strijd tot de kroon en door de dood tot het leven brengen. Psalm 37:37.
8. Van Gods besturing omtrent de eerste mens in de staat der rechtheid
- Is de Heere met Zijn voorzienigheid niet werkzaam geweest omtrent de eerste voorouders?
Gewis, zulks vereist de wijsheid en goedheid Gods. - Wat verhaalt ons Mozes in het bijzonder hiervan?
Dat God een hof in Eden geplant had, waarin Hij de geschapen mens stelde. Genesis 2:8. - Wat verbeeldde hen het paradijs of lusthof?
Het verstrekte hen tot een onderpand van de hemelse heerlijkheid in de volmaakte gemeenschap Gods. 2 Korinthe 12:4. - Wat bijzonderheden meldt Mozes van die hof?
Dat er twee bomen in dezelve geweest zijn, van welke de een de boom der kennis des goeds en des kwaads en de ander de boom des levens genaamd werd. Genesis 2:9. - Waarom droeg de eerste de naam van de boom der kennis des goeds en des kwaads?
Om hen voorzichtig te maken en te ontdekken het onderscheid tussen goed en kwaad. - Waarom werd de andere e booms des levens genaamd?Waarschijnlijk dewijl deszelfs vrucht tot een bijzonder onderhoud des levens dienen kon. Ezechiël 47:12. Openbaring 22:2.
- Wat verbeeldde hen deze boom des levens?
De zalige gemeenschap met God. - hoe is de Heere verder werkzaam geweest omtrent de rechte mens?
Als Heere en Wetgever heeft Hij hem ook de wet der liefde Gods en der des naasten in het hart ingeschreven. - Maar heeft de Heere hem geen bijzonder gebod gegeven?
Ja, het bevel van niet te eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads. Genesis 2:17. - Waartoe diende dat gebod?
Om daardoor hun gehoorzaamheid te beproeven. - Waarmee heeft de Heere dat gebod bekrachtigd?
Met de bedreiging des doods. Genesis 2:17. - Hebben zij dat proefgebod gehoorzaamd?
Neen, zij hebben het overtreden en zo gezondigd. - Wie verleidde hen daartoe?
De slang. Genesis 3:1 - Wie verstaat gij daardoor?
De satan, die om zijn arglistigheid een slang genaamd wordt. Openbaring 12:9. - Wie was de eerste in overtreding?
De vrouw en door haar ook de man. Genesis 3:6. - Maar vanwaar die verdorvenheid?
Niet uit God, maar uit de mens, die wel heilig, doch veranderlijk was en vele vonden gezocht heeft. Prediker 7:29. - Op wat wijze?
Door de bekoorlijkheid van de schone vrucht des booms en de verleiding der slang [tot vertwijfeling gebracht zijnde], zo zijn zij van God afgeweken en hebben de slang gehoor gegeven. - Is dan de Heere in dezen buiten schuld geweest?
Ja, dewijl zij in deze verzoeking God niet ernstig aangezocht hebben om Zijn raad en hulp, zo heeft Hij ze rechtvaardig verlaten. Jakobus 1:13.
Gebruik - Wat leert ons de voorzienigheid Gods omtrent de eerste mensen?
Verwonderd te zijn over de wijsheid en liefde Gods, welke hen beide naar ziel en lichaam zo heerlijk verzorgd heeft. - Van wat gebruik is nu het paradijs?
Dat de mens zijn enige vermaak en genoegen moet zoeken in de gemeenschap met God in Christus, hier in genade en hiernamaals in heerlijkheid. - Wat leert u de boom des levens?
Dat men in Christus, als de Fontein des levens, al zijn heil en geestelijke genezing zoeke. - En wat de boom der kennis des goeds en des kwaads?
Dat men alle dwalingen en verleidende aanlokselen van de wereld, zonde en verdorven vlees zorgvuldig moet vermijden, en daaromtrent zeer voorzichtig zijn. - Wat merkt gij aan uit de verzoeking van de satan?
Dat de satan nog op gelijke wijze met veel arglistigheid en schijnbeloften de mens zoekt te verstrikken door de begeerlijkheden des vleses en der wereld. 2 Korinthe 11:3 - Op wat wijze gaat hij dan te werk?
Als de eerste leugenaar verkleint hij nog de zonden en blaast de mensen in: o zondaar, gij zult niet sterven. - Zijn er wel mensen die deze leugengeest geloof geven?
Ja, want dus verleidt hij het grootste gedeelte van de wereld en houdt dezelve onder zijn strikken gevangen tot zijn wil. Openbaring 12:9. 2 Timotheüs 2:26. - Gelukt hem dit wel niet?
Ja, omdat de mensen het schijngoed dezer wereld en de korte genieting der zonde verkiezen boven God en Zijn waarheid. - Maar wat mens gelooft de duivel meer als God en Zijn Woord?
Ofschoon zij dit niet doen met woorden, nochtans betonen zij zulks genoegzaam met hun werken. - Wat is hier dan nodig te betrachten?
Wie door het zoete van de zonden niet wil verleid zijn, moet zich het ramzalig gevolg van dezelve dikwijls voorstellen en de zonden als een doodsvijand verklaren. Romeinen 6:21. - Toont dit eens door een gelijkenis?
Wie de satan en zonden gehoor geeft, is als een mens die een zoet vergiftigde drank inneemt of zijn heimelijke doodsvijand de hand van vriendschap toereikt. Deuteronomium 22:32-33. 2 Samuël 20:9-10. - Hoe zoudt gij u dan in zulke verzoekingen gedragen?
Ik moet waken en bidden en de eerste aanlokkingen herstellen en de eerste aanleiding tot de zonden mijden. Mattheüs 26:41. Jakobus 4:7.
9. Van de zonde en haar gevolgen
- Wat is door de overtreding van Adam veroorzaakt?
Daardoor is de zonde in de wereld gekomen. - Wat verstaat gij door de zonde?
Zij is een overtreding van Gods wet. 1 Johannes 3:4. Of het missen van het rechte oogmerk. - Wat vooronderstelt dan de zonde?
Een opperste Wetgever en een Goddelijke wet die de mens tot een regel van zijn doen en laten verstrekken moet. Jesaja 8:20, Galaten 6:16. - Welke zijn de gevolgen der zonde geweest in de eerste mensen?
1. De smet. 2. De schuld. 3. De straf der zonde. - Wat verstaat gij door de smet?
De beroving van Gods beeld en vervreemding van Gods leven, waardoor de mens, wegens zijn onwetendheid en verharding des harten, onrein en walgelijk is voor God. - Hoe zoudt gij dit door een gelijkenis nader ophelderen?
Het is hierin met de mens gelijk als met een sierlijk schilderij of een zuiver wit kleed, hetwelk besmet zijnde, daardoor zijn glans en schoonheid verliest. - Wat volgt op de smet?
De schuld of verplichting tot straf, dewijl de mens, wegens zijn afwijking, voor Gods gericht strafbaar is. Genesis 18:25, Romeinen 1:32. - Welk is het laatste gevolg van de zonde?
De bedreigde straf. Genesis 2:17, Romeinen 6:23. - Wat verstaat gij door de straf?
De tijdelijke, geestelijke en eeuwige dood. - Wat verstaat gij door de tijdelijke dood?
Allerlei ellende dezes levens en eindelijk de scheiding van ziel en lichaam. - Wat door de geestelijke dood?
Het ontbreken van het leven Gods. Efeze 2:1, Mattheüs 8:22. - Hoe kan een levend mens dood zijn?
Dit moet geestelijk verstaan worden, want ofschoon de mens natuurlijk leeft, zo is hij zonder de kennis en liefde Gods toch geestelijk dood. - Hoe merkt gij dan de zondaar aan in deze staat?
Gelijk een dode romp die, hoewel ze ongevoelig, zonder beweging en warmte is, nochtans krioelt van maden en wormen en een nare reuk van zich geeft. - Waarin bestaat de eeuwige dood?
In de afscheiding van Gods gemeenschap en in het dragen van oneindige straffen, beide in ziel en lichaam. - Is dit onderscheiden begrip van de gevolgen der zonden van enige nuttigheid?
Ja, hierop is gegrond het onderscheid tussen de rechtvaardigmaking, heiligmaking en heerlijkmaking. - Op wat wijze?
Door de rechtvaardigmaking wordt de schuld, door de heiligmaking de smet, en door de heerlijkmaking de straf der zonden weggenomen. - Hebben de eerste voorouders al deze gevolgen ondervonden?
In zijn beginselen zekerlijk. - Bewijs dat eens.
Dit blijkt uit Mozes verhaal. Genesis 3:7,8. - Hoe blijkt daaruit de smet der zonden en de overtuiging van hun schuld?
De smet uit het gezicht van hun naaktheid en schaamte daarover, de schuld uit het vlieden van God en vreze voor Hem, en het bedekken van hun naaktheid met vijgenbladeren. - Hebben zij ook de straf gevoeld?
Gewisselijk, want zij zijn allerlei ellenden dezes levens en zelfs de tijdelijke dood onderworpen geweest. Genesis 3:16,17,18,19. - Heeft de zonde ook niet de eeuwige dood verdiend?
Ja, doch de Heere heeft de straf gematigd door de openbaring van de beloften van het genadeverbond. Genesis 3:15. - Maar is de zonde met haar gevolgen ook overgegaan tot de nakomelingen?
Zulks leert Paulus. Romeinen 5:12. - Wat raakt ons Adams overtreding?
Adam moet aangemerkt worden als het hoofd van het werkverbond en de wortel van het ganse menselijke geslacht, welke in hem staan of vallen zouden, en gevallen zijnde, worden de nakomelingen zijner zonde deelachtig door toerekening en voortteling. - Is dit niet onbetamelijk dat een zoon de ongerechtigheid van zijn vader dragen zal?
Het zou onbetamelijk zijn, indien de zoon zelf niet schuldig was. Ezechiël 18:4. - Hoe verklaart gij dit nader door een gelijkenis?
Gelijk een rijke vader, die zijn goederen heeft doorgebracht, geen rijke kinderen nalaten kan, zo is het ook gelegen in deze zaak. - Maar door wat middel is de zonde voortgeplant?
Door de natuurlijke geboorte uit de ouders. - Waaruit blijkt zulks?
Omdat Adam zondig zijnde, ook kinderen teelde naar zijn beeld en gelijkenis. Genesis 5:3. - Leert de ervaring dit ook niet?
Ja, onweersprekelijk, want men ziet dat kleine kinderen direct van hun geboorte af verdorven en verkeerd zijn. Genesis 6:5. Genesis 8:21. - Hoe wordt dan de ziel, die onmiddellijk van God komt, besmet?
Door zijn vereniging met het zondige lichaam. Job 14:4. Johannes 3:6. - Ziet men ook geen andere algemene gevolgen der zonden
Verscheidene: de aarde onder de vloek zijnde brengt nog distelen en doornen voort, de man moet die bearbeiden in het zweet zijns aangezichts, de vrouw baart nog kinderen met smart, en de tedere kinderen zelfs zijn de dood onderworpen, volgens de bedreiging Gods, Genesis 3:16,17,18,19. - Hoe velerlei is de zonde?
Tweeërlei, de erfzonde en de dadelijke zonde. - Wat noemt gij erfzonde?
De aanklevende en zondige verdorvenheid waarin de mens geboren wordt, Psalm 51:7. - Wat vloeit uit de erfzonde?
Allerlei dadelijke zonden, waarvan ze de baarmoeder is, Jakobus 1:15. Mattheüs 15:19. - Welke zijn dadelijke zonden?
Allerlei zondige gedachten, woorden en werken die tegen Gods wet strijden. - Is de mens vanwege zijn verdorvenheid niet onbekwaam ten goede?
In alle opzichten, want zijn verstand is verduisterd, zijn oordeel verkeerd, zijn wil onheilig, zijn hartstochten ongeregeld, en zijn lichaam een werktuig van de zonde en ongerechtigheid, en zo is de ganse mens een dienstknecht der zonde. Efeze 4:18, Romeinen 8:3, Johannes 8:34. - Wat heeft dan elk zondaar in zijn verdorven staat te verwachten?
Tijdelijke en eeuwige straffen. Romeinen 2:8, Romeinen 6:23.
Gebruik - Hoe moet iemand zijn gedachten besturen omtrent deze waarheden?
De zonde in haar rechte aard met toepassing op zichzelf leren kennen en de schrikkelijke gevolgen daarvan op zijn hart te leggen. - Is er dan niemand zonder zonde?
Geenzins. Romeinen 3:19 en 23. - Maar is dat genoeg in het algemeen te bekennen, ik ben een arm zonder en ellendig mens, gelijk zovelen doen?
Met zulk een mondbelijdenis gaan velen in valse gerustheid naar het verderf toe, dewijl ze de zonde als zonde met overtuiging niet recht kennen en nog blijven vasthouden aan hun ongerechtigheden. Job 20:12-17. - Wat is dan nodig om tot ontdekking van zijn zondestaat te geraken?
Veel in zichzelf te gaan, de menigte en zwaarheid van zijn zonden in te zien. - Wat orde zoudt gij daarin houden?
Elk moet met overtuiging geloven dat hij in zonden ontvangen en geboren is, onrein en walgelijk voor Gods reine ogen en daarom een kinderen des toorns van nature. Ezechiël 16:1,2,3,4,5,6, Efeze 2:3. - Moet de zondaar ook niet zijn dadelijke zonde beschouwen?
Zekerlijk, dewijl een kwade boom ook kwade vruchten draagt, die zijn schuld merkelijk voor de Heere verzwaren. Mattheüs 7:17,8,19. - Is nu een algemene erkentenis hiervan genoegzaam?
Geenzins, hij moet zijn zonden (hoewel hij het aantal niet weet) nochtans in het bijzonder zich ordentelijk voor ogen zoeken te stellen. - Op wat wijze?
Elk moet van voren aan het schuldboek van zijn consciëntie openleggen voor de Heere. Psalm 32:5. - Wat is daartoe nodig?
Vanaf het begin zijn gehele leeftijd door te gaan en zich ernstig te stellen in de tegenwoordigheid van God, Die heilig, rechtvaardig en een alwetend Hartenkenner is. Psalm 7:10. - Zouden ook de zonden der kind- en jongelingschap in aanmerking moeten komen? Gewisselijk. Prediker 11:9,10, Psalm 25:7.
- 47 Wat is verder dienstig?
Alle bijzonderheden na te speuren in al hun verzwarende omstandigheden. - Wat maakt de zonden bijzonder zwaar?
Dat ze niet tegen die ons gelijk zijn of eindige schepselen, maar tegen zulke een lankmoedige, goede, heilige en hoge God begaan zijn. Psalm 51:6, Genesis 39:9. - Wordt er ook niet wel tegen mensen gezondigd?
Ja, zoals tegen de ouders, meesters, overheden, onze meerderen en minderen, doch alleen uit kracht van Gods gebod. - Zijn alle zonden even zwaar?
De minste verdient wel de dood, zelfs tot de eerst opkomende begeerlijkheid toe. Doch andere zonden zijn direct tegen Gods majesteit gericht. Enige worden willens en wetens uit boosheid met opzet gedaan. Sommigen zijn dagelijkse struikelingen, onvoorziens en tegen de wil. Numeri 25:27,31, Jakobus 3:2. - Kan de mens zo wel al zijn zonden kennen?
O neen! Psalm 19:13. - Wat heeft de zondaar zich eindelijk voor te stellen?
Toorn en verbolgenheid, zo hij niet bekeerd wordt. Romeinen 2:8-9. - Hoezo?
Omdat Gods rechtvaardigheid hem veroordeelt, zijn consciëntie hem beschuldigt en de wet hem vervloekt. Romeinen 1:32, Galaten 3:10. - Maar zou de zondaar niet mogen hopen: God is evenwel genadig, op Hem betrouw ik, Hij zal mij niet verstoten?
Dat vertrouwen is ijdel en zonder grond van waarheid, als de zondaar noch zichzelf, noch Gods heiligheid kent. - Is dan zulk een hoop niet zeer gevaarlijk?
Ja, daar is geen gemakkelijker weg ten verderve. - Waarom?
Omdat deze inbeelding de mens gerust en zorgeloos maakt. - Verklaar dit eens met een gelijkenis.
Het is in dezen met de zondaar als met iemand die op een vermakelijke weg, op welker einde een verborgen put is, wandelende, met gerustheid voortging, totdat hij daarin neerstortte en ontwaakte als het te laat is. Spreuken 16:25. - Maar kennen alle mensen dit gevaar der zonden wel?
Geenzins. De meesten wandelen op de brede weg des verderfs. Mattheüs 7:13,14. - En willen ze daarvan wel overtuigd worden?
Neen. Dan bedekken ze hun zonden met Adam, Job 31:33 en verbloemen hun schuld met het dwazen. Spreuken 14:9. - Hoe gedragen zich hier de overtuigden en bekeerden?
Zij doen openhartige belijdenis van hun zonden, en in plaats van die te bedekken, vergroten zij dezelve, ziende dat zij tegen de Allerhoogste zijn begaan. Ezra 9:6, Job 42:5,6. - Hoe verder?
Zij zijn hun tot een zware last, strijden daartegen, en wensen van dezelve verlost te worden. Psalm 38:5, Romeinen 7:24.
10. Van het eeuwig Testament Gods
- Moet de zondaar, die een kind des toorns en der vervloeking geworden is, voor eeuwig van Gods gemeenschap en gunst verstoken zijn?
Ja, of God Zelf moet naar de rijkdom Zijner genade een middel ter zaligheid uitvinden en dat aan de zondaar openbaren. - Heeft de Heere zulks ook niet gedaan?
Ja, en dat voor de grondlegging der wereld, doch na de val heeft Hij dit voornemen der genade aan de eerste ouders in het paradijs ontdekt, Genesis 3:15. - Hoe noemt de Schrift dat eeuwig voornemen der genade?
Het draagt verschillende benamingen, en onder andere noemt Paulus het een eeuwig testament, Hebreeën 13:20. - Wat verstaat gij door dit testament?
De eeuwige en vrije wil des Vaders, waardoor Hij sommigen uit het vervallen menselijke geslacht Zijn Zoon Christus ten erfdeel heeft toegezegd, doch onder voorwaarden, dat de Zoon dan de mensheid zou aannemen, en daarin door gehoorzaamheid en lijden aan de eis van Zijn gerechtigheid voldoen. - Waarom noemt gij dit een testament?
Omdat de wil Gods vrij en onveranderlijk is en door de dood van Zijn Zoon als Borg bevestigd is, Hebreeën 9:15-16. - Hoe merkt gij God de Vader dan aan in het testament der genade?
Als de Testamentmaker. - Hoe de Zoon?
Als Erfgenaam van een zeker volk en koninkrijk, Psalm 2:8. - Wat voorwaarde moest Hij op Zich nemen?
Als Middelaar en Borg moest Hij in de plaats van de uitverkoren zondaars aan Gods wrekende gerechtigheid genoeg doen en zo het recht tot Zijn erfenis verkrijgen, Jesaja 53:10, Mattheüs 20:28. - Was dit noodzakelijk?
Ja, indien het tot Gods wezen behoort dat Hij de schuldige geenszins onschuldig houdt, Exodus 34:6-7. - Heb gij daartoe meer bewijs?
Paulus dringt daar krachtig op aan, Romeinen 3:35, Hebreeën 2:10. - Maar zou God de zondaar niet kunnen zalig maken zonder voldoening aan Zijn gerechtigheid?
Men heeft niet licht te bepalen wat God doen of niet doen kan, doch de heilige Schrift leert ons, dat God zulks niet betaamde wegens Zijn onbesmette heiligheid, die hersteld moet worden, Jesaja 5:16. - Zou de zondaar voor zichzelf niet kunnen betalen?
Hij is daartoe gans onbekwaam en machteloos, ja maakt zijn schulden nog dagelijks groter, Micha 6:6-7, Mattheüs 16:26. - Zou een ander bloot mens voor de zondaar niet kunnen voldoen?
Geenszins, Psalm 49:8-9. - Zou het dan geen heilige of engel kunnen doen?
Neen, want hun gehoorzaamheid zou maar van een eindige waardigheid zijn. Ook is billijk dat die natuur die gezondigd heeft, straf lijde. - Is er dan niemand in de hemel of op de aarde bekwaam om aan Gods gerechtigheid te voldoen dan alleen Zijn eigen Zoon?
De Zone Gods alleen en geen ander was daartoe machtig, Jeremia 30:21, 1 Timotheüs 2:5-6. - Heeft Gods Zoon dit middelaarsambt ook gewillig op Zich genomen?
Ja, hij heeft Zich daartoe vrijwillig aangeboden, Job 33:23-24. Psalm 40:7, 8, 9. - Welk was de grond daarvan en wat maakte Hem vrijmoedig
Zijn bekwaamheid, dewijl Hij Zich bewust was al die hoedanigheden, welke in een middelaar vereist worden. - Welke zijn die?
Hij moest zijn: 1. een waarachtig God; 2. een waarachtig en heilig mens en 3. God en mens in één Persoon. - Waarom moet de Middelaar de ware God zijn?
Om de zondaar te kunnen verlossen uit de macht des satans als een sterk gewapende, Jesaja 49:24-25. - Waarom meer?
Om de zware last van Gods toorn tegen de zonde te dragen, hetwelk door geen bloot mens kon geschieden, Psalm 90:11. - Is er nog een reden?
Om die eer te kunnen dragen die Hem van Zijn volk over dat grote werk der verlossing moest toegebracht worden, want als God kon Hij zijn, het betamelijk voorwerp van hun geloof, hoop, roem en vertrouwen, Jesaja 45:25. - Waarom moest de Middelaar waarachtig mens zijn?
Om te kunnen zijn onder de wet der liefde Gods en des naasten, en uit kracht van die, Zijn leven te stellen voor Zijn broederen, Hebreeën 2:11,14 en 1 Johannes 3:16. - Waarom nog meer?
Om door gehoorzaamheid en lijden aan de Goddelijke gerechtigheid te voldoen, opdat zo de zonde in Zijn vlees veroordeeld zijnde, het recht der wet in de Zijnen vervuld zou worden,Romeinen 8:3. - Moet de Middelaar ook geen heilig en rechtvaardig mens zijn?
Ja, want anders kon Hij God Zijn Vader geen aangename offerander geweest zijn, Hebreeën 7:26. - Waarom moet Hij God en mens in één Persoon zijn?
Om een oneindige waardigheid aan de offeranden van Zijn menselijke natuur toe te brengen, Handelingen 20:28. Hebreeën 9:14. - Welke was nu de erfenis die de Zoon, uit kracht van het eeuwig testament der genade, na de volbrachte borgtocht, van Zijn vader zou ontvangen?
Al de uitverkorenen, die Hij door Zijn bloed verlost had, zouden het snoer en deel Zijner erfenis zijn. Psalm 16:6. Jesaja 53:10, Titus 2:14. - Maar spreekt de Schrift ook niet van een ander testament, dat des Zoons is?
De Zaligmaker Zelf spreekt daarvan, Lukas 22:29. - Hoe merkt gij dat aan?
Het is wel die eeuwige vrije en onveranderlijke wil des Zoons, met de Vader, om aan sommige zondaren genade en heerlijkheid te schenken, maar bijzonder wordt het een testament der Zoons genaamd, omdat Die het door Zijn dood bevestigd heeft. - Wie is hier dan de Testamentmaker?
De Zoon Zelf, als één wil hebbende met de Vader. - Wie zijn de erfgenamen?
Al de uitverkorenen, Johannes 17:6. - Welke de erfgoederen?
Genade in dit, en heerlijkheid na dit leven, Johannes 1:17. En Johannes 17:24. - Hoe krijgen de erfgenamen deel aan de erfgoederen van dit testament?
Door middel van geloof en bekering, Markus 1:15.
Gebruik - Wat merkt gij aan uit de beschouwing van het testament des Vaders en des Zoons?
De aandachtige overweging van hetzelve behoort de mens aan te zetten tot hoogachting van de liefde des Vaders en des Zoons, dewelke daarin zo klaar en krachtig uitblinkt, Johannes 3:16.Filippenzen 2:6,7,8. - Waartoe verplicht u dat?
Tot een heilige wederliefde, om de Vader te verheerlijken, en de Zoon als Borg door geloof te omhelzen en aan te kleven. - Wie staan hier schuldig?
Die nog zo zorgeloos leven en weinig werk maken van de Zoon als Borg tot zaligheid aan te grijpen. - Waaruit blijkt deze hun zorgeloosheid?
Omdat zij de aangeboden middelen der genade verzuimen en versmaden. - Welke is de grond daarvan?
De onkunde van hun natuurlijke blindheid en walgelijkheid der ziel; en hun ingebeelde waan van eigen zelfgerechtigheid waarop zij rusten, Openbaring 3:17. - Wat hebben zulken te denken van hun staat?
Dat zij nog geen deelhebben aan de goederen van het testament der genade. - Is die staat niet jammerlijk?
Ja, want zo zijnde en blijvende, liggen zijn nog onder de vloek van de wet en toorn Gods, Johannes 3:18, 36. - Voor wie is hier een Troostfontein geopend?
Voor alle ware boetvaardige zondaars, die in zichzelf verloren zijn, en in Christus als Middelaar en Borg hun heil zoeken. - Is de borg Jezus dan alleen voor dezulken?
Ja, want het voornaamste einde en oogmerk van Zijn komst in de wereld, was, om zodanigen zalig te maken, Mattheüs 9:13, Timotheüs 1:15. - Maar wat raad voor dezulken, die wegens de grootheid van hun zonden niet durven toetreden?
Dezen moeten zich veeltijds te binnen brengen, de gewilligheid van de Borg, Die Zich volvaardig toont om zodanigen aan te nemen, ja, Die hen zelfs roept tot Zijn gemeenschap, hetwelk hun dan grond geeft om tot Hem te naderen, Mattheüs 11:28.
11. Van het zaligmakend geloof en zijn gevolgen, zoals hoop en liefde
- Dewijl in het voorgaande van het geloof (als een voorwaarde van het testament der genade) gesproken is, wat verstaat gij dan door het geloof in het algemeen?
Iemands getuigenis voor waarheid aan te nemen. 1 Johannes 5:9. - Wat is het zaligmakende geloof?
Het is een genadewerk des Heiligen Geestes, door middel van het Woord in het hart van de uitverkoren zonder gewrocht, waardoor hij met verloochening van alles, Christus Jezus geheel aanneemt en zichzelven aan Hem toevertrouwt, om door Hem gerechtvaardigd, geheiligd en verheerlijkt te worden. - Wat wordt door het geloof al aangenomen?
Al wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar bijzonder Christus Jezus, Johannes 20:31. - Hoe komt Christus hier dan voor?
Als Borg en Middelaar, in Wiens gerechtigheid en voorbidding het eeuwige leven is, Hebreeën 7:25. - Wordt tot dit geloof ook kennis vereist?
Zekerlijk, nadien men geen getuigenis als waarheid kan aannemen, tenzij men eerst weet wat men zal geloven, Romeinen 10:14. - Maar is een blote, beschouwende kennis alleen genoeg?
Geenzins, nadien de gekende waarheid, wegens haar dierbaarheid, ook boven alles moet hooggeacht en bemind worden, hetwelk een bevindende kennis is, Filippenzen 3:8. - Wat is er verder nodig om de aard en de kracht van het zaligmakend geloof wel te verstaan?
De nadruk van enige grondwoorden en spreekwijzen van de Heilige Schrift te overwegen. - Welke zijn die al?het Hebreeuwse woord heëmyn gewoonlijk door geloven vertaald, Jesaja 28:16.
- Welke is de eigenlijke kracht daarvan ten aanzien van zijn oorsprong?
Het betekent eigenlijk, zich aan iemand over te geven om door hem gedragen te worden en op hem te leunen. Een spreekwijze ontleend van een kind dat door zijn voedster in de schoot of op de armen gedragen wordt. Numeri 11:12, Jesaja 66:12. - Hoe brengt gij dit over tot het geloof?
Nadien de zondaar als een onmachtige door het geloof zich aan Jezus overgeeft en toevertrouwt, om in Zijn liefde-schoot gekoesterd en op de armen tot Zijn Vaders huis gedragen te worden, Jesaja 66:12. - Zijn er meer?
Gewoonlijk wordt geloven uitgedrukt door Chacah en Batach. - Wat betekent het eerste?
Ergens toevlucht nemen met vertrouwen om daar veilig te zijn, Psalm 36:8. Dit wordt een toevluchtnemend vertrouwen genoemd, Psalm 118:8-9. - Is het ook zo met de aard van het geloof gelegen?
Ja, dewijl de krachteloze zondaar, door zijn vijanden achtervolgd, dus naar Christus als een sterke toren zijn toevlucht neemt, Spreuken 18:10. - Wat betekenis heeft het tweede?
Het betekent zulk een vertrouwen, waardoor iemand reeds in een veilige plaats zijnde, zich daarop verlaat zonder vrees voor gevaar van vijanden, Psalm 125:1. Dit wordt een verzekerd of genietend vertrouwen genoemd, Jesaja 12:2. - Wat drukt eigenlijk de aard en het wezen van het geloof uit?
Het eerste, omdat het wezen des geloofs niet bestaat in de verzekering van de vergeving der zonden, maar in het toevlucht nemen naar Christus. De verzekering is een vrucht en hoge trap des geloofs, daar allen niet toe geraken. Efeze 1:13. - Zijn er ook geen spreekwijzen, die enig licht geven om de natuur van het geloof te verstaan?
Ja, dikwijls worden ze uitgedrukt door Gods getuigenis aan te nemen, Johannes 3:33. - Zijn er geen meer?
Het wordt genoemd een hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van Jezus; een wenden naar de Heere; een zien en aanschouwen; Zijn sterkte aan te grijpen; de Zoon te kussen; op de Heere te steunen en te leunen. Mattheüs 5:6, Jesaja 45:12, Johannes 6:40, Jesaja 27:5, Psalm 2:12, Hooglied 8:5. - Heeft de mens dit geloof van zichzelven?
Neen, het is een bovennatuurlijke gave Gods, Efeze 2:8. En het werk Gods in de mens, Johannes 6:29. - Waardoor werkt Hij dit geloof?
Door middel van Zijn Woord en Geest, Romeinen 10:17 Handelingen 16:14, Jesaja 59:21. - Waarom wordt dit geloof met nadruk het zaligmakende genoemd?
Ter onderscheiding van het historisch, tijdgeloof en het geloof der wonderen. - Wat is een historisch geloof?
Alleen een letterlijke kennis en toestemming, zonder verandering naar en liefde tot de waarheid, Handelingen 26:27, Jakobus 2:19. - Welk is het tijdgeloof?
Een algemene verlichting, waardoor de mens (zonder grond van waarheid) zich de beloften des Evangelies en de beloften van Christus toe-eigent, en zich door verbeelding voor een tijd daarin verblijdt, Mattheüs 13:20-21. - Wat verstaat gij door het geloof der wonderen?
Een overreding, dat God door mij, of door een ander omtrent mij, een wonderwerk wil of kan doen, 1 Korinthe 13:2. - Waaruit wordt nu het zaligmakend geloof van de andere soorten des geloofs onderscheiden?
Dewijl het de ziel met Christus verenigt, vertoont het zich werkzaam in allerlei christelijke deugden, Johannes 15:5. - Welke zijn die al?
Wijsheid en voorzichtigheid in de wandel; nederigheid en oprechtheid voor God en de mensen; ernst en dapperheid in het bestrijden der vijanden; bijzonder de hoop die het baart en de liefde waardoor het werkzaam is, Galaten 5:6. - Waarin bestaat de christelijke hoop?
Het is een genadewerk Gods in de gelovigen, waardoor ze de vervulling van Gods beloften met lijdzaamheid verwachten, onder een naarstig waarnemen der middelen. Romeinen 8:25. - Wat onderscheid is er tussen geloof en hoop?
Het geloof omhelst en vertegenwoordigt zich de beloften Gods, de hoop ziet ze met verlangen en lijdzaamheid tegemoet, Romeinen 8:24-25 - Waarin bestaat de liefde?
In een hoogachting van alles wat dierbaar en goed is, en een berusting in derzelver genot en vereniging. - Hoe wordt de liefde onderscheiden?
In een liefde tot God en des naasten, Mattheüs 22:37-39. - Waarin is de liefde Gods gelegen?
In God te beminnen en aan te kleven als het hoogste goed, Psalm 73:25. - Waarin wordt de liefde tot des naasten geoefend?
In dat te bedenken, te spreken en te doen, wat tot zijn tijdelijke en eeuwige welstand verstrekken kan. 1 Korinthe 13:4,6. - Zijn er ook trappen in de liefde?
Ja, de onbekeerden, zelfs onze vijanden, moet men beminnen met een liefde van toegenegenheid, omdat zij Gods schepselen en één bloed met ons zijn, gepaard met een zucht tot hun bekering. De gelovigen met een liefde van vereniging en welgevallen, omdat zij Gods beeld deelachtig zijn. Mattheüs 5:44, Johannes 5:1. - Welke is nu de voornaamste van deze christelijke hoofddeugden?
De liefde. 1 Korinthe 13:13.
Gebruik - Is de oefening van het geloof niet noodzakelijk?
Ja, dewijl men zonder hetzelve Gode niet behagen kan, Hebreeën 11:6. - Wat is dan nodig?
Dat die gelooft, niet haaste. Jesaja 28:16. - Wat verstaat gij daardoor?
Dat iemand niet op een losse en verkeerde grond onbedachtzaam zich de beloften moet toe-eigenen om niet op het einde beschaamd uit te komen, maar zich nauw te onderzoeken heeft, 2 Korinthe 13:5. - Wie zijn hier dan te bestraffen?
Allen die geen kennis hebben van de noodzakelijke waarheden des christendoms, Hosea 4:6. Jesaja 27:11. - Wie meer?
Allen die de Heere Jezus wel met de mond belijden, doch met de werken verloochenen, welkers geloof niet verder gaat als dat van de duivelen, Jakobus 2:19. - Zijn er nog anderen?
Ja, de zodanigen die voorgeven gelovig te zijn, omdat zij van christelijke ouders geboren, in de kerk gedoopt en opgevoed, en op de belijdenis tot lidmaten der gemeente zijn aangenomen, en daarbij uiterlijk godsdienstig en burgerlijk levende, een iegelijk gelijk en recht doen. Mattheüs 3:9 en 5:20. Lukas 13:26. - Maar als dit niet genoeg is, wie kan en zal dan zalig worden?
Deze plichten als plichten zijn wel goed, doch zo ze niet voortkomen uit een hart door het geloof met Christen verenigd, zijn het maar blinkende zonden. Romeinen 14:23. - Waaruit blijkt het nog meer?
Uit voorbeelden van zulken, die zo ver zijn gekomen en echter geen ware gelovigen zijn geweest. Handelingen 8:13. Mattheüs 25:1-12. Jesaja 58:2. Ezechiël 38:32. - Doch velen zeggen, wij weten dat wij allen arme zondaars zijn, dat God barmhartig en Christus onze Zaligmaker is?
Zulk een mondbelijdenis, welke de aller-goddelooste doen kan, is niet genoeg. Mattheüs 7:21. - Waarom?
Omdat tot het ware geloof vereist wordt een bevindende kennis, ontstaande uit overtuiging en ondervinding van Gods Geest, overeenkomende met het Woord der waarheid. Johannes 6:45 en 16:8. - Toont dit eens door een gelijkenis?
Door aanschouwen, horen, lezen en redeneren, kan de mens licht weten, dat de honger een scherp zwaard is, pijn en doodsgevaar niet aangenaam zijn, en dat integendeel de spijs, genezing en verlossing dierbaar zijn. Maar die zo het een als het ander bevindt, heeft er een geheel andere kennis en aandoening van. - Maar moet men echter niet geloven dat Christus voor ons gestorven is en op God ons vertrouwen stellen en een goede hoop hebben?
Wij hebben wel toe te zien of dit al in waarheid geschiedt, dewijl dit alle mensen bijna voorgeven, daar het nochtans in de meesten maar een inbeelding, en een gebouw op een zandgrond is, en hun hoop als een huis der spinnenkoppen is, Job 8:14-15, Mattheüs 7:26-27, Spreuken 11:7. - Doch als men zo spreekt en handelt met de mensen, zal men hen tot twijfeling en wanhoop brengen?
Te twijfelen aan zijn eigen staat is dikwijls nuttig, en te wanhopen aan zichzelven en eigen krachten is altijd nodig, Handelingen 2:37. - Hoe heldert gij dit op door een gelijkenis?
Die op een dwaalweg is of gevaarlijk ziek, hoe zal zulk een de rechte weg bekomen, zo hij niet twijfelt, en genezing, zo hij het niet bij zichzelven opgeeft en een medicijnmeester zoekt. - Nochtans zegt Jakobus, hoofdstuk 1:16, die twijfelt is een baar der zee gelijk?
Die God van harte, en in Christus recht de zaligheid zoekt, behoeft nooit te twijfelen aan Gods genade, goedheid en trouw, hetwelk Jakobus alleen tegenspreekt. Doch dit sluit niet uit het twijfelen en onderzoeken of het werk al van harte en in waarheid is. - Nadien nu van verscheiden soorten van mensen is gehandeld die zich bedriegen, zijn er ook die nog verder gaan?
Ja, deze zijn de tijdgelovigen, welke de ware gelovigen uiterlijk zeer gelijken, en wel in enige dingen hen overtreffen, Mattheüs 13:5 en 20. - Wat is daar toch de reden van?
Omdat een waar gelovige alles van harte tot Gods eer tracht te doen, zo ontmoet hij veel tegenstand, daar een tijdgelovige zichzelf beogende, door de vijanden wordt geholpen. - Verklaar dit met een gelijkenis?
Het is lichter voor de stroom en wind zonder arbeid af te drijven, als tegen dezelve met moeite voor te komen. - Wat onderscheid doet zich op tussen de ware en tijdgelovigen?
De tijdgelovige neemt haastig aan de voorgestelde beloften des Evangelies met vreugde, schiet haastig op en belooft veel, doch heeft geen diepte van aarde, daar de ware gelovigen diep wortelen schieten, en niet haasten. - Wat nog meer?
De tijdgelovigen vallen licht af als er verdrukkingen komen. De ware gelovigen daarentegen zijn volstandig tot het einde toe, Mattheüs 13:20-21, Lukas 8:15. - Wat raad en middelen voor de zodanigen, die begerig zijn het ware geloof te mogen deelachtig worden?
Wijl het geloof uit het gehoor des Goddelijken Woords is, zich naarstig daaronder te begeven, met een hartelijke zucht en afzien van zichzelven om de geest des geloof te ontvangen. - Waartoe zijn nu zulken verplicht die deze bovennatuurlijke gave des geloofs in zich ondervinden?
God in Christus te danken door Zijn Geest voor die uitnemende gave, Efeze 1:3. - Waartoe nog meer?
Door dat geloof moeten zij afhankelijk werken om allerlei vruchten voor te brengen, Johannes 15:5. - Welke zijn die vruchten?
Zij moeten hun geloof werkzaam betonen in gehoorzaamheid omtrent God, en liefde tot hun naasten. Galaten 5:6. En zijn verplicht rekenschap te geven van de hoop die in hen is. 1 Petrus 3:15. En ook de geloofde waarheid te belijden en daarvan te spreken. 2 Korinthe 4:13. - Moet dan een gelovige (zal hij voortgaan in zijn geestelijk leven) gedurig werkzaam zijn door het geloof?
Zekerlijk, want gelijk het lichaam niet zonder dagelijks voedsel, al zo weinig kan de ziel zonder dit geloof leven, Romeinen 1:17. - Is er dan veel voordeel in dit leven des geloofs?
Zeer veel, want daardoor wordt Jezus in het hart gebracht en het hart in de hemel, Efeze 3:17. En Christus wordt hen zo dierbaar, dat zij de duivel, de wereld en zichzelf bestrijden en zoeken te overwinnen, 1 Petrus 2:7. 1 Johannes 5:4. - Wie werken hier verkeerd?
Allen die van een gevoelige troost en invloed van genade zoeken af te hangen, hetwelk niet in zich bevindende, aanstonds hun staat verdacht houden of verwerpen, hetwelk veel sukkelen baart. - Wat dient tot onderrichting van dezulken?
Dat deze gevoelige genade wel zoet en zielsverkwikkend is, maar echter moeten zij weten, dat de beloften der zaligheid niet zo bepaald gedaan worden aan die gevoelen, maar aan die geloven, Johannes 3:36. - Hoe zoudt gij deze zaak meerder licht geven?
Neem eens, ofschoon men geen stralen van de zon, noch warmte gevoelt, omdat het bewolkt is, nochtans gelooft men dat zij daar is, gelijk ook een kind gelooft dat zijn ouders hem liefhebben, hoewel het niet altijd in de schoot ligt, en derzelver tegenwoordigheid geniet. - Wat raad is er voor zulk een, die niet weet wat hij van zijn staat denken zal, en vanwege zijn zonden niet durft geloven?
Het is nodig voor zo een op Gods beloften acht te geven, Die niet sterk gelovigen alleen, maar bijzonder zwakke en zelfs grote zondaars, die waarlijk verlegen zijn, tot Zich nodigt, Mattheüs 11:28, Mattheüs 12:20, Lukas 7:47. - Wat troost en middel zoudt gij zulken geven, die in duisternis en strijd leven en met ongeloof te worstelen hebben?
Uit te zien naar de Heere en Hem te verwachten als Hij vertoeft, ook ongeloof geen plaats te geven, wijl God daardoor onteert en de mens tot alle goed werk onbekwaam wordt.
12. Van de bekering
- Wat gaat met het geloof gepaard?
De bekering, Markus 1:15 - Om wat reden?
Omdat het geloof zonder de werken dood is, Jakobus 2:26. - Maar is de bekering niet volstrekt noodzakelijk tot zaligheid
Gewisselijk, de Mond ter waarheid Zelf zegt: Indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan, Lukas 13:3. - Wat verstaat gij door de bekering?
De inwendige zielsverandering, waardoor een overtuigd zondaar zich afkeert van zijn voorgaande zondig levensbedrijf, en wederkeert tot God om in Zijn gemeenschap naar de regel van Zijn heilige wil te leven. - Hoe velerlei is de bekering?
Tweeërlei: daar is een eerste en tweede of verdere bekering. - Welke is de eerste?
Die, waardoor een overreed zondaar allereerst zich wendt van de satan tot God, van de zonde tot de deugd, en als uit de dood levend wordt. - Welke is de tweede?
Die is der wedergeborenen, die reeds bekeerd zijn, waardoor zij van hun dagelijkse struikelingen of van een zware val weder opstaan en met boetvaardigheid tot de Heere wederkeren. Hooglied 6:13, Hosea 6:1. - Wat merkt gij aan in dit gewichtig stuk van bekering?
1. Zekere voorbereidselen
2. het wezen van die
3. de uitwerkingen daarvan. - Welke is dan het eerste dat in de bekering vooraf gaat?
Vooreerst moet een zondaar, wijl hij in zijn verdorven natuurstaat zichzelf vlijt en door eigen zelfliefde verblind is, aan zichzelf ontdekt en bekendgemaakt worden, Lukas 15:17. - Om wat reden?
Anders zou de arme en verblinde zondaar in zijn zondeloop voortgaan, indien hij niet tot erkentenis en gevoelen van zijn ellendestaat gebracht werd. - Wat volgt na die overtuiging en ontdekking aan zichzelf?
De zondaar zichzelf kennende zoals hij waarlijk is in de walgelijkheid zijner zonden, heeft veel schaamte, droefheid, schrik en vrees daarover, en berouw en stof en as, Job 42:5,6. - Waartoe dienen de voorbereidselen?
Om een zondaar uit zichzelf te drijven en dus bevende te doen komen tot de Heere en Zijn goedheid, Hosea 3:5, 2 Korinthe 7:10. - Waarin bestaat de rechte aard en het wezen van de bekering?
In een dadelijke wederkeer van de macht des satans tot God, van de zonde tot de deugd, en zo van de duisternis tot het licht, Jeremia 3:22. Jeremia 4:1, Handelingen 26:18. - Wat is het gevolg van deze bekering?
Een ernstig en standvastig voornemen om altijd bij de Heere te blijven en in Zijn mogendheid de zonde te bestrijden, het goede te betrachten en met verloochening van alles naar Zijn geboden te leven, Psalm 119:106. - Geven de grondwoorden, waardoor de bekering wordt uitgedrukt, in deze niet veel licht?
Zeer veel. Sommige van die beduiden zoveel als iets nadenken, van achteren wijs worden, berouw hebben, met zorg en droefheid een zaak ter harte nemen. Andere geven zoveel te kennen, als zich van een dwaalweg afwenden en tot de rechte wederkeren. - Hoe brengt gij dit over tot het stuk der bekering?
Niemand kan de gruwelijkheid zijner zonden met droefheid en leedwezen beschouwen, daarover gevoelig zijn, of hij moet eerst tot inkeer van zichzelf, en tot nadenken van zijn voorgaande staat komen, en dus zijn zondig levensbedrijf ter harte nemen. - Waartoe leidt ons de laatste betekenis op?
Dat de mens door zijn zonden ver van God en Zijn gemeenschap is afgeweken, op een dwaalweg der zonde omdoolt, en tot de rechte weg van Christus moet wederkeren, om langs die tot God te komen. - In hoeveel delen bestaat de bekering?
In twee: in de afsterving des ouden en in de aandoening van des nieuwen mensen, Efeze 4:22-24. - Wat verstaat hij door de oude mens?
De natuurlijke aanklevende verdorvenheid, die de gehele mens, beide naar ziel en lichaam beheerst, van de geboorte af tot zijn bekering toe. - Wat wil dat zeggen, de oude mens af te leggen?
Dat is, die verdorvenheid onder te brengen, zich daarvan te ontslaan en los te maken: die te haten, te vlieden en te bestrijden, Kolossenzen 3:5. - Wat verstaat hij door de nieuwe mens?
Het wedergeboren deel, of de inwendige vernieuwing des harten naar Gods beeld. - Wat is het nu, de nieuwe mens aan te doen?
Zich werkzaam te vertonen in de oefening van deugd en betrachting van ware Godzaligheid, Romeinen 13:12-14. - Gaat dit beide altijd gepaard?
Ja, evenzo gelijk men een verouderd kleed aflegt om een nieuw aan te doen. - Wie is de werkende oorzaak van de bekering?
God Zelf geeft de bekering ten leven, Handelingen 11:18, Ezechiël 36:26,27. - Waarom gebiedt God dan de bekering, daar Hij ze Zelf moet werken?
Om daardoor Zijn eigen recht en des mensen plicht bekend te maken. - Maar de mens als zondaar is nu daartoe onmachtig?
Dit moet hem dan bewerken tot nederigheid, en een heilige bekommering en verlegenheid, ja hem aanzetten om in erkentenis van zijn eigen machteloosheid, Gods gebod in een gebed te veranderen, Psalm 51:12, Jeremia 31:18.
Gebruik - Wat nuttige bedenking trekt gij uit het verhandelde?
Dewijl de bekering zo volstrekt noodzakelijk is, zo moet elk zondaar die een zucht heeft tot zijn zaligheid, niet rusten voor en aleer hij waarlijk bekeerd is. - Waaruit zal hij dat kunnen weten?
Zal hij bekeerd zijn, zo moet hij de vruchten en uitwerkingen van die ook in zich bevinden. - Is daartoe geen zelfonderzoek nodig?
Ja, te meer, omdat de zondaar een zeer arglistig en bedrieglijk hart heeft, Jeremia 17:9, Zefanja 2:1. - Wat is in dit gewichtig stuk best geraden?
Veel bij zichzelf stil te staan, over zijn eigen hart en zijn ganse levensbedrijf zonder eigenliefde streng te oordelen, naar de onfeilbare waarheid van Gods woord. - Hoe handelt God dan met de ziel die zich bekeert?
Doorgaans geeft God eerst verlichte ogen des verstands, om zichzelf en zijn staat recht te kennen en ter harte te nemen, Jeremia 3:13. - Wat volgt daaruit?
Des zondaars ogen dus geopend zijnde, zo beschouwt hij zichzelf zeer hatelijk en walgelijk voor God, nadien hij de ogen Zijner heerlijkheid verbitterd heeft. Jesaja 3:8. - Maar is het genoeg alleen zijn grove zonden te kennen?
Neen, maar hij beschouwt zich als geheel onrein, zowel vanbinnen als vanbuiten, en al zijn voorgaande doen verwerpt hij, Handelingen 2:37. Hetwelk hem dan brengt tot een openhartige belijdenis en beklag van al zijn zonden, Psalm 32:5. - Kan een bekeerde wel vermaak scheppen in de zonden?
Die zijn hem dan tot een zware last, en staat steeds voor hem, Psalm 38:5, Psalm 51:5,6. - Is het nu genoeg van de schikkelijkheid zijner zonden ontdekt te zijn?
Neen, want de zondaar zou in die overtuiging van zijn rampzalige staat verzinken moeten, indien God Zich niet geopenbaard had als zulk een God, Die de dood van de verlegen zondaar niet begeert, Ezechiël 33:11. - Waartoe moet hem dit dan brengen?
Om met een nederig hart zijn toevlucht te nemen tot de troon der genade, Hebreeën 4:16. En zo gemeenschap met God te oefenen in Christus, de Zoon Zijner liefde. - Wat veroorzaakt dit in een nieuw bekeerde?
Uit zijn vernieuwd hart ontspringen dan ook nieuwe begeerten en zelflusten om voortaan in de weg der gerechtigheid, en in het pad van Zijn geboden te wandelen, Psalm 1:1-2, Handelingen 9:6. - Waarom?
Hij ziet in God en Zijn gemeenschap zoveel schoonheid, ziel verrukkende heerlijkheid en beminnelijkheid, dat hij de Heere gedurig wil aankleven. En wijl hij zich nog zo ledig en gebrekkelijk bevindt, zo begeert hij hoe langer hoe meer gereinigd, en uit Zijn algenoegzame volheid verzadigd te worden. - Wat doet hij omtrent anderen?
Bekeerd zijnde, zo zoekt hij ook andere mensen te bekeren of te versterken. Lukas 22:32. - Maar zijn alle mensen dus wel gesteld?
Dat scheelt veel. De Heere Jezus leert ons dat er twee verschillende wegen zijn, een brede waarop velen, en een smalle waarop weinigen wandelen, Mattheüs 7:13,14. - Zouden echter de meesten niet denken bekeerd te zijn?
Zonder twijfel, doch zij stellen zich gerust op valse gronden. - Welke zijn die?
Vele burgerlijke mensen maken staat op hun bekering, wijl zij vele buitensporige zondaars niet gelijkvormig zijn, zoals hoereerders, vloekers, dieven, dronkaards, etc. Gelijk de farizeeër waar we van lezen, Lukas 18:10,11. - Zijn er nog andere soorten van mensen?
Ja, daar is een geslacht, dat rein is in zijn ogen en nochtans niet gewassen is van de drek van zijn overtreding, Spreuken 30:12. - Op wat wijze?
Zij bevinden wel, dat zij de begeerlijkheden der jonkheid hebben nagewandeld, maar nu tot meerderheid van jaren en tot rijper verstand gekomen zijnde, doen ze afstand van hun vorige ongerechtigheid en leven voorts burgerlijk en bescheiden, waaruit zij dan besluiten alrede bekeerd te zijn, ofschoon ze in de grond van hun harten onkundig en ongevoelig blijven. - Maar zijn er niet die nog verder gaan?
Ja, toch. Velen horen van berouw en droefheid spreken, waarop de consciëntie nu en dan weleens ontwaakt en hun vreze en schrik aanjaagt, waarom zij denken dat zij al waarlijk overtuigd en bekeerd zijn, temeer, als zij daarbij uitwendig godsdienstig zijn. - Maar waarom is de droefheid niet genoeg?
Omdat die hen niet vernedert, verbetert en nader tot de Heere brengt, hetwelk nochtans altijd een gevolg van de ware bekering is, 2 Korinthe 7:10. - Zijn er niet wel voorbeelden die met zulk een droefheid zijn verloren gegaan?
Ja, dat is gebleken in Achab, 1 Koningen 21:27. In Saul, 1 Samuël 24:17-18. En Judas, Mattheüs 27:3-5. - Geven zij het zelf niet te kennen dat zij nog onbekeerd zijn?
Ja, hun consciëntie leert dit zelfs, dewijl zij wel kunnen verdragen dat grote zondaars en ongodsdienstigen ernstig worden doorgehaald, doch geraakt en verbitterd zijn, als men hen die valse steunsel zoekt afhandig te maken. - Maar zouden velen zich met opzet en voornemen tot bekering niet bedriegen kunnen?
Gewisselijk, als zij die aanzien voor een ware bekering en daarop verder gerust zijn en tot hun zondige wegen wederkeren. - Waaruit blijkt zulks?
Omdat zij in het algemeen van leedwezen en berouw horen mogen, maar ze willen niet uit zichzelf gaan, noch de wereld en hun liefste zonden verloochenen, en daarom gaan zij als met een leugen in hun rechterhand ten verderve, Jesaja 44:20. Mattheüs 21:28, 30. - Wat is dan dienstig?
Het begin, de voortgang en het einde van de bekering wel te beschouwen in de gelijkenis van de verloren zoon, Lukas 15:11, 20. - Wat is de plicht der ware bekeerden?
Zij moeten de vruchten der bekering waardig voortbrengen, Mattheüs 3:8. Te dien einde is het nuttig zich veel bezig te houden in de overdenking van Psalm 119.
13. Van de roeping
- Door wat daden werkt God het geloof en de bekering?
Door de roeping en wedergeboorte. - Zijn al deze werkingen Gods van elkander verscheiden?
Neen. Zij geven alle te kennen de aard en de uitwerkingen van het genadewerk Gods in de uitverkoren zondaar, welke door een woord- en spreekwijze niet wel kunnen worden uitgedrukt, en daarom heeft God verscheiden, zinnebeeldige en verbloemde spreekwijzen gebruikt, welke elk hun bijzondere nadruk met zich brengen. - Is deze spreekwijze van roeping niet ontleend van het gebruik der mensen?
Ja, want onder de menselijke samenleving roept de een de ander, als hij door middel van de stem iemand die ver van hem is, nodigt om nabij hem te komen, van welke het einde en oogmerk verscheiden kan zijn. - Wat verstaat gij door de zaligmakende roeping Gods?
Dat genadewerk Gods, waardoor hij de uitverkorenen, om Christus wil, door de stem van zijn Woord en Geest krachtdadig overbrengt uit de macht der duisternis, tot de gemeenschap Zijn Zoons Jezus Christus. - Wie is de Roeper?
God de Vader, 2 Korinthe 1:9. - Welke zijn de geroepenen?
De uitverkorenen, die in der tijd door Christus verlost zijn, Romeinen 8:30. - Welke is de stem des Roependen?
Het woord des Evangelies, 2 Thessalonicenzen 2:14, waarmede gepaard moet gaan de krachtdadige werking des Heiligen Geestes, Jesaja 59:21. - Welke is de staat waaruit zij geroepen worden?
Dit is de verdorven staat der natuur en ellende, waarin zij door de zonde verre van God afgedwaald waren, welke duisternis genaamd wordt, Efeze 5:8. - Welke is de staat waartoe zij door de roeping overgaan?
De staat der genade, en daarin de gemeenschap met God in Christus, welke de Schrift Gods wonderbaar licht noemt, 1 Petrus 2:9. - Hoe velerlei roeping is er?
Een uitwendige en inwendige, Handelingen 16:14. - Welke is de uitwendige?
Een uiterlijke nodiging des zondaars tot zaligheid door het Woord Gods. - Welke zijn dus de geroepenen?
Allen die onder de bediening des Evangelies leven, 2 Korinthe 5:20. - Maar gehoorzamen zij allen wel de roepende stem Gods?
Zij worden allen wel geroepen tot de bruiloft van de Koning Jezus, maar weinigen zijn er die daar komen, Mattheüs 22:3, Markus 16:15-16. - Is de uiterlijke verkondiging des Evangelies, en de algemene redelijke aanrading van die waarheid aan het gemoed van de mens genoeg tot zaligheid?
Nee, want de zondaar is in opzicht van het geestelijke, dood in zonden en misdaden, Efeze 2:1. Hij is verduisterd in het verstand, Efeze 4:18. Hij heeft een stenen hart, Ezechiël 36:26, en kan noch wil zich de wet Gods niet onderwerpen, Romeinen 8:7. - Wat wordt er dan boven de uiterlijke nodiging en aanrading des Woords vereist?
Zal een zondaar op de uitwendige roeping overgaan tot God, alsdan moet er bijkomen inwendige roeping. - Noemt de Schrift de verborgen kracht van Gods wil wel een roeping?
Ja. Paulus zegt: Hij roept de dingen die niet zijn, alsof zij waren, Romeinen 4:17. En dezelfde krachtdadige werking van Gods wil wordt er ook in de roeping der zondaars vereist, zal hij volgen en overgaan tot de gemeenschap Zijn Zoons, Jezus Christus, 2 Korinthe 4:6. - Door wat spreekwijzen wordt deze inwendige roeping krachtig uitgedrukt?
Zij komt ook voor onder verscheiden zinnebeeldige spreekwijzen, zoals de schepping, Psalm 51:12, levendmaking, Efeze 2:5, wedergeboorte, Johannes 3:3, opwekking, Efeze 2:6, trekking, Johannes 6:44. Hieruit blijkt des zondaars onmacht en Gods onwederstandelijke en overwinnende kracht genoegzaam. - Tot wat einde worden de uitverkorenen geroepen?
Tot deugd en heerlijkheid, 2 Petrus 1:3, 1 Thessalonicenzen 2:14.
Gebruik - Is het niet wat groots dat de God des hemels Zijn vijanden roept tot Zijn gemeenschap en hen door Zijn gezanten laat bidden en nodigen?
Gewisselijk. Zou het niet wat groots zijn onder de mensen, zo een koning zijn weerspannige onderdanen wederom zijn gunst en vriendschap liet aanbieden? - Waartoe behoort dit elk te verplichten?
Om de roepende stem Gods te gehoorzamen. - Gehoorzamen zij wel allen deze vriendelijke nodigingen Gods?
O neen. Velen worden door de bezigheden van deze wereld teruggehouden, de een door zijn akker, de ander door zijn koopmanschap, deze door zijn armoede, gene door zijn rijkdom en grootheid des levens, anderen door hun moedwil of door hun traagheid en ongeloof en geven al zo de koning reden om te klagen, Johannes 5:40, Lukas 14:16-20. - Wat hebben zulken te verwachten?
De toorn des Konings, Lukas 14:21, En Lukas 19:27. Spreuken 1:24, Spreuken 1:27-28. - Maar indien zonder Gods trekking de zondaar niet kan komen, is dan alles niet te vergeefs aangelegd?
Het is zijn schuldige plicht de stem Gods te gehoorzamen. Is hij daartoe onmachtig, dit behoorde hem tot erkentenis van zijn nietigheid en onbekwaamheid te brengen. - Waaraan zal iemand weten of hij inwendige roepen is?
Hij moet zich beproeven of hij al de kracht en uitwerking van de inwendige roeping in zich bevindt. - Wat onderscheid is er tussen de uit- en inwendige geroepenen?
De eersten horen alleen met het oor de stem, de laatsten ontvangen die in het hart. Dezen blijven in de duisternis, maar de anderen komen tot het licht. Dezen blijven onbekeerd, genen worden veranderd. De eersten volharden in hun zondeweg, maar de laatsten bewandelen de weg des levens. Handelingen 9:7; Mattheüs 9:13; 1 Thessalonicenzen 4:7. - Wat is de plicht van die inwendig geroepen zijn?
Zij moeten de Heere danken dat Hij hen, die zo walgelijk en verdoemelijk waren als anderen, door Zijn vrije genade verwaardigd heeft tot Zijn gemeenschap te roepen en over te brengen. Kolossenzen 1:12-13; 2 Timotheüs 1:9. - Hoedanig moeten zij zich gedragen?
Zij moeten wandelen waardiglijk de roeping met welke zij geroepen zijn, Efeze 4:1, 1 Petrus 2:9. - Hoe moet die wandel zijn?
Hemelsgezind, Filippenzen 3:20, Hebreeën 3:1. - Verschaft dit niet een sterke vertroosting?
Ja, want Gods genadegiften en roeping zijn onberouwelijk, Romeinen 11:29. Hij Die hen roept, is getrouw, 1 Thessalonicenzen 5:24, Openbaring 19:9.
14. Van de wedergeboorte
- Door wat daad werkt God verder de bekering en het geloof?
Door de wedergeboorte. - Wat verstaat gij door de wedergeboorte?
Die bovennatuurlijke werking des Heiligen Geestes in het hart van de uitverkoren zondaar gewrocht, welke geestelijk dood zijnde, in zonden en misdaden, door het zaad van Gods Woord, wordt levend gemaakt, om uit een vernieuwd beginsel des geestelijke levens werkzaam te zijn tot eer en verheerlijking Gods. - Waarom wordt dit genadewerk een wedergeboorte genaamd?
Omdat die uit God en van boven is, hervat en wederom vernieuwd moet worden, nadien de natuurlijke geboorte aards, zondig en verdorven is. - Welke is de reden waarom die bewerking des Heiligen Geestes de naam draagt van een geboorte?
Omdat er vele zoete overeenkomsten zijn tussen de natuurlijke en geestelijke geboorte. - Noem eens enige.
1. Gelijk de natuurlijke geboorte een werkende oorzaak of genereerder vereist, zo zijn ook de gelovigen uit God, of uit de Geest geboren. Johannes 1:13.
2. Gelijk de natuurlijke geboorte wordt voortgezet door middel van zaad, zo wordt er tot de geestelijke ook vereist het zaad van God, hetwelk is Zijn Woord, Jakobus 1:18. 1 Petrus 1:23. - Breng nog enige bij?
3. Gelijk de eerste smartelijk is, zo is ook de tweede niet zonder smart, doch in meerdere of mindere trap. Jeremia 31:19, Jesaja 66:8.
4. De natuurlijke geboorte geschiedt door middel van water en bloed, zo geschiedt ook de geestelijke door het bloed van Christus en het water Zijns Geestes, Johannes 3:5, 1 Johannes 5:6 - Is er ook overeenkomst in opzicht van de gevolgen?
5. Ja, straks na de natuurlijke geboorte wordt gehoord een stem des geweens, ook alzo in de wedergeboorte, Lukas 7:38.
6. Gelijk een nieuwgeborene de menselijke natuur deelachtig en het beeld en leven van zijn vader vertoont, zo is een wedergeborene de Goddelijke natuur deelachtig en vertoont Zijn beeld en leven, 2 Petrus 1:4.
7. Gelijk men door de eerste in de wereld komt, zo komt men door de tweede in Sion, de kerk Gods, Psalm 87:5.
8. Gelijk er blijdschap is als iemand geboren wordt, zo is er ook blijdschap in de kerk en in de hemel, als iemand uit God geboren is. Lukas 15:7. - Hebt gij nog meer?
9. Gelijk de nieuwgeboren kinderkens straks trek en begeerte hebben naar de moedermelk, zo zijn de wedergeborenen ook zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk van Gods Woord om daardoor op te wassen. 1 Petrus 2:2.
10. Gelijk in de eerste terstond een beweging en werkzaamheid is, zo is ook in de laatste een geestelijke beweging en werkzaamheid in het goede. Handelingen 9:11. En van de stokbewaarder, lezen we, Handelingen 16:30: En hen buitengebracht hebbende, zeide hij, Lieve heren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde? - Bestaat de wedergeboorte alleen in een uiterlijke plichtsbetrachting en redelijke besturing der hartstochten, door middel van onderwijs en goede opvoeding?
Neen. Zij bestaat in een inwendige zielsverandering, die zich ook uitwendig naar buiten vertoont, waarom het ook genaamd wordt een schepping, een wedergeboorte en een nieuw schepsel, 2 Korinthe 5:17. Een nieuwe mens, Efeze 4:24, 1 Petrus 3:4. - Stel deze nieuwe mens eens voor in zijn delen en leden?
Het verstand dat verduisterd was, wordt verlicht, en zo krijgt hij geestelijke ogen om te zien, Efeze 1:18. Het oordeel, dat verkeerd was, wordt van vooroordelen gezuiverd en naar de waarheid bestuurd, 1 Korinthe 2:15, Filippenzen 2:5. De wil die afkerig was van God en Zijn Waarheid, wordt tot dezelve overgehaald. Dat zien we in de bekering van Paulus, Handelingen 9:6. - Ondervindt een wedergeborene deze verandering ook in de uitwerking van het lichaam?
Ja, nadien de bewegingen des lichaams van de ziel bestuurd wordt, zo worden daarin ook andere werkingen bespeurd. Nu de ziel dus veranderd is, zijn lichaam is een tempel des Heiligen Geestes, 1 Korinthe 6:19. - Toont dit eens onderscheidenlijk?
De ogen dienen nu om Gods wonderen in Zijn Woord en werken te aanschouwen, de oren om ze aan te horen, de tong om ze te vertellen, en dus worden al de leden gesteld tot wapenen der gerechtigheid, Romeinen 6:13 en Romeinen 12:1. - Worden de hartstochten ook veranderd?
Ja, de hartstochten, die als hollende paarden waren, worden door de genade ingetoomd en naar de wil Gods betamelijk bestuurd, zoals verwondering, begeerte, afkeer, liefde, haat, blijdschap en droefheid. - Vertoon dit eens in de uitwerking van de ene of andere?
Hetgeen toen werd gehaat, wordt nu bemind. Wat toen blijdschap verwekte, baart nu droefheid, Psalm 4:8 en Psalm 139:21. - Geschiedt er ook verandering in het geheugen?
Dat kostelijk kabinet begint nu van de zondedrek ontledigd en met geestelijke goederen vervuld te worden, Lukas 2:19, Psalm 119:11. - Geschiedt dit alles op een volmaakte wijze?
Neen. Een nieuwgeboren kind heeft wel alle menselijke delen, doch door voedsel en verloop van tijd wast het op tot een volkomen man, zo neemt de nieuwe mens ook toe, van dag tot dag, 2 Korinthe 4:16. En wast op tot een volkomen man in Christus, Efeze 4:13. - Kan de mens naar dit alles zich wel schikken en toebereiden?
Neen, net zomin een kind iets kan toebrengen tot voortzetting van zijn geboorte. - Is het dan niet naar de vrije wil des mensen?
Neen, de wedergeboorte geschiedt niet naar onze wil, maar naar de wil Gods, Jakobus 1:18, Johannes 1:13-14. - Door wat middel?
Door Zijn Woord en Geest en dus wordt hij vrijwillig gemaakt om God en Christus te leven.1 Petrus 1:23 Psalm 110:3.
Gebruik - Is de wedergeboorte van veel belang?
Ja, zo noodzakelijk, dat niemand zonder dezelve in het Koninkrijk Gods kan ingaan, Johannes 3:5. - Raakt de wedergeboorte dan elk een?
Ja, want al wat uit het vlees geboren is, is vlees en daarom spreekt Christus onbepaald zonder onderscheid van iemand, wie hij ook zijn mag, leraar of leerling, rijk of arm, oud of jong. - Waartoe moet u de noodzakelijkheid de wedergeboorte dringen?
Tot zelfonderzoek of ik in bijzonder al mede waarlijk wedergeboren ben. - Waaruit zoudt gij dat kunnen weten?
Uit zekere en klare kentekenen. - Welke zijn de voornaamste?
Door de wedergeboorte wordt de mens deelachtig het geestelijk leven. - Waaruit wordt dat gekend?
Door de uitwerking van hetzelve, overeenkomstig met Gods natuur en beeld. - Welke is de uitwerking daarvan?
De begeerte naar het geestelijke zielenvoedsel, overeenkomende met derzelver natuur, om daardoor op te wassen. 1 Petrus 2:2. - Waaruit zoudt gij het nog meer weten?
Gelijk een kind graag is in de schoot en de nabijheid van zijn ouders, zo is het een wedergeborene ook eigen in de nabijheid van God te zijn, en bemint de liefdesschoot van Jezus. Psalm 73:28. Johannes 13:23. - Is er nog meer overeenkomst tussen het bedrijf van natuurlijke en geestelijke kinderen?
Rechtschapen kinderen beminnen en eren hun ouders en zijn zeer gevoelig als zij door anderen onteerd worden. Dus is het ook met de wedergeborenen gelegen, Psalm 42:11. En Psalm 73:25. Maleachi 1:6. - Wat doet zich nog meer op in zulke kinderen?
Door een natuurlijke liefde beminnen zij ook hun broeders en zusters. Zo hebben de wedergeborenen ook liefde tot Gods kinderen, die uit Hem geboren zijn, 1 Johannes 5:1. Psalm 119:63. - Maar is het ook noodzakelijk de tijd en de plaats van zijn wedergeboorte aan te wijzen?
Dit is wel mogelijk en troostelijk, doch die het ware leven en de uitwerking daarvan in zichzelf bevindt, heeft zich daarover zozeer niet te bekommeren. Psalm 87:5. Handelingen 2:37. - Toon dit laatste eens door een gelijkenis?
Een kind weet wel dat het leeft, doch weet niet hoe en wanneer hetzelve dat leven ontvangen heeft. - Moeten degenen die wedergeboren zullen zijn altijd de uitwerkingen van het geestelijk leven in zich bevinden?
Ja, dat blijkt uit de gelijkenis van de wind, die wel niet gezien, maar door haar uitwerking gekend wordt. Johannes 3:8. De wedergeboorte brengt ook met zich het geluid van een geestelijke taal. 2 Korinthe 4:13. - Zijn allen die voorgeven Gods kinderen te zijn, wel ware wedergeborenen?
Neen, zeer verre de weinigste, want bij de uitkomst blijkt, dat het zaad van Gods Woord hen niet vruchtbaar maakt. - Hoe blijkt dat?
Dewijl zij geen begeerte hebben tot God, Zijn Woord en de heiligen, maar veeleer de vromen haten en bespotten, maar de wereld en die uit dezelve zijn beminnen. 1 Johannes 4:5. Psalm 55:20. - Maar zouden dan de zodanigen, die uit Christenouders geboren, wel opgevoed en onderwezen zijn, tot het getal de wedergeborenen niet behoren?
Zulken hebben te denken, dat de genade niet erft, en dat de onderwijzing geen oorzaak maar wel een middel daartoe wezen kan. - Maar zouden dezulken van jongs af niet wedergeboren zijn?
Als dat waar is, dan moeten er ook dezelve vruchten en uitwerkingen zijn die tot de wedergeboorte behoren. - Worden die vruchten in velen wel gevonden?
In zeer weinigen, nadien de meesten onkundig en ongebonden blijven, en in de begeerlijkheden der jonkheid leven. - Is het dan niet genoeg enige ontroering en verandering gehad te hebben?
Alle ontroering en beweging is geen ware zielsverandering, dewijl zij niet doorbreekt tot het geestelijke leven, maar als een zeeziekte weer overgaat, 1 Samuel 10:9. Jesaja 26:18. - Maar zo de mens tot de wedergeboorte niet meer kan doen, als een nieuw geboren kind, is dan alles niet te vergeefs?
Al kan hij zich het geestelijke leven niet geven, nochtans is hij als een redelijk schepsel verplicht, zulke middelen waar te nemen, onder welke God die werkt. - Welke is de plicht van de ware wedergeborenen?
Zij zijn schuldig de Heere te danken over die grote weldaad, 1 Petrus 1:3. - Waarin moeten zij die dankbaarheid betonen?
In een Gode behagelijke wandel naar het voorbeeld van God en Zijn Zoon Christus. Efeze 5:1, 8. 1 Johannes 2:6. - Komen al de wedergeborenen tot een en dezelfde trap van volmaaktheid?
Neen. Daar zijn kinderen, jongelingen, mannen en vaders in Christus, 1 Johannes 2:13. - Hebben zij altijd bevinding van hun geestelijke wasdom?
Neen. Zij zijn als de kinderen menigmaal veel omsukkelingen, zwakheden, tegenspoeden, ziekten en krankheden onderworpen. - Wat raad hebt gij voor de zodanigen?
Voor hen is het heilzaam veel naar de geestelijke Medicijnmeester te gaan, en Zijn medicijnen te gebruiken, gelijk de kinderen bij hun ouders raad zoeken. - Is er niet veel troost voor de wedergeborenen?
Ja, want God is hun Vader, Christus hun oudste Broeder en de Heilige Geest hun Trooster, en daarom mogen zij verzekerd zijn dat voor hen alles welbezorgd en bestierd zal worden en dat zij uit kracht van hun geestelijke kindschap ook eens erfgenamen zullen zijn. Romeinen 8:17.
15. Van de rechtvaardigmaking
- Welke zijn de voornaamste goederen en weldaden, die God uit kracht van het eeuwig testament der genade aan zijn wedergeboren kinderen schenkt?
De rechtvaardigmaking, heilig- en heerlijkmaking. - Waarvandaan is die spreekwijze van rechtvaardigen ontleend?
Van de rechtbanken of het gericht, alwaar de rechter de beschuldigde rechtvaardigt, als hij hem van zijn schuld vrij spreekt. - Betekent rechtvaardigen of rechtvaardigmaken zoveel niet als inwendig rechtvaardigmaken of heiligheid instorten?
Neen, het is van de heiligmaking onderscheiden en wordt daarom gesteld tegenover beschuldigen en veroordelen, Spreuken 17:15, Romeinen 8:35. - Vindt gij in het stuk van de rechtvaardigmaking wel alle delen van een wettige rechtspleging?
Zeer klaar, want hierin komen voor:
1. de rechter,
2. de gedaagde,
3. de beschuldigers
4. de voorspraak,
5. de uitspraak des rechters. - Wie is de Rechter in deze vierschaar?
God alleen, de Schepper, Onderhouder en opperste Wetgever, Die behouden en verderven kan. Jesaja 33:22, Romeinen 8:33. - Wie zijn de gedaagden of beschuldigden?
De uitverkorenen, als schuldige zondaars. - Wie zijn de aanklagers of beschuldigers?
De satan, de wet en de consciëntie, Openbaring 12:10, Zacharia 3:1, Romeinen 1:32, Galaten 3:10. - Zouden deze beschuldigden zichzelf wel kunnen vrijpleiten in het gericht Gods?
Geenzins, Job 9:1-2, Psalm 130:3. Zo de Rechter Zelf geen genademiddel had uitgevonden, zouden zij veroordeeld en schuldig verklaard moeten worden. - Op wat manier is deze genadeweg uitgevonden?
Door de voldoening van Gods eigen Zoon, Die de Borg en Voorspraak is, opdat de majesteit van de Rechter ongekreukt zou blijven, 1 Johannes 2:1, Hebreeën 7:25. - Welke is de uitspraak van de Rechter?
De rechtvaardigmaking of vrijspraak zelve, waardoor God de uitverkorenen van de schuld en straf der zonden ontslaat, en hun recht geeft ten eeuwige leven, en dus bestaat zij in twee delen, Handelingen 26:18. Welke de Heilige Schrift dikwijls noemt de vergeving der zonden, Psalm 32:1, Romeinen 4:6-7. - Welke is de verdienende oorzaak, waarom de uitverkorenen worden vrijgesproken?
Die is niet in, maar buiten de mens, alleen in Christus’ gehoorzaamheid en gerechtigheid te vinden, Romeinen 5:19, 2 Korinthe 5:21. - Hoedanig komt dan de mens voor in deze rechtspleging?
Paulus zegt uitdrukkelijk, dat God de goddelozen rechtvaardigt, dat is de uitverkoren, doch in zichzelf schuldig, veroordeeld en daarvan overtuigde zondaar, Romeinen 4:5. - Maar is het God geen gruwel de goddelozen te rechtvaardigen
Ja, want God keurt niet voor goed de daden der goddelozen, maar veroordeelt dezelve. - Hoe kan Hij ze dan rechtvaardigen?
Uit kracht van de genoegdoening van Jezus Christus, Die aan de uitverkorenen zondaar wordt toegerekend, en zo wordt hij niet om zijn eigen werk, maar om Christus' wil uit genade gerechtvaardigd, Romeinen 3:24. - Heeft zulk een toerekening wel plaats onder de mensen?
Ja, toch, want een genoegzame borg neemt wel op zich de schuld van een ander, om die in zijn plaats te betalen aan de crediteur of schuldeiser. - Is het hier ook zo gelegen?
Ja, want Jezus Christus wordt aangemerkt als Middelaar, Borg, Hogepriester en Schuldoffer, bijgevolg heeft Hij Zich ook in plaats van de Zijnen ingesteld om te voldoen, Mattheüs 20:28. - Spreekt de Schrift ook van een toerekening tot gerechtigheid?
Wel duidelijk, Romeinen 4:3, 2 Korinthe 5:19 en 21. - Maar strijdt de bevatting van genade niet tegen de voldoening
Neen, want uit genade geschiedt het ten opzichte van de zondaar, maar ten aanzien van Christus door Zijn voldoening, Romeinen 3:25. - Neem deze schijnbare tegenstrijdigheid eens weg door een gelijkenis?
Stel eens een gevangene, die wel door rantsoen, nochtans ook door de liefde van de rechter wordt vrijgelaten, temeer, als de rechter zijn zoon zelf tot een borg gaf. - Verheft de Heilige Schrift hierin ook niet de overgrote liefde des Vaders?
Bij uitnemendheid, Johannes 3:16, Romeinen 8:32. En evenwel leert zij, dat zulke geschiedt door de gehoorzaamheid en dood van Christus als het aangebrachte rantsoen der verlossing, Romeinen 5:10 en 1 Timotheüs 2:6. - Door wat middel worden de uitverkorenen gerechtvaardigd?
Niet om, maar uit, en door het geloof in Jezus Christus met uitsluiting van allerlei werken, Romeinen 5:1, Romeinen 3:28. Galaten 2:16. - Zo wordt de mens dan niet gerechtvaardigd om de waardigheid des geloofs?
Geenzins. Het geloof is geen verdienende oorzaak, maar een tussenkomend hulpmiddel, waardoor men Christus en Zijn verdiensten aanneemt, Johannes 1:12. Doch zo betamelijk en noodzakelijk, dat God zonder die geloofsoefening omtrent Christus, niemand wil rechtvaardigen. - Hoe blijkt dit nader uit een gelijkenis?
Neem eens een bedelaar die zijn hand uitsteekt om een aalmoes te ontvangen van een ander. Diens hand is in dat geval niet de verdienende oorzaak, maar het middel, waardoor hij de gave aanneemt en deelachtig wordt. - Is in deze rechtspleging van God met de uitverkoren zondaar niet veel betamelijkheid? Zeer veel, want de Rechter betoont dus Zijn vrije genade omtrent de uitverkorenen, doch met behoud van Zijn rechtvaardigheid in Christus. Romeinen 3:25-26.
- Waaruit blijkt deze betamelijkheid meer?
Omdat Hij geen andere rechtvaardigt als die hongeren en dorsten naar de volmaakte gerechtigheid van Christus, Mattheüs 5:6. - Maar zegt Jakobus niet dat de mens uit zijn werken gerechtvaardigd wordt?
Daar is een tweeërlei rechtvaardigmaking, in de vierschaar Gods, of in des mensen eigen consciëntie, op welke laatste Jakobus ziet, en zo spreekt hij van de werken der gerechtvaardigden, welke noodzakelijk zijn tot bevinding en bevestiging van hun vrijspraak. Jakobus 2:18, 24 en 26. - Doch Paulus zegt, dat niet de hoorders maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden, Romeinen 2:13?
De daden moet men niet aanmerken als verdienende oorzaken, maar als gevolgen, vruchten en klare bewijzen van het waar en zaligmakend geloof, zonder welke hetzelve geen plaats kan hebben. - Welke zijn nu de heilzame vruchten van de rechtvaardigmaking?
De vrede, aanneming tot kinderen, vrijheid, vrijmoedigheid en vertrouwen. - Wat verstaat gij door deze vrede?
De vreedzame staat met God, met zijn eigen consciëntie, met de heiligen die op de aarde en in de hemel zijn. Romeinen 5:1. Efeze 1:10. - Wat voorrecht genieten hierdoor de gerechtvaardigden?
Zij zijn tot kinderen Gods aangenomen. Galaten 4:5-6. - Vanwaar is de spreekwijze van de aanneming tot kinderen ontleend?
Van het gebruik der Romeinen en andere volkeren, welke somtijds kinderen uit een andere familie voor de hunne aannamen, en erfgenamen van hun goederen verklaren. - Handelt God de Vader ook zo?
Ja, Hij neemt ze aan naar Zijn vrij welbehagen uit de familie des satans en brengt ze over tot Zijn huis en maakt ze erfgenamen van Zijn goederen. - Hoe geschiedt die overbrenging.
Door het geloof in Jezus Christus, en zo door de werking des Heiligen Geestes. Galaten 3:26. - Heeft deze aanneming tot het kindschap, bij uitnemendheid geen plaats onder het Nieuwe Testament?
Ja, zoals Paulus leert, Romeinen 8:15-16. - Wat gaat hiermee gepaard?
De vrijheid of vrijmaking van het juk der dienstbaarheid, van de schulden en heerschappij der zonde en een vrije gewilligheid, om God in liefde, naar Zijn wil te dienen. 2 Korinthe 3:17. Galaten 5:1. Romeinen 6:18. - Wat vloeit uit dit alles?
Een vrijmoedige toegang met vertrouwen tot de troon der genade. Efeze 2:18, Hebreeën 4:16. En een lijdzame verwachting van de erfgoederen.
Gebruik - Is dit niet wat groots, al deze weldaden te genieten?
Ja toch, hoe kunnen er heerlijker voorrechten zijn, als van zijn doodschulden verlost, van een kind des toorns een kind Gods, en van een doemwaardige een erfgenaam des levens, en der zaligheid te worden. - Hoe zoudt gij dit ophelderen door een gelijkenis?
Het is een uitnemende weldaad, dat een doodschuldige van een koning, of soeverein prins, pardon verkrijgt, en van de straf wordt vrijgesproken, alsook dat een arme tot eens koningszoon wordt aangenomen. Is dat niet licht in ulieder ogen des konings schoonzoon te worden, daar ik een arm en verachtzaam man ben? zei David tot de knechten Sauls, 1 Samuel 18:23. Dus is het hier ook gelegen. 1 Johannes 3:1. - Maar hoe zal iemand kunnen weten, of hij gerechtvaardigd, en een deelgenoot van die goederen is?
Uit de vereniging en vreedzame omgang met God. Genesis 5:24: Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer, want God nam hem weg, en uit zijn strijd tegen de zonde. - Doch het eigen hart is zeer bedrieglijk?
Het is zo, daarom wordt er veel omzichtigheid vereist, en bijzonder het getuigenis des Heiligen Geestes, welke onbedrieglijk is, Romeinen 8:16. - Hoe blijkt het verder uit de vruchten des geloofs?
Als het geloof werkzaam is door de liefde, Galaten 5:6. - Wat volgt daaruit?
Vrijmoedigheid tot God, 1 Johannes 3:21: Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God: vertrouwen op Zijn beloften, en een roem in de hoop Zijner heerlijkheid, Romeinen 5:2. Hebreeën 10:22-23. - Wie bedriegen zich in deze?
Zulke mensen, die zich zo licht inbeelden de vergeving der zonden te hebben, en door het geloof gerechtvaardigd te zijn, dat zij zich nog werkers der ongerechtigheid betonen, en in de grond des harten haters Gods, en vijanden van Christus en Zijn kinderen. - Misbruiken velen ook niet deze Christelijke vrijheid?
Zeer licht, als zij zich vrijheid beloven, daar zij nog dienstknechten der zonden zijn, en die tot een deksel voor het vlees misbruiken. 2 Petrus 2:19. - Zou dat roemen en vertrouwen in velen ook niet vals zijn?
Buiten twijfel gaan velen met die leugen in hun rechterhand ten verderve, omdat zij overwinning uitroepen, eer zij wettig gestreden hebben, 2 Timotheüs 2:5. Zij verzekeren zich van des Vaders liefde, daar zij nog niet eens Christus Geest hebben ontvangen, en door Dezelve geleid worden, Romeinen 8:9 en 14. - Wat is dan raadzaam?
Zich veel te stellen voor de Goddelijke vierschaar, zichzelven te veroordelen, zijn Rechter om genade te bidden, en zijn we waarlijk met onze schulden verlegen, tot deze Borg Jezus Christus te vlieden, en niet eerder te rusten totdat wij in Christus bloed met God bevredigd zijn, en Zijn Geest in onze harten gevoelen om de Heere vrucht te dragen. - Maar wat troost is er weggelegd voor de gerechtvaardigden?
Zodanigen zijn vrijgemaakt van de verdoemenis, Romeinen 8:1, 33-34. - Maar de consciëntie beschuldigt Gods kinderen nog steeds?
Dies is het hun plicht in ware boetvaardigheid, door een dikwijls herhaalde daad des geloofs, de gerechtigheid van Christus te omhelzen en tegen de zonde te strijden. - Waarnaar moeten zij trachten?
Om vervuld te mogen worden met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn, tot heerlijkheid en prijs van God, Filippenzen 1:11, Openbaring 22:11. Waarop zij dan ook kunnen verwachten de vrijheid en heerlijkheid der kinderen Gods, Romeinen 8:21.
16. Van de heiligmaking en goede werken, alsook van de volharding der heiligen
- Wat gaat met de rechtvaardigmaking gepaard?
De heiligmaking. - Wat betekent dit grondwoord heiligen vertaald?
Iets met water wassen, of door bloed te reinigen, Leviticus 16:19. En van een algemeen gebruik iets afzonderen, om het Gode en Zijn dienst toe te wijden. Exodus 29:37. - Wordt dit woord niet in een verscheiden zin genomen?
Ja, in het algemeen behelst het, het ganse genadewerk Gods, de rechtvaardigmaking, wedergeboorte, krachtdadige roeping, geloof en bekering, ook de heerlijkmaking, Ezechiël 20:12. Hebreeën 2:11. - Maar wordt het doorgaans niet van de rechtvaardigmaking onderscheiden?
Ja, door de rechtvaardigmaking wordt de schuld, en door de heiligmaking de smet der zonde weggenomen,1 Korinthe 6:11. - Wat betekent dan dit woord in een nauwere zin?
De verdere voortzetting van het werk der genade in de wedergeborenen, gelovigen en reeds bekeerden. - Wat verstaat gij dan door de heiligmaking?
Die werking des Heiligen Geestes in de uitverkoren gerechtvaardigden en gelovigen, waardoor zij om Christus’ wil, beide naar ziel en lichaam, meer en meer van de geestelijke bezoedeling der zonden worden gereinigd en naar Gods beeld hervormd, 1 Thessalonicenzen 5:23. - Maar is zij ook niet een werk der gelovigen?
Ja, zij is ook die Godvruchtige betrachting der gelovigen, waardoor zij onder de voorkomende en meewerkende genade des Heiligen Geestes, zichzelf van de wereld, en besmetting der zonde afscheiden, en zich Gode tot Zijn eer en dienst overgeven, 2 Korinthe 6:17. - Hoe merkt gij dan de heiligmaking aan?
Beide als een werk Gods, Leviticus 20:8 en als een plicht der gelovigen, 1 Petrus 1:15. - Wie is de werkende oorzaak hiervan?
De drie-enige God, de Vader, als blijkt uit Johannes 17:17, de Zoon, Efeze 5:26, maar bijzonder de Heilige Geest, 1 Petrus 1:2. - Waartegenover staat de heiligmaking?
Tegenover de smet en verdorvenheid der zonde over de gehele mens, 2 Korinthe 7:1. - Wat behoort dan al tot de ware heiligmaking?
De verlichting des verstands, rechtheid des oordeels, en heiligheid der wil, verbetering der hartstochten, besturing der ledematen en uiterlijke zinnen naar de wil Gods, Efeze 1:17, Romeinen 12:2 en Romeinen 6:12-13. - Is de heiligmaking in dit leven volmaakt?
Neen, zij geschiedt hier maar ten dele, echter moet men ze najagen, Filippenzen 3:12. - Welke zijn de vruchten der heiligmaking?
De goede werken, Mattheüs 5:16. - Wat werken noemt gij goed?
Zulken, die uit het geloof, naar de wil Gods, tot Zijn eer gedaan worden, Romeinen 14:23, Galaten 6:16, 1 Korinthe 10:31. - Kunnen dan niet maar alleen de wedergeborenen en gelovigen goede werken doen?
Zo is het, want God werkt in hen hetgeen welbehaaglijk is voor Hem, Hebreeën 13:21. - Wat zegt gij van de werken der heidenen en onbekeerde naamchristenen?
Dat zij uit geen goede grond voortkomen, noch tot een betamelijk einde gericht worden, alzo zij de eer der mensen liever hebben als de eer Gods, Johannes 5:44. - Is de betrachting der goede werken niet nuttig en noodzakelijk tot zaligheid?
Gewisselijk, Efeze 2:10, Titus 3:8. Want in de overeenkomst van de goede werken met Gods deugden en wil, bestaat het beeld en leven Gods, zonder welke gelijkheid niemand met God kan gemeenschap hebben, Mattheüs 5:48. - Maar zijn de goede werken de oorzaak der zaligheid?
Geenzins. De verdienende oorzaak daarvan is Christus alleen, en het eeuwige leven een genadegift Gods door Hem, Romeinen 6:23. De goede werken verdienen niet, zoals Christus leert, Lukas 17:10. Maar zijn vruchten des geloofs en worden uit genade beloond, Jakobus 2:17. Genesis 15:1. - Maar kunnen de uitverkoren en geroepen heiligen door Christus verlost, niet geheel afvallen?
Die God heeft uitverkoren, die roept Hij ook tot verkrijging der heerlijkheid, 2 Thessalonicenzen 2:13-14. Romeinen 8:30. En dewijl God in Zijn oogmerk niet feilt, daarom zo kunnen zij ook niet geheel afvallen. - Maar evenwel de gelovigen zijn zwak en zondig en veel vijanden bieden hun de strijd?
Ook zoeken wij niet de grond van hun volharding in hun eigen kracht, maar die moet de kracht Gods en Zijn bewaring in de genadestaat worden toegeschreven, 1 Peter 1:5. Jeremia 32:39-40. - Waaruit blijkt dit meer?
Omdat de voldoening van Christus met de dadelijke toepassing der zaligheid onafscheidelijk gepaard gaat, Johannes 10:11 en 28. En Zijn voorbidding, gelijk ook verzegeling des Heiligen Geestes. Hebreeën 7:25. Efeze 4:30. - Maar maakt deze leer de mens niet zorgeloos?
Gans niet, want deze genade verplicht ieder gelovige tot dankbaarheid en een heilige wandel, 1 Johannes 3:3. Titus 2:14.
Gebruik - Is nu de heiligmaking gans noodzakelijk?
Zekerlijk, Hebreeën 12:14. - Zijn nu de meeste mensen dezelve wel deelachtig?
Neen, want zij betonen niet die dingen, welke tot de heiligmaking behoren. - Hoezo?
Bestaat de heiligmaking mede in afzondering, zo zijn zij dan nog onheilig, die zich de zondige wereld gelijkvormig stellen, Romeinen 12:1-2. - Waaruit blijkt dat nog verder?
Omdat de meesten denken gelijk de wereld denkt, die dingen achten en beminnen, die de wereld achten en beminnen, en daarvan liefst spreken, 1 Johannes 4:5. - Is de staat van zulken niet ellendig?
Ja, zij zijn nog onheilig en dienstknechten der zonde. De liefde Gods is niet in hen. Zij zijn nog vijanden Gods. Jakobus 4:4. - Maar zou men de wereld en God niet gelijk kunnen dienen?
Dit is onmogelijk. Niemand kan twee strijdige heren dienen, Mattheüs 6:24. 1 Johannes 2:15. Wie naar de wereld leeft, zal met de wereld veroordeeld worden. 1 Korinthe 11:32. - Maar zou men dan niet uit de wereld moeten gaan?
Neen, want daar is een gebruik en misbruik der wereld. Het gebruik der wereld, tot ere Gods, is geoorloofd en nodig tot welstand van de burgerstaat. Maar het zondig misbruik is kwaad en verboden, 1 Korinthe 7:31. - Maar evenwel moet men dus heilig en afgezonderd leven, wie zal dan zijn beroep kunnen waarnemen?
Indien het beroep wettig is en geoorloofd, en met een goede consciëntie bediend kan worden, moet elk daarin blijven, en zijn huis verzorgen. 1 Korinthe 7:20. Maar geen tijd onnuttelijk doorbrengen. Efeze 5:15-16. - Zijn nu de mensen wel vruchtbaar in goede werken?
Velen vertonen zelfs geen gedaante van goede werken, Titus 1:16. - Maar die nogal enige schijn vertonen van goede werken, kunnen die allen de proef doorstaan?
Geenszins, dewijl die veel uit eigen liefde en eer gedaan worden. - Maar was het dan niet beter dat zulken het bidden, kerkgaan, aalmoesgeven en allerlei liefdesplichten staan lieten, indien toch dit alles zondig is en niet helpen kan?
Deze werken als werken zijn goed en volgens Gods gebod altijd noodzakelijk. Maar wie ze doet, moet toezien hoe en tot wat einde hij dezelve doet. 1 Thessalonicenzen 5:18. - Wat moeten de geheiligden in zich bevinden?
Een vrijmaking van de dienstbaarheid der zonden, Johannes 8:32. Ook moeten zij Gode en Zijn dienst toegewijd zijn. - Wat doen zij meer?
Zij stellen zich God en Zijn Zoon Christus voor tot het patroon van navolging, Efeze 5:1. En Zijn heilige wil tot een regel van hun doen en laten, Romeinen 12:2. - Waaruit ontstaat al meer de verzekering van hun heiligmaking
Uit de gedurige betrachting van goede werken, waarin God verheerlijkt en hun naasten gesticht worden en het geloof en hoop levendig blijft, 1 Johannes 3:18-19. - Zijn de geheiligden ook niet verplicht tot dankzegging?
Ja, want het is zeker een uitnemende genade, dat God in hun vuil en onrein hart heeft willen nederdalen en in datzelve als Zijn tempel wonen en werken wil tot in eeuwigheid, 1 Korinthe 3:16. - Waarnaar moeten de heiligen verder begerig zijn?
Naar vermeerdering van genadegaven en zij moeten in de kracht Gods trachten voort te gaan van deugd tot deugd. Psalm 84:8. En als een verlost volk van Jezus ijverig zijn in goede werken, om alzo hun vrucht te hebben tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven, Romeinen 6:22.
17. Van het gebed
- Aangezien de mens, en zelfs de gelovigen en reeds bekeerden, onbekwaam zijn tot enig goed werk en onmachtig zich in de genade staat te bewaren, wat is derhalve onder andere plichten nodig?
Het gebed. - Waarom is dat zo noodzakelijk?
1. Omdat God de Allerhoogste zulks waardig is.
2. En ook de Schepper en Onderhouder van de mens is, van Wie al zijn geluk afhangt, Psalm 95:6. - Waarom meer?
3. Dewijl God het geboden, en als een middel verordineerd heeft, om daardoor Zijn zegen te geven en genade te werken, Psalm 50:15, Mattheüs 4:10, Ezechiël 36:37, Jeremia 29:12-13. - Wat is het gebed?
Het is een verzoek aan God, met onderwerping aan Zijn wil, in de naam van Christus gedaan en door de Heilige Geest gewrocht, om te verkrijgen wat tot het leven, de Godzaligheid en zaligheid nodig is. - Hoe wordt het gebed onderscheiden?
Ten aanzien van de verschillende gevallen en staten, in gebeden, smekingen, voorbiddingen en dankzeggingen. 1 Timotheüs 2:1. - Wie moet aangebeden worden?
Alleen de waarachtige en Drie-enige God, Mattheüs 4:8 en 10, Openbaring 19:10, 2 Korinthe 13:13. - Waarom Die alleen?
Omdat Hij alleen aanbiddelijke deugden heeft. De Allerhoogste is alwetende, almachtig, rechtvaardig en genadig, en geen bloot schepsel komt die eer toe, 1 Koningin 8:39, Efeze 3:20, Jesaja 42:8. - Wie moeten God aanbidden?
Alle mensen, dewijl niemand buiten God gelukkig kan zijn, Psalm 22:5-6, Psalm 65:3. - Wat wordt tot een recht gebed vereist?
Het moet in geest en waarheid geschieden, Johannes 4:24. - Wat behoort daartoe al?
1. Kennis, aandacht en opmerking, Prediker 5:1.
2. Geloof in de Naam van Christus Jezus, Johannes 16:24.
3. Nederigheid en eerbied, Psalm 34:18-19, Genesis 18:27. - Wat nog meer?
4. De ernst en ijver, Psalm 19:58, Jakobus 5:16.
5. aanhouden en volharden, Lukas 18:1, Romeinen 12:12, Genesis 32:26.
6. Waaruit ontstaan vertrouwen van verhoring, Hebreeën 10:19 en 22, 1 Johannes 5:14. - Welk is de grond van dit vertrouwen des gebeds?
Gods onfeilbare beloften, Numeri 23:19. Christus volkomen verdiensten en voorbidding, Johannes 14:14. - Wat moet met dit vertrouwen altijd samengaan?
Een onderwerping aan Gods wil, ten aanzien van de manier, tijd en zaak zelf, aangezien God vrij en wijs is in het uitdelen Zijner genade, Mattheüs 26:39, Jesaja 49:8. - Moet de bidder ondertussen stilzitten?
Neen, maar naarstig alle wettige middelen waarnemen, waaraan de Heere de verhoring belooft, Psalm 27:4 Micha 7:7. - Wat besluit gij hieruit?
Dewijl dit alle daden des harten zijn, dat men wel bidden kan, zonder dat het gehoord of gemerkt wordt, 1 Samuel 1:13, Nehemia 2:4. - Behoort het lichaam er dan niet toe?
Ja, ook de gedachten des harten en de zielsgestalte worden daardoor vertoond, vanwege deszelfs nauwe vereniging. - Welke lichaamshouding is dan nodig in het gebed?
Zulke waardoor meest ons ontzag, geloof en liefde wordt uitgedrukt, en die het meest tot stichting en opwekking van anderen kunnen dienen. - Noemt eens enige daarvan?
Een klare en verstaanbare stem, buiging der knieën, te staan of zich ter aarde neerwerpen, ontbloting des hoofds, uitbreiding der handen, 1 Korinthe 14:16, Psalm 95:6, Lukas 18:13, Mattheüs 26:39. 1 Korinthe 11:4, Klaagliederen 3:41. - Zijn deze houdingen altijd noodzakelijk?
Somtijds hebben ze gans geen plaats en moet elk daarin voorzichtigheid gebruiken, zich wachtende voor gemaaktheid, wat walgelijk en onstichtelijk is. - Wie is de beginner en werker des gebeds?
De Heilige Geest, Die daartoe wijsheid, lust en bekwaamheid geeft, Zacharia 12:10, Romeinen 8:26. - Om wat zaken moet men al bidden?
Om alles wat tot lichamelijk en tijdelijk onderhoud van node is, Spreuken 30:8, Mattheüs 6:11. - Waarom voornamelijk?
Om geestelijke goederen, zoals bekering, geloof, vergeving der zonden, heiligmaking, aanwas en volharding in de genade, alsook uitbreiding van Christus Koninkrijk, Mattheüs 6:9-13. - Wanneer moet men al bidden?
Op de bekwaamste tijd, gelijk ook de heiligen daartoe zekere tijden hebben afgezonderd, Psalm 55:18, Daniël 6:11. Doch bijzonder als de Geest daartoe opwekt, Romeinen 8:26. - Wat wil Paulus zeggen als hij vermaant altijd en zonder ophouden te bidden?
Dat men altijd in een biddende gestalte en bij alle gelegenheden daartoe bereid en gewillig behoorde te zijn. - Op wat plaatsen behoorde men al te bidden?
Overal waar bekwame gelegenheid is, 1 Timotheüs 2:8. Bijzonder waar Gods volk vergaderd is, Psalm 96:9. Alsook in eenzame en verborgen plaatsen, Genesis 24:63, Mattheüs 6:6.
Gebruik - Waartoe dient deze voorgestelde leer?
Tot verwondering over Gods onuitsprekelijke goedheid en liefde. dat de mens, die maar een zondig stof is, verwaardigd wordt om met de allerhoogste God in gesprek te mogen treden, Genesis 18:27. - Waartoe meer?
Om zich door het gebed gedurig aan God te gewennen en Hem in alles te kennen, Job 22:21, Spreuken 3:6. - Wie maken zich hier schuldig?
Die zelf traag en nalatig zijn in dit hoognodige werk, levende in deze als zonder God in de wereld, die ook hun kinderen en huisgenoten daartoe niet of weinig aanzetten. - Wie al meer?
Die nu en dan nogal bidden, maar daarin hun eigen behagen en voordeel zoeken, dikwijls tot nadeel van hun naasten, welk bidden meer spotten met God is, dan Hem te eren, Jakobus 4:3. - Zijn er ook nog geen anderen?
Die geen kennis hebben, niet wetende wat en wie ze aanbidden, Johannes 4:22. - Wie nog meer?
Die uit gewoonte en sleur bidden, zonder het minste ontzag en eerbied, Jesaja 29:13. - Waarin betonen zij dit?
Als men onder het bidden zijn oog heen en weer laat gaan, en aan andere dingen denkt. Of gezond zijnde, op zijn bed neerligt en in slaap valt, eer dat het gebed geëindigd is, daar men voor een aardse rechter meer eerbied toont, als men iets van dezelve verzoekt. - Ontdek nog eens een ander soort van niet rechte bidders?
hiertoe behoren ook zulken, die altijd uit boeken bidden, of formulieren van buiten op zeggen, zonder dat die met hun staat overeenkomen. - Wanneer geschiedt dat?
Als een onbekeerde bidt of dankt, wat een bekeerde en heilige past. - Wat is de reden, dat velen zo nalatig zijn, anderen gans verkeerd en kwalijk bidden?
Omdat zij geen kennis, noch indruk hebben, van Gods hoogheid en heiligheid. - Wat al meer?
Zij hebben geen gezicht noch bevinding van hun geestelijke armoede en onuitsprekelijke ellendige staat, en het grote werk der zaligheid ligt niet zwaar genoeg op hun hart. - Waaruit blijkt zulks?
Omdat zij over hun lichamelijke armoede veel gevoeliger zijn en ernstiger om hulp aanhouden als in het geestelijke. - Wat raad voor dezulken?
Dat men de Heere wel voornamelijk en allermeest bidde om wedergeboorte, geloof en bekering, Jeremia 31:18, Psalm 51:12. - Wat verder?
Dat men de Heere veel bidde, dat Hij ons leert bidden, om uit eigen bevinding en door hulp van de Heilige Geest te bidden, Judas:20. - Is dan het formulier bidden gans ongeoorloofd?
Men kan dit in het eerste als een hulpmiddel wel toelaten, als het met iemand staat overeenkomt, maar men moet allengskens zich daarvan afwenden, om uit de Geest te leren bidden. - Maar zal iemand zeggen, ik weet niet wat en hoe ik bidden zal, en ik kan geen woorden bedenken?
Het komt zozeer niet aan op de veelheid en welgeschiktheid der woorden, als men maar met een levendige overtuiging van zijn ellendige staat tot de Heere komt, al is het maar zuchtende en stamelende, of met weinig woorden, als de boetvaardige tollenaar in Lukas 18:13. - Maar evenwel wat middel is daartoe nodig?
Gods woord veel te lezen, en derzelver spreekmanieren en gebeden der heiligen, indien ze op onze staat passen, zich trachten eigen te maken. - Wat beloften hebben de rechte en ware aanroepers?
Dat hun gebeden als aangename offeranden, zekerlijk, hetzij eerder of later, zullen verhoord worden, Mattheüs 21:22, Handelingen 10:4.
18. Van het genadeverbond
- Hoe krijgen de erfgenamen van het testament der genade deel aan al deszelfs goederen die nu in het voorgaande beschreven zijn?
Door middel van een verbondsonderhandeling, waar de Heilige Schrift zo dikwijls van spreekt, Genesis 17:7, Jeremia 31:31 en 33. - Wat verstaat gij door dit verbond?
Het is een genadige, heilige, heerlijke en wel geordineerde onderhandeling van de algenoegzame God, om uit kracht van Christus' verdiensten, aan de ellendige en onmachtige zondaar te schenken, verlossing van alle kwaad en toebrenging van alle goed, onder voorwaarden van geloof en bekering, hetwelk de uitverkoren zondaar toestemt, en zich met volvaardigheid in dat verbond aan God overgeeft, alles tot verheerlijking van Gods vrije en ondoorgrondelijke genade. - Welke zijn de onderhandelende personen die dat verbond ingaan?
God en de uitverkoren zondaar. - Hoe moet God hier aangemerkt worden?
Als Drie-enig en uit dien hoofde algenoegzaam, almachtig, genadig, getrouw en onveranderlijk, doch ook als heilig en rechtvaardig, Exodus 34:6-7, 1 Johannes 1:9. - Hoe de zondaar?
Als zondig, verdoemelijk en onmachtig om zichzelf te redden, Ezechiël 16:3-5. - Wat belooft God in dit verbond aan de uitverkoren zondaar?
Verlossing van alle kwaad der zonde, de vloek der wet, geweld des satans en eeuwige verdoemenis, Jeremia 31:11, Galaten 3:13, Romeinen 8:1. - Wat nog meer?
De toebrenging van alle goed, zoals vrede, vrijheid, vriendschap, heiligmaking, bewaring en eeuwige zaligheid, Jesaja 54:13, Ezechiël 36:26-27. - Welke zijn de voorwaarden die God van de zondaar eist?
Geloof en bekering, Markus 1:15, Handelingen 2:38. - Maar de zondaar is dood in zonden en daarom onmachtig te geloven en zich te bekeren?
Dat is zo. Doch deze beiden worden oneigenlijke voorwaarden genoemd, omdat ze als noodzakelijke middelen, en tevoren vereiste hoedanigheden zijn, die God eerst door Geest en genade in de zondaar wil en moet werken, Ezechiël 36:26-27, Johannes 3:36, Romeinen 10:9. - Wanneer en hoe gaat de zondaar met God in dit verbond over?
Als hij na verbreking van zijn verbond met satan, wereld, zonde en verzaking van alle eigen gerechtigheid, zich in geloof, door een ongeveinsde bekering aan God en Christus overgeeft om Zijn eigendom te zijn,2 Kronieken 30:8, Jesaja 44:5. - Wat vloeit hieruit?
Het recht om in de vraag van een goede consciëntie, volgens Gods beloften, al de verbondsgoederen van de Heere af te eisen. - Waarop rust dat recht?
Op Christus, Die de Borg en Middelaar van dit verbond is, Hebreeën 7:22 en Hebreeën 8:6. - Welke zijn de eigenschappen van dit verbond?
Het is een verbond der genade, dewijl hier alles uit Gods vrije genade voortvloeit, Efeze 2:8-9. - Welke meer?
Het is een heerlijk verbond, dewijl de heerlijke God hierin heerlijke goederen belooft, en de uitverkoren zondaar door deze weg tot de eeuwige heerlijkheid inleidt, Hebreeën 2:10. - Is het ook niet een heilig verbond?
Ja toch, dewijl alles hier toegaat met betoning van Gods heiligheid, Lukas 1:72. - Blinkt er Gods vrijheid ook niet in uit en Zijn wijsheid?
Zekerlijk, aangezien het begin, midden en einde in een zeer nette orde geschikt en samen geschakeld zijn, 2 Samuel 23:5. - Noemt nog een eigenschap?
Het is ook onveranderlijk, Jesaja 54:10. - Zijn dan al deze volmaaktheden Gods niet het einde, welke Hij in dit verbond beoogd heeft?
Ja. Efeze 1:5-6, en Efeze 3:10-11, Romeinen 9:23. - Zijn de gelovigen van alle tijden in dit verbond geweest?
Ja, zowel de gelovigen die onder die belofte, en wet geleefd hebben, als die onder het Nieuwe Testament leven, Hebreeën 13:8. - Maar is het echter niet op verscheiden wijze bedeeld geworden?
Ja, omdat de Heere besloten had Zijn kerk door meer als een huishouding te leiden en te besturen. Hetwelk breder kan nagezien worden in de ‘Schets der Goddelijke Waarheden’ van de heer D’ Outrein, hoofdstuk 14, 15, 16, 17.
Gebruik - Is het niet nuttig en nodig dat elk tracht in dit verbond over te gaan?
Zekerlijk, dewijl ons hoogste geluk hiervan afhangt. - Vindt men echter niet velen die terug blijven?
Ja, de meeste mensen zijn van de verbonden der beloften vervreemd, Efeze 2:12. - Waaruit blijkt dat?
Omdat zij nog nooit in een dadelijke onderhandeling voor zichzelf, in het bijzonder met de God des verbonds zijn geweest. - Waaruit al meer?
Omdat de Borg van dit verbond nog nooit in Zijn dierbaarheid hen recht in het oog gekomen is. - Zien zij ook wel de noodzakelijkheid om in zulk een verbond te moeten zijn en hun verloren staat buiten hetzelve?
Neen, dat is hen nog nooit onder een inwendige overtuiging op het hart gezonken. - Is er meer bewijs?
Hun verbond met de wereld, zonde en satan hebben zij nooit verbroken. - Blijkt het ook uit hun wandel?
Ja, die is verre van God, onheilig, aards en ijdel en zonder enig levendig merkteken van een bondeling. - Is dit niet een beklaaglijke en ellendige staat?
Zekerlijk. Zulken zijn nog onder het verbond der werken, dat niet als vloek en verdoemenis over hen uitspreekt, Deuteronomium 27:26, Galaten 3:10. - Hoe zoudt gij dan de zodanigen opwekken om in het genadeverbond over te gaan?
Dat zij dikwijls overwegen de rampzalige staat buiten dit verbond. - Hoe meer?
Door veel te overdenken de heerlijke goederen van dit verbond en de algenoegzaamheid en de bereidwilligheid van de Borg om de ellendigen aan te nemen. - Wat nog, eindelijk?
Dit behoorde de zondaar ook te bewegen, dat hij boven zoveel duizend anderen alsnog gelokt en op het vriendelijkste daartoe genodigd wordt, Jesaja 45:22, Mattheüs 11:28. - Doch wat raad voor een bekommerde ziel, die vanwege zijn geringheid en nietigheid met zulk een hoge Koning niet in het verbond durft te komen?
Zulk een heeft te denken dat de Persoon niet kleiner of geringer moest zijn, of Hij kon geen Verbondsgod van de zondaar zijn. - Hoe toont gij dit met een gelijkenis?
Zulk een zou iemand gelijk zijn, die, in het gevaar zijnde van in het water te verdrinken, een koning welke hem de hand toereikte, zou weigeren aan te grijpen, omdat de persoon hem al te aanzienlijk was. - Maar zou dit iemand niet verhinderen kunnen dat hij te vuil, zondig en walgelijk is, om met zulk een heilige God in onderhandeling te komen?
O neen, dit moet de zondaar te meer dringen om gereinigd te worden, en dan geeft hij aan Gods genadeverbond de meeste eer. - Hoe zal zulk een het maken, die klaagt dat hij niet gevoelig genoeg, verbrijzeld, vermoeid, hongerig en dorstig is?
Een mindere of meerdere trap van verbrijzeling, als zij maar oprecht is, moet iemand ooit verhinderen, en dit te zien, te gevoelen, is zelfs een bewijs van honger en vermoeidheid. - Maar wat zoudt gij iemand antwoorden die vreest dat hij te lang gewacht, en tegen zoveel overtuigingen en nodigingen gezondigd heeft, en dat het daarom te laat zal zijn?
Dit moet hem te meer doen haasten, eer het te laat wordt. De genadedeur is nooit gesloten, Jezus hart is altijd open, Zijn handen zijn uitgebreid, als het de zondaar maar ernst is, Johannes 6:37. - Wat staat eindelijk Gods bondelingen betrachten, die nu dadelijk in het verbond zijn overgegaan?
Zich in verwondering te verliezen, dat de Algenoegzame met hen (zulke geringe maden en nietige aardwormen) in een verbond heeft willen treden, 2 Samuël 23:5. - Wat meer?
Hun geluk in dezen te roemen, en met gevoelige dankbaarheid nederig te erkennen, Genesis 32:10, 2 Samuël 7:18 en 21. - Is er nog iets?
Zij hebben ook zorg te dragen dat hart en mond, die eens aan God gezworen hebben, nooit van dat verbond wederom trouweloos bevonden worde, Psalm 44:18 en Psalm 119:106. - Wat ten laatste?
Het verbond dikwijls en dagelijks met God te vernieuwen, dewijl daarin hun geestelijk voedsel is, om zich al nauwer met God en Christus te verenigen. - Is hier ook niet de springbron van alle troost, in leven en in sterven?
O ja! Daar is geen grotere troost, als de Algenoegzame tot zijn Zon, Schild, Loon, Schat, en Deel tot in eeuwigheid te hebben, Psalm 33:12.
19. Van Christus' komst in het vlees, Zijn Persoon en naturen
- Wanneer neemt de bedeling van het Nieuwe Testament zijn aanvang?
Met de komst van Christus in het vlees. - Wanneer is Christus gekomen?
In de volheid des tijds, Galaten 4:4. - Hoe zoudt gij bewijzen dat Jezus van Nazareth de ware Messias is?
Omdat alles wat van de Messias voorzegd was, ook in Hem vervuld is. - Welke voorzeggingen van de Messias zijn derhalve in Hem bewaarheid?
Dat Hij uit een maagd geboren moest worden, Jesaja 7:14; uit de stam van Juda en het geslacht Davids, Jeremia 23:5, Jesaja 11:1; te Bethlehem, Micha 5:1; en wel als de scepter en wetgeving nog niet geweken was, Genesis 49:10; terwijl de tweede tempel nog in wezen was, Haggai 2:10, vergeleken met Mattheüs 1, Lukas 3, Hebreeën 7:14. - Maar welke zijn de voornaamste bewijzen?
Die ontleend worden van de namen van de Messias, Jesaja 9:5; deszelfs Persoon, Jeremia 23:6; Goddelijke leer, Deuteronomium 18:18; wonderwerken, Jesaja 35:5-6; het ganse werk der verlossing met deszelfs vruchten en uitwerkingen, Jesaja 45:25. - Is dit alles in Christus vervuld?
Ja, zoals blijkt aangaande Zijn Naam en Persoon uit Mattheüs 1:21; Zijn leer, Mattheüs 7:29; Zijn wonderwerken, Mattheüs 11:5; Zijn verlossing, 1 Korinthe 1:30, Hebreeën 10:14. - Maar heeft men geen reden om zich te ergeren aan Zijn lijden en kruisdood?
Geenszins, hierdoor wordt te meer bevestigd Zijn Messiasschap, ziet Psalm 2:2, Jesaja 53, vergeleken met Lukas 24:26. - Wat neemt dan geheel weg de ergernis van Zijn kruis?
Zijn opstanding en daarop volgende heerlijkheid, Psalm 110:7 en Psalm 16:10-11, vergeleken met Mattheüs 28 en Handelingen 1. - Wat zoudt gij uit alle deze besluiten?
dat Jezus van Nazareth de ware Messias is. - Hoedanig een Persoon is dan deze Christus?
God en mens in één Persoon, Johannes 1:14, 1 Timotheüs 3:16. - Hoe is Hij mens geworden?
Hij is ontvangen door de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria, Lukas 1:35. - Hoedanig is Zijn menselijke natuur?
Waarachtig, onbesmet en heilig, Hebreeën 2:14 en Hebreeën 7:26. - Bewijs verder Zijn twee naturen in eenheid des Persoons?
Duidelijk wordt het geleerd, Filippenzen 2:6-7. - Waaruit blijkt zulks nog meer?
Omdat zulke dingen, die Christus toegeëigend worden, in geen één en dezelfde natuur plaats kon hebben. - Wijst dit klaarder aan?
Dan wordt van Hem getuigd dat Hij eeuwig is, dan weer dat Hij is geboren in de tijd, Johannes 1:1, Galaten 4:4, enzovoort, welke tegenstrijdigheden niet kunnen overeengebracht worden in één en dezelfde natuur. - Hoedanig is dan de vereniging?
Onvermengd, onveranderlijk en onafscheidelijk. - Wat vloeit uit deze vereniging?
Dat sommige dingen de gehele persoon worden toegeëigend, die maar alleen van een natuur verstaan kunnen worden, Handelingen 20:28, 1 Johannes 1:7. - Is dit ook niet onder de mensen gebruikelijk?
Ja. Dus zegt men dat de mens heeft gegeten, gedronken en gestorven is, hetwelk alleen van het lichaam moet verstaan worden, en zo in tegendeel de mens denkt, oordeelt, enzovoort, dat op de ziel alleen betrekking heeft.
Gebruik - Is dit niet een groot voorrecht voor de kerk des Nieuwe Testaments dat de Messias alrede geboren is?
Ja, want nu ziet men in Christus vervuld, waarnaar zo lang onder het Oude Testament reikhalzend is uitgezien, Lukas 10:24. - Wat voorrechten zijn er meer?
Nu is de middelmuur des afscheidsels gebroken, en de deur der hoop voor de heidenen geopend, Haggai 2:8, Efeze 2:13-14. Nu wordt de leer klaarder voorgesteld, en de gaven des Geestes overvloediger uitgestort, 1 Johannes 2:20 en 27, Johannes 7:38-39. - Ligt in deze geboorte ook niet de enige grondslag van zaligheid?
Gewisselijk, 1 Timotheüs 1:15. - Waartoe moet u deze menswording meer opleiden?
Tot verheffing van de liefde des Vaders en des Zoons, welke in deze uitblinkt, Johannes 3:16. 1 Johannes 4:9. - Is Christus nu voor alle mensen in de wereld gekomen?
Neen, maar alleen voor Zijn volk, Mattheüs 1:21. Johannes 17:9. - Wie zijn die?
In welke Christus door de Geest ontvangen en geboren wordt, en die Hem met de armen des geloofs omhelzen, en Zijn beeld in hun leven en wandel vertonen, Galaten 4:19. - Wat troost is er nu voor zulken die dat bevinden?
Ze hebben reden met Maria, de herders en Simeon, verblijd te zijn, en God te verheerlijken, Lukas 1 en 2.
20. Van de namen en ambten des Middelaar
- Welke zijn de bijzondere namen van de Middelaar?
Jezus Christus. - Van wat oorsprong is de naam Jezus en wat betekent ze?
Zij is van een Hebreeuwse afkomst en betekent een Zaligmaker. - Waarom draagt Hij deze naam?
Omdat Hij Zijn volk zalig maakt van hun zonden, Mattheüs 1:21. - Was dit ook niet van Hem voorzegt?
Ja, Hosea 1:7. - Is Hij een Zaligmaker van alle mensen?
Neen, maar alleen van Zijn volk, welke de uitverkorenen en gelovigen uit joden en heidenen zijn. - Welke is Jezus toenaam en wat betekent ze?
Christus (zijnde een Grieks woord) en komt in betekenis overeen met Messias, zeggende zoveel als een gezalfde, Johannes 1:42. - Wie werden eigenlijk met welriekende olie gezalfd?
Onder het oude testament de profeten, hogepriesters en koningen. - Is Jezus ook dus gezalfd?
Neen. - Wat geeft de zalving in Jezus te kennen?
I. Dat God de Vader Hem van eeuwigheid verordineerd heeft, om de Middelaar, en de Borg der uitverkorenen te zijn, Spreuken 8:22-23.
II. Dat Hij Zijn Zoon naar de menselijke natuur in de tijd met de Heilige Geest heeft bekwaam gemaakt tot het werk der verlossing, Mattheüs 3:16, Johannes 3:34.
III. Hetwelk door de zalfolie afgebeeld werd. - Waartoe is Hij gezalfd?
Tot het profetische, hogepriesterlijke en koninklijke ambt. - Bewijs dat Hij tot een profeet gezalfd is?
Jesaja 61:1-2 vergeleken met Lukas 4:18, Deuteronomium 18:15-18. - Wat heeft Jezus als Profeet gedaan?
Gods raad en wil de mensen geopenbaard, Johannes 1:18 en Johannes 17:6. Met macht en gezag geleerd, Mattheüs 7:28-29. Zijn leer met wonderwerken bevestigd, Mattheüs 12:28. En toekomende zaken voorzegt, Mattheüs 24 en 25. - Waar wordt Jezus hogepriester genoemd?
Psalm 110:4, Hebreeën 2:17 en Hebreeën 4:15. - Wat heeft Hij als Hogepriester verricht?
Hij heeft Zichzelf aan de dood opgeofferd voor Zijn volk, Efeze 5:2, Hebreeën 9:14. - Wat meer?
Voor de Zijnen gebeden, Johannes 17:9, Romeinen 8:34. En ook Zijn volk gezegend, Lukas 24:50. - Is Hij ook koning?
Ja, Psalm 2:6, Johannes 18:36. - Wat doet Jezus als Koning?
Hij vergadert Zich een gemeente uit de wereld, welke Hij ook volgens zekere wetten regeert, tegen Zijn vijanden beschermd, en eindelijk ook beloond, met Psalm 110:1-2, Johannes 10:16 en 28, Openbaring 2:23. - Van hoedanige aard en natuur is Jezus’ Koninkrijk?
Geestelijk en hemels, Romeinen 14:17, Mattheüs 3:2, Johannes 18:36. - Wie zijn de onderdanen van dit Koninkrijk?
Al de uitverkoren en geroepen heiligen zijn des Konings vrijwillig volk, Psalm 110:3, en 1 Petrus 2:9. - Hoe en op wat wijze regeert Hij ze?
Door Zijn Woord en Geest, Jesaja 59:20-21. - Wanneer heeft de Vader Hem tot deze ambten ingehuldigd?
I. In Zijn menswording, Johannes 10:36.
II. In Zijn doop, Mattheüs 3:17.
III. In Zijn hemelvaart en zitten aan Gods rechterhand, Hebreeën 1:3. Hebreeën 8:1. - Oefent Jezus deze ambten nog niet?
Ja, Hebreeën 13:8.
Gebruik - Is de kennis en het geloof van deze ambten niet noodzakelijk tot zaligheid?
Ja, want dat Jezus is de Christus, is de korte inhoud van het ganse Evangelie, Johannes 20:31. - Wat staat elk dan te betrachten?
Zich te onderzoeken of hij al deel aan deze Christus heeft. - Waaraan zal men dit weten?
Of men Hem als de hoogste Profeet en Zijn leer als Goddelijk aanneemt, om Zijn geboden en lessen te bewaren en Hem daarin te gehoorzamen, Mattheüs 16:15-16, Johannes 10:27. - Waaraan meer?
Als men met verzaking van alle eigengerechtigheid, tot Hem als Hogepriester zijn toevlucht neemt en in Zijn bloedstorting en voorbidding, de vrede en verzoening met God zoekt, Filippenzen 3:7- 9. - Wat nog?
Dat men Hem voor zijn Koning erkenne, en als zodanig naar al Zijn geboden door Zijn Geest zich laat leiden en besturen, onder Zijn banier wettig strijde en Zijn rijk uitbreide, Psalm 110:3, 2 Timotheüs 2:5. - Tot welker overtuiging moet dit dan dienen?
Van al dezulken die deze Profeet niet kennen, erkennen, en Zijn leer weigeren aan te nemen, Johannes 5:40. - Beminnen zij en willen zij Hem ook wel als Hogepriester
Wel om de straf der zonden te ontgaan, maar niet om in Zijn gerechtigheid te berusten, dewijl zij hun eigen burgerlijke gerechtigheid en uitwendige godsdienstigheid tot een grond van zaligheid leggen, Romeinen 10:3-4, Mattheüs 5:20. - Merken zij Hem ook wel aan als hun Koning?
Neen, dewijl zij de satan, wereld en hun eigen begeerlijkheden dienen, en het juk van Christus als te nauw en lastig afschudden, Lukas 19:14. - Zal het einde van dezen niet ramzalig zijn?
Zekerlijk, zo zij niet naar Christus’ stem horen, Zijn aangeboden genade omhelzen en Zijn scepter kussen, Spreuken 1:24-26, Psalm 2:12. - Welke zijn dan de plichten dergenen die de zaligheid van Christus deelachtig zijn?
Dat zij aandachtig naar Zijn leer luisteren, en de wet uit Zijn mond ontvangen, Spreuken 8:34, Job 22:22. - Wat al meer?
Dat zij dagelijks opnieuw, na begane struikelingen, in Christus’ zoenbloed en voorbidding, de vrede en verzoening zoeken, 1 Johannes 2:1. - Hoe moeten zij zich omtrent Hem als Koning gedragen?
Met verloochening van eigen wil, in alles Hem ten dienste staan, 1 Samuël 3:10, Psalm 45:11-12. - En wat eindelijk?
Dewijl zij ook naar hun mate Christus’ zalving deelachtig zijn, zo moeten zij zichzelf ook vertonen als geestelijke profeten, priesters en koningen. - Waarin moeten zij zich als profeten gedragen?
Van de Heere geleerd zijnde, moeten zij ook anderen zoeken te onderwijzen in de weg der waarheid, door leer en leven. Kolossenzen 3:16. - Waarin als priesters?
De kalveren en varren hunner lippen, Gode opdragen, het reukwerk van hun gebeden en dankzeggingen op het gouden altaar van Christus aansteken, en zichzelf stellen tot offeranden voor de Heere. Hebreeën 13:15, 1 Petrus 2:5, Romeinen 12:1. - En hoe eindelijk als koningen?
Hun vlees, de wereld en satan bestrijden, door het geloof overwinnen, en zo met Christus heersen. Kolossenzen 3:5, Openbaring 3:21.
21. Van Christus' staten
- In wat staten heeft de Middelaar Zijn ambten bekleed?
In de staat der vernedering en verhoging. Psalm 16:10-11, waar de Messias spreekt tot Zijn Vader. Filippenzen 2:7-11. - Hoeveel trappen merkt gij aan in de staat der vernedering?
Christus’ lijden in het algemeen, Zijn dood en begrafenis. - Wat behoort tot Zijn lijden in het algemeen?
I. De ontvangenis in de maagd Maria door de bovennatuurlijke werking des Heiligen Geestes, Jesaja 7:14, vergeleken met Lukas 1:35.
II. De natuurlijke geboorte in een arme en geringe staat, Lukas 2:7. - Wat al meer?
De pijnlijke besnijdenis, Zijn arm leven en omsukkelingen, de lasteringen en vervolgingen der vijanden, bijzonder dat overgrote lijden in Gethsémané en onder Pontius Pilatus tot op Golgotha toe, Lukas 2:21, Mattheüs 8:20, en hoofdstuk 26 en 27. - Wat heeft Christus’ lijden vergroot?
Het gevoel van Gods toorn en Zijn strijd met de satan. - Hoe merkt gij de Zoon aan in dit lijden, bijzonder als Hij gezegd wordt des Vaders toorn gedragen te hebben?
De Vader als Rechter, en de Zoon als Borg voor de zonden der uitverkorenen, Jesaja 53:5 en 7. - Wat merkt gij aan uit het gezegde?
Dat Christus niet alleen in het lichaam, maar bijzonder in de ziel geleden heeft (welke met recht een nederdalen ter helle kan genoemd worden) Mattheüs 26:38 en Mattheüs 27:46, Psalm 110:3. - Is Hij dan niet naar de ziel in de hel geweest?
Neen, maar in de hemel, Lukas 23:43. - Wat heeft Hij eindelijk geleden?
De dood des kruises, Filippenzen 2:8. - Waarom deze dood?
Omdat zij de verachtelijkste en pijnlijkste en tegelijk een vervloekte dood was, Psalm 22:17, Deuteronomium 21:23, Galaten 3:13. - Wat volgt hierop?
Zijn begrafenis, Mattheüs 27:60. - Tot wat einde is Hij begraven?
Om te tonen de zekerheid van Zijn dood en opstanding, en opdat Hij zo de vloek van de aarde, en de schrik van het graf voor de Zijnen zou wegnemen. - Waarom heeft Jezus dit alles geleden?
Niet alleen om Zijn leer te bevestigen, en de Zijnen een voorbeeld van lijdzaamheid te geven, maar bijzonder om in hun plaats aan Gods gerechtigheid te voldoen, 2 Korinthe 5:14,15,21. Mattheüs 20:28, Jesaja 53:6 en 11. - Tot wat natuur behoort dit lijden?
Tot de menselijke, dewijl de Godheid niet lijden kan. - Hoe wordt het de Zone Gods toegeëigend?
Oneigenlijk, wegens de nauwe vereniging met de menselijke natuur, waarin Hij dikwijls de stralen van Zijn Goddelijke luister verborgen heeft, Johannes 17:5. - Heeft de Goddelijke natuur er dan niets toegedaan?
Zij heeft de menselijke natuur in het lijden ondersteund, en een oneindige waardigheid aan hetzelve toegebracht, Hebreeën 9:14. - Wat volgt op Christus’ staat der vernedering?
Zijn staat der verhoging, 1 Petrus 1:11, Psalm 8:9. - Wat trappen komen daarin voor, langs welke Hij verheerlijkt is?
Zijn opstanding, hemelvaart en zitten te rechterhand Gods. - Was de opstanding ook noodzakelijk?
Ja, dewijl zij voorzegd was, Psalm 16:10, Psalm 110:4, Jesaja 33:8 en 10. - Waarom meer?
Omdat zij afgebeeld was, zoals in de verlossing van Isaak, Jozef en Jona, door Aarons’ bloeiende staf, de beweging van de garven der eerstelingen, etc. Numeri 17:8, Leviticus 23:10-11. - Is er meer reden?
Daardoor moest blijken of Hij de vijanden had overwonnen, of dat zij over Hem hadden getriomfeerd. - Is Hij al waarlijk opgestaan?
Hiervan zijn getuigen: God Zelf, engelen en heilige mensen, Mattheüs 28 en Christus’ menigvuldige verschijningen, Lukas 24:30-31. Johannes 20 en 21, 1 Korinthe 15:4-6. - Door wat kracht is Hij opgestaan?
Door Zijn eigen en door des Vaders kracht., waarom het dan een opstanding, en dan een opwekking wordt genoemd, Romeinen 1:4, Efeze 1:20. - Wanneer is Hij opgestaan?
Op de derde dag, Mattheüs 12:40. - Hoelang is Christus op de aarde gebleven?
Veertig dagen, na welke Hij ten hemel is gevaren, Handelingen 1:3 en 10. - Was de hemelvaart van Christus ook noodzakelijk?
Ja, dewijl zij voorzegd was, Psalm 47:6, Psalm 68:19. - Waarom meer?
Omdat zij tevoren was afgebeeld in de opneming van Henoch en Elia, Genesis 5:24, 2 Koningen 2:11. Door het ingaan van de hogepriester in het heilige der heiligen, Hebreeën 9:7, 11 en 12. - Waaruit blijkt de waarheid van Zijn hemelvaart?
Uit het getuigenis van God Zelf, de heilige engelen en mensen, Handelingen 1:9 en 11, en Jezus’ eigen wonderwerken, Handelingen 2, 3, 6 en 9, en uit de gaven van Zijn Geest, Johannes 16:14. - Door wiens kracht is dat geschiedt?
Zowel door Zijn, als des Vaders kracht, waarom het dan een opvaren en dan een opnemen genoemd wordt. - Tot wat einde is Hij opgevaren?
Om bezit van Zijn heerlijkheid te nemen, uitgedrukt door het zitten aan des Vaders rechterhand, Psalm 110:1, Hebreeën 1:3. - Waarvan is deze spreekwijze ontleend?
Van de wijze der koningen, dewelke de naaste aan de kroon, en de meest bij hen in ere, aan hun rechterhand op de troon plegen te plaatsen, om zo deelgenoten van hun heerschappij te zijn, 1 Koningen 2:19. - Wat verstaat gij door Christus’ zitten aan Gods rechterhand?
Dat Hij in de hemel van de volmaakten geëerd en gediend wordt, dat Hij op aarde als Koning Zijn onderdanen regeert en in het midden van Zijn vijanden heerst, Filippenzen 2:9-10, Efeze 1:20, 1 Korinthe 15:25. - Tot wat natuur behoort deze heerlijke staat?
Eigenlijk tot de menselijke, omdat in de Goddelijke geen minder nog meerder verheerlijking kan plaatshebben.
Gebruik - Is er ook iets in deze voorgestelde leer tot nader onderrichting aan te merken?
Zeer veel, want aan de ene zijde zien wij in Christus’ lijden het grote kwaad der zonden, en aan de andere zijde Gods rechtvaardigheid. - Hoe vloeit zo het een als het ander hieruit?
Op deze wijze: indien de zone Gods Zelf zulk een bitter lijden om de zonden van de Zijnen heeft moeten ondergaan, zo volgt hieruit, dat de zonde een schrikkelijk kwaad is en dat God heilig en rechtvaardig is, Romeinen 3:25. - Tot wiens overtuiging dient zulks?
Dergenen die zich zo licht paaien met Gods barmhartigheid, zonder dat zij in Christus’ leven en met Hem verenigd zijn. - Hoe zoudt gij dit nog krachtiger aandringen tot overtuiging van de zodanigen?
Dat het voor hen vreselijk zal zijn te vallen in de handen des levenden Gods, Hebreeën 10:31, Lukas 23:31. - Welke zal dit allermeest treffen?
Die nog bij alle gelegenheid Christus Jezus in Zijn waarheid, en in de gelovigen Zijn leden, vervolgen, kruisigen en doorsteken, als zij dezelve verachten, lasteren en smaadheden aandoen, Hebreeën 10:29, Zacharia 2:8, Handelingen 9:4. - Ligt in het lijden van Christus niet veel tot onderrichting der gelovigen?
Ja, want hier blinkt uit de overgrote liefde des Vaders, Die aan hen Zijn Zoon gegeven heeft, en van de Zoon Die vrijwillig zoveel voor hen geleden heeft, Johannes 3:16, Psalm 40:8-9. - Wat troost vloeit hieruit voort voor dezelve?
Dat Christus van de hemel op de aarde is neergekomen, om ze van arm rijk, van schuldig onschuldig, van de dood levend, en van hellerwichten, hemelingen te maken, 2 Korinthe 8:9, Johannes 10:10. - Waartoe moest hen dit bewerken?
Tot verwondering, dankbaarheid en wederliefde. - Hoe kan dit lijden worden aangemerkt tot een drang van wederliefde?
Als men in geloof overweegt:
1. De Persoon wie lijdt.
2. Wat Hij lijdt.
3. Hoe en waarom Hij lijdt.
4. Voor wie Hij lijdt.
5. En van wie Hij lijdt.
6. En tot wat einde Hij lijdt. - Waarin moeten de verlosten des Heeren hun wederliefde betonen?
Dat zij Hem in nederigheid en zachtmoedigheid, met onderwerping aan Gods wil in lijden navolgen, 1 Petrus 2:21. - Wanneer geschiedt dit?
Als zij uit liefde voor Jezus, Zijn volk en Zijn waarheid, schade, verachting en verdrukking, ja, zelfs de dood ondergaan, Hebreeën 10:34, Johannes 15:19, Openbaring 2:10. - Maar hoe kan nu nog het lijden plaatshebben in de gelovigen, daar Christus voor hen geleden en de vijanden overwonnen heeft?
Hun lijden is geen voldoening, nog eigenlijk een straf, maar is tot hun beproeving en verbetering en ten bewijze dat zij waarlijk Christus’ leden zijn. Hebreeën 12:11, Kolossenzen 1:24. - Waarin moet deze liefde nog meer betoond worden?
In de oude mens, de zonde en wereld te bestrijden, kruisigen en te doden, Romeinen 6:6. Kolossenzen 3:5. - Wat merkt gij aan uit de staat van Christus’ verhoging?
Dat het de grondslag is van alle vertroosting en roem der gelovigen, dewijl zij dus in en met Hem verhoogd zijn en nog zullen verheerlijkt worden, Efeze 2:6. - Toont dit eens ten aanzien van de opstanding?
Hierin is de zekerheid van hun rechtvaardigmaking, Romeinen 4:25, heiligmaking, Romeinen 6:4- 5, zalige opstanding en heerlijkmaking, 1 Korinthe 15:17-18, 1 Thessalonicenzen 4:14. - Wat nuttigheid vloeit uit Zijn hemelvaart en zitten ter rechterhand voor de gunstgenoten Gods?
Dat Hij hen de weg naar de hemel heeft geopend, Johannes 14:2, Hebreeën 6:20, 1 Johannes 2:1. - Is er meer?
Van daar stort Hij rijkelijk de Geest uit, Johannes 7:39. En ze hebben de belofte dat zij van nu aan met Hem zullen gekroond en de vijanden overwonnen worden, Openbaring 3:21. - Zijn deze nuttigheden voor elk en eenieder?
Nee, alleen voor de zodanigen, die nu ook door Christus’ kracht uit de zondestaat opstaan, in Gods Koninkrijk zoeken in te gaan, Romeinen 6:4, Handelingen 14:22. - Wat is nu de plicht der gelovigen?
Dat zij nu ook Christus in hun hart ontvangen en daar op de troon zetten. - Wat nog meer?
Zij moeten Hem in overdenking, geloof en gebeden in de hemel navolgen, Kolossenzen 3:1, Filippenzen 3:20. - Wat eindelijk?
Nu Christus het Hoofd dus verheerlijkt is, moeten zij trachten verheerlijk te worden in heiligheid en deugd, Psalm 110:3.
22. Van de kerk
- Wie zijn degenen aan welke de weldaden des genadeverbonds geschonken worden?
Die tot de kerk behoren. - Wat verstaat gij door de kerk?
De ganse menigte der uitverkorenen, die aan Christus tot Zijn eigendom toegezegd, en door Zijn bloed gekocht zijn, welke in der tijd door Zijn Woord geroepen worden, in Hem geloven, en dus waarlijk in de Geest met hem verenigd zijn. - Behoren dan alle uiterlijke belijders, kerk- en avondmaalgangers niet door de kerk?
Neen, geen anderen dan de ware gelovigen, die leden zijn van Christus’ geestelijk en verborgen lichaam, Openbaring 11:1-2. - Hoe wordt deze kerk genoemd?
Zijn gemeente, Jeremia 30:20, Mattheüs 16:18. Zijn eigendom en verkregen volk, Titus 2:13. Zijn schapen en kudde, Johannes 10:16. - Welke zijn deszelfs eigenschappen?
Die zijn verscheiden. Zij is één, makende één lichaam uit, Efeze 4:4-5 - Waar zijn de leden van dit lichaam?
Zij zijn, of strijdende op aarde, of verheerlijkt in de hemel, Efeze 1:10. - Is de kerk ook niet algemeen?
Ja, zij bevat al de uitverkoren en geroepen heiligen van het begin des werelds tot deszelfs voleinding toe, Hebreeën 12:23. - Wat is de kerk al meer eigen?
Zij is heilig, dat is, van de wereld afgezonderd, Gode en Zijn dienst toegewijd, 1 Korinthe 6:2, 1 Petrus 2:9. - Wat al verder?
Zij is onzichtbaar ten aanzien van haar inwendige en verborgen gestalte des harten, welke eigenlijk de ware kerk uitmaakt, 1 Petrus 3:4. - Vertoont zij zich in zeker opzicht ook niet zichtbaar?
Ja, door de belijdenis des geloofs, versierd met een heilige wandel en het gebruik van de heilige bondszegelen, Romeinen 10:10, Mattheüs 5:14. - Is de kerk ook christelijk?
Ja, want zij heeft Christus tot haar Voorbeeld in haar leer en leven. Zij is Zijn Lichaam en wast in Hem als haar Hoofd op, door de toebrenging van de gaven Zijns Geestes, Kolossenzen 1:18, Efeze 4:15-16. - Waardoor roept en vergadert God Zijn kerk?
Uitwendig door Zijn Woord, en inwendig door Zijn Geest, welke beide onafscheidelijk gepaard gaan, Jesaja 59:21, Handelingen 2:41 en 47. - Waardoor worden de leden van de kerk met Christus, en onder elkaar verenigd tot één lichaam?
Door geloof en liefde, Handelingen 4:32, Kolossenzen 3:14. - Wie is het hoofd van deze kerk?
Christus alleen, Efeze 1:22. - Wat brengt ons deze benaming van het hoofd te binnen?
1. De nauwste vereniging tussen Christus en Zijn gemeente,
2. De waardigheid van Christus boven Zijn gemeente,
3. Zijn gezag over die en haar afhankelijkheid van Hem. - Onder hoedanig een vergadering moet men de leden van de ware kerk zoeken?
Onder zulk een daar men de kentekenen van de ware kerk vindt. - Welke zijn die?
De zuiverheid van de leer, overeenkomstig met Gods Woord, een heilige wandel, waardig het Evangelie, het gebruik der sacramenten naar de eerste instelling van Christus, en de oefening van de kerkelijke tucht, Jesaja 8:20, Filippenzen 1:27, 1 Korinthe 9:23 en 27, Mattheüs 18:15-17, 1 Korinthe 5:11-13. - Onder wat kerkvergadering worden deze kentekenen gevonden?
Onder die van de gereformeerde kerk, waaronder dezelve meest en klaarst bevonden worden. - Welke zijn de dienende leden van de kerk?
Die zijn, of ordinair of, extraordinair. - Welke zijn de ordinaire?
Die waren, onder de belofte de vaderen der huisgezinnen, onder de wet de priesters en leraars, onder de wet de priesters en levieten, en onder het Nieuwe Testament de leraars en ouderlingen, die ook opzieners en herders genoemd worden, Handelingen 20:17,28. - Welke de extraordinaire?
De profeten nu en dan onder het Oude Testament, de evangelisten en apostelen onder het Nieuwe Testament. - Welke zijn de onderdienaars der kerk?
De diaconen en voorlezers of voorzangers. - Hoedanig moeten de leraars gesteld zijn, indien zij recht in Gods huis verkeren zullen?
Zij moeten boven de uitwendige geleerdheid en gaven, van de Heere inwendig geleerd, en door Zijn Geest verlicht zijn, om anderen in deftigheid der gezonde leer, en heiligheid van wandel voor te lichten, 1 Timotheüs 4:12, Titus 2:7-9. - Wat brengt hun ambt mede?
Zij moeten het volk voorgaan in gebeden, aanhoudende in het prediken, catechiseren, het Woord recht snijden, en elk zijn bescheiden deel toedienen, huisbezoek doen, om het aangezicht der schapen te leren kennen, de sacramenten voorzichtig bedienen, opdat het brood der kinderen de honden, en de paarlen de zwijnen niet worden voorgeworpen als ook naarstig, doch voorzichtig, de kerkelijke tucht oefenen, Ezechiël 33:7-9, 1 Korinthe 4:2, Spreuken 27:23. - Wat is de schuldige plicht der gemeenten, en van elk lid in het bijzonder omtrent de leraars?
Zij moeten hun voorgangers, die de welstand van hun zielen zoeken, als gezanten van Christus aannemen, onderdanig zijn, hun goede orders opvolgen, hun vermaningen en bestraffingen zich onderwerpen, en veel voor hen bidden, 2 Korinthe 5:20, Hebreeën 13:17, Kolossenzen 4:3.
Gebruik - Is het genoeg te weten dat er zulk een heilige, algemene, christelijke kerk is?
Neen. Elke zondaar, die een zucht heeft tot zijn behoudenis, moet zich tot de kerk vervoegen en bij dezelve blijven, dewijl buiten de gemeenschap der ware kerk geen heil, noch zaligheid te vinden is. - Wat staat elk dan te betrachten?
Niemand moet in dat uitwendige berusten, maar zich nauw onderzoeken, of hij wel een heilig en levend lidmaat van Christus’ verborgen lichaam geworden is, 2 Korinthe 13:5. - Hoe en waaraan zult gij dat weten?
Of ik al krachtdadig tot de gemeenschap van Jezus Christus geroepen ben, 1 Korinthe 1:9. - Waaruit meer?
Of ik al het beeld van Christus vertoon, en mij als een nieuw schepsel gedrage, en vruchtbaar ben in goede werken, 2 Korinthe 5:17, Johannes 15:5. - Wat volgt uit de vereniging met Christus?
De oefening van gemeenschap met Hem, en allen die Zijn leden zijn, 1 Johannes 1:3. - Zijn al dezulken ware leden van de kerk van Christus, die door de belijdenis der waarheid, zich tot deze of gene gemeente begeven hebben?
Het is verre van daar. Het minste getal van dezulken zijn geestelijke leden van de ware kerk. Openbaring 3:1-4, Mattheüs 20:16. Zie breder Mattheüs 13. - Toon dit met een gelijkenis?
Zij is als een hof waarin verschillende soorten van bomen zijn, van welke sommigen verstorven zijn, anderen kwijnen, velen alleen bladeren, anderen bladeren en bloeisels, en enigen ook vruchten dragen, die of goed, of kwaad zijn. Judas:12, Psalm 1:3, Mattheüs 3:10, Mattheüs 21:19. - Wat zoudt gij op dezulken tegemoet voeren?
Ofschoon zij zich uitgeven voor ware leden, en met hun schijnvruchten zichzelf en anderen bedriegen, dat zij eens te gene dagen beschaamd gemaakt, en van de schapen van Christus afgescheiden zullen worden. Mattheüs 25:1-12, Mattheüs 25:41-46. - Wat is dan in dezen best geraden, voor een getrouw en voorzichtig leraar?
Te waken, dat niemand door verkeerde oogmerken en wegen, zich indringt in de kerk. - Wat wordt hiertoe vereist?
Een oordeel geschikt naar de waarheid van Gods Woord, om zoveel mogelijk is, daarnaar het snode van het kostelijke, het ware van het valse, het goede van het kwade te onderscheiden, opdat men niemand al te haastig tot de gemeenschap der kerk toelate, en met een leugen in zijn rechterhand misleide, dat God bestraft, Ezechiël 22:16. - Waarop heeft dan een leraar bijzonder te letten?
Op de gestalte en uitwerkingen van de mensen, of daarin goede blijken van bekering en geloof bespeurd worden, Handelingen 2:38,47. - Wat hebben nu de ware leden van de kerk te betrachten?
Zij moeten als lichten in belijdenis, leven en wandel, onder de gemeente uitblinken, zich van de wereld onderscheiden, als christenschapen Zijn stem leren kennen, en die opvolgen, Filippenzen 2:15, Johannes 10:27. - Wat verder?
In Christus, hun Hoofd, zoeken op te wassen, 2 Petrus 3:18, Psalm 92:13-15. - En wat eindelijk?
Om bekeerden en natuurlijken te bekeren, en hun medegelovigen te versterken, en alles toe te brengen, opdat Christus koninkrijk uitgebreid worden, Lukas 22:32, 1 Thessalonicenzen 5:14.
23. Van de sacramenten des Nieuwen Testaments. En eerst van de Heilige Doop
- Hoe versterkt God het geloof van Zijn bondgenoten?
Inwendig door de Heilige Geest en uitwendig door Zijn Woord, en het gebruik der Heilige Sacramenten. - Wat zijn de sacramenten?
Het zijn heilige, uiterlijke, zichtbare en tastbare tekenen en zegelen van het genadeverbond, van God ingesteld, om Christus in Zijn lijden en sterven aan de gelovigen te vertonen, en dezelve verzegelen van hun deel en eigendom aan Jezus, en al Zijn verdiensten. - Wie is de eerste insteller daarvan?
God alleen, Die het verbond met de zondaar opricht, en machtig en getrouw is, om de beloften daar aangehecht, te vervullen, Genesis 17:7. - Door wie moeten zij bediend worden?
Alleen door gezonden leraars, die het Woord des Evangelies prediken, Mattheüs 28:19. - Waarom noemt gij die heilige, zichtbare en tastbare tekenen en zegelen des genadeverbonds?
Omdat zij tot een heilig gebruik zijn afgezonderd, en aan de heiligen, aan wie zij alleen behoorden bediend te worden, betekenen en verzegelen de beloften van het genadeverbond, en zulks op een zichtbare en tastbare wijze, dewijl zij anders van het Woord des Evangelies niet onderscheiden waren. - Wat onderscheid merkt gij aan tussen een teken en een zegel?
Een teken, gelijk een schilderij, verbeeldt ons alleen maar deze, of gene persoon of zaak, doch een zegel, gelijk een trouwring, verzekert de bruid van de liefde des bruidegoms tot haar. - Welk is dan de betekende zaak van de sacramenten?
Christus met al Zijn verdiensten, Romeinen 6:3, 1 Korinthe 11:24-25. - Wat verzegelen zij
Dat Christus met Zijn verdiensten alleen het eigendom voor de gelovigen is, 1 Korinthe 10:16. - Hoeveel sacramenten zijn er nu onder het Nieuwe Testament?
Twee: de Heilige Doop, en het Heilig Avondmaal, welke in plaats van de besnijdenis, en het Pascha des Oude Testaments gekomen zijn. - Welke is de reden van deze verandering?
Omdat zij lichter en klaarder, en in een zeker opzicht heerlijker van betekenis zijn, dan die van het Oude Testament, en dewijl geen bloedstorting in dezelve plaats heeft. - Welk is nu het eerste sacrament des Nieuwe Testaments?
De heilige doop, welke aan de gelovigen onder indompeling, of besprenging met rein water, in de Naam des drie-enigen Gods, de vergeving der zonden, de wedergeboorte, door Christus bloed en Geest, en inlijving in de kerk betekent en verzegelt. - Is de doop van een Goddelijke instelling?
Ja, Johannes 3:22. Naderhand heeft Christus Zijn discipelen belast, om te leren en te dopen, Mattheüs 28:19. - Welk is het uitwendig zichtbaar teken in de doop?
Rein water, Mattheüs 3:11. - Hoe wordt zij bediend?
In de eerste kerk was de indompeling meest gebruikelijk in de warme landen, Mattheüs 3:16, Handelingen 7:36. Maar nu is in deze koude noordelijke gewesten niet zonder reden de besprenging ingevoerd, die van dezelve kracht en betekenis is. Hebreeën 12:24. 1 Petrus 1:2. - Wat is de betekende zaak in de doop?
De rechtvaardigmaking en heiligmaking des zondaars, door Christus’ bloed en Geest, die wel meer door het water verbeeld wordt. Ezechiël 36:25, Zacharia 13:1, Hebreeën 10:22. - Wat overeenkomst is er dan tussen deze beiden?
Gelijk het water het lichaam van de vuiligheid reinigt, zo reinigt ook het bloed van Christus de zondaar, van de schuld en straf der zonde, tot rechtvaardigmaking, 1 Johannes 1:7, Handelingen 22:16. En zijn Geest van de vuiligheid en smet der zonde tot heiligmaking, 1 Korinthe 6:11. - Wat verbeeldt de indompeling in, en het kort verblijf onder het water?
De doding en begraving van de oude mens uit kracht van Christus’ dood en begraving, Romeinen 6:4. - En wat betekent het weder opkomen uit het water?
De wedergeboorte, en opstanding tot een nieuw en eeuwig leven, door de opstanding van Christus, Kolossenzen 2:12. - Wat verzegelt de doop aan de gelovigen?
Hun gemeenschap aan de bovengemelde goederen des verbonds, namelijk de vergeving der zonden, Handelingen 2:38. De wedergeboorte, Titus 3:5. En inlijving in de kerk, 1 Korinthe 12:13. - Wat moet hieruit volgen?
De verplichting der gelovigen tot overgave, liefde en gehoorzaamheid, en geloof in de drie-enige God, hetwelk ook de reden is, waarom zij gedoopt worden in de Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Mattheüs 28:19. - Aan wie moet de doop bediend worden?
Aan zulken die door belijdenis van hun zonden, geloof in Christus, en belofte van een christelijke wandel, in het genadeverbond met God overgaan, Mattheüs 3:6, Handelingen 8:37. - Mag men ook de doop bedienen aan de jonge kinderen der bondgenoten?
De apostelen hebben huisgezinnen gedoopt, waaronder ook waarschijnlijk jonge kinderen geweest zijn, Handelingen 16:15,33, 1 Korinthe 1:16. - Is er meer bewijs?
De beloften van het verbond worden de gelovige ouders, en hun kinderen toegeëigend, Handelingen 2:39, vergeleken Genesis 17:7. - Wat eindelijk?
Zij werden ook eertijds besneden, in wiens plaats de doop is. Kolossenzen 2:11-12.
Gebruik - Is het nu genoeg, slechts alleen de betekenis van de doop te verstaan?
Neen, maar men moet in zijn opwassen daarvan een goed gebruik zoeken te maken. - Op wat wijze?
Als men door het geloof in het verbond der genade met God tracht over te gaan, opdat men de vruchten daarvan in zich levendig ondervinden mag, en die gebruiken tot heiligmaking, Romeinen 6:4. - Hoe geschiedt dat?
Wanneer men de oude mens met zijn begeerlijkheid tracht te doden, en zich vertoont als een levend lidmaat van Christus, tot ere Gods en sieraad der kerk. - Wat is de plicht der ouders als zij hun kinderen laten dopen?
Zij moeten de betekenis van de Heilige Doop wel verstaan, de kinderen aan de Heere ten eigendom overgeven, en bidden dat Die dezelve wil aannemen, en de betekende zaak des doops deelachtig maken, 1 Samuël 1:24. - Als zij nu gedoopt zijn?
Dan moeten zij die van de Heere wederom ontvangen, en hun gedane beloften, zo plechtig gezworen, naar hun vermogen door Gods genade getrouwd trachten na te komen, Psalm 119:106. - Wat behoort daar al toe?
Dat zij die opvoeden in de vreze des Heeren, van hun doop onderrichten en leren, waartoe zij door dezelve verplicht en verbonden zijn, Efeze 6:4, Spreuken 22:6. - Worden nu al deze dingen zodanig wel betracht en waargenomen?
Neen. Veel kinderen en ouders, maken zich hier aan trouweloosheid schuldig. - Hoe de kinderen?
Dewijl zij geen gebruik van hun doop maken, levende vleselijk, aards en zeer zorgeloos, in allerlei ijdele begeerlijkheden der jonkheid, tot onere van God, en laster der gemeente. - Wat hebben dezulken te bedenken?
Dat zij de Heere liegen en verachters van de doop zijn, en derhalve geen deel aan Christus, noch aan de beloften van het genadeverbond hebben, en dus als onrein achten het bloed des Nieuwe Testaments. Hebreeën 10:29. - Wat staat hier ten laste van vele ouders?
Dat zij dikwijls uit sleur en bijgelovigheid, alsof dat uitwendig teken de zaligheid zelf aanbracht, hun kinderen dopen laten. - Waaruit blijkt zulks?
Omdat zij meer werk maken van de uiterlijke doop, als van de betekende zaak. - Maar is het nu genoeg, dit letterlijk te verstaan?
Neen, want vele wereldse mensen, door hun overmatige optooiselen tonen, dat zij al vroeg de kinderen meer aan de wereld als aan God opofferen, en verloochenen aldus de betekenis van de doop, die de afsterving der wereld mede behelst. - Maar moet men niet hopen dat vele ouders in deze hogere gedachten zouden hebben?
Dit is merendeels een hoop zonder grond der waarheid, dewijl hun onkunde en wandel, genoegzaam het tegendeel getuigen, want die maar burgerlijk, ja dikwijls gans onschriftuurlijk en goddeloos is, gelijk ook de slordige opvoeding der kinderen zulks klaar uitwijst. - Welke zal het einde van de zodanigen zijn?
Dat de Heere eens ten genen dage het bloed der kinderen van hun handen zal eisen. - Maar de kinderen willen somtijds niet luisteren naar de goede vermaning der ouders?
Als de ouders hun plicht en genadebeloften in oprechtheid des harten zoeken na te komen, dan hebben zij hun ziel bevrijd, en zullen niet dragen de ongerechtigheid van hun kinderen, Ezechiël 18:20. - Wat middel zoudt gij dan aanwijzen, om het bovengemelde misbruik, zoveel mogelijk is, te verbeteren?
Het was wenselijk, dat onwetende ouders, nopens de leer des doops, door de leraars eerst onderwezen werden, volgens Christus’ bevel, Mattheüs 28:19. - Maar heeft deze plaats niet alleen betrekking op die eerst uit het heidendom of jodendom overgaan?
Dit is wel zo, doch de uitwendige naam van een christen, zonder kennis en ware liefde van Christus, maakt geen christen uit, maar laat de mens in de grond des harten een heiden, Romeinen 2:28-29. - Maar zouden de kinderen het zaad des geloofs niet kunnen hebben, en ook daarom mogen gedoopt worden, al zijn de ouders onwetende en ergerlijk?
Dewijl zulks van de jonge kinderen ons onbekend is, en uit ondervinding ten merendeel het tegendeel blijkt, zo mogen zij niet gedoopt worden, voor zover zij niet in hun ouders, of tenminste in een van beide als kinderen van gelovigen kunnen worden aangemerkt, 1 Korinthe 7:14, Handelingen 2:38. - Wat is nu de plicht dergenen die gelovig zijn
Dikwijls aan hun doop te gedenken, en zich te binnenbrengen waartoe zij door dezelve aan de Heere zijn verbonden, tot afsterving van de oude, en aandoening van de nieuwe mens, Efeze 4:22-24. - Is hun ook niet de doop tot een stof van vertroosting?
O ja! Zij is hun de vraag ener goede consciëntie tot God door de openbaring van Jezus uit de doden, 1 Petrus 3:21.
24. Van het Heilig Avondmaal
- Welke is het tweede sacrament of bondszegel van het Nieuwe Testament?
Het Heilig Avondmaal. - Wie heeft dat ingesteld?
Christus, in de nacht als Hij verraden werd, waarom het ook een avond- of nachtmaal genoemd wordt, Mattheüs 26:20. - Welke zijn hier de uiterlijke tekenen?
Brood en wijn, welke zeer geschikt zijn naar het Nieuwe Testament, ook bekwaam om de betekende zaak af te beelden. - Welke is de uiterlijke handel hier omtrent?
Het brood wordt in navolging van Christus genomen, gezegend, gebroken en gegeven aan de lidmaten, van welke het aangenomen, en gegeten wordt. - Welke is de plechtigheid omtrent de drinkbeker?
Die wordt ook genomen, gezegend, en overgegeven aan de lidmaten, welke hetzelve aannemen en daaruit drinken. - Onder wat uitdrukkingen van woorden geschiedt zulks?
Van het gebroken brood zeide Christus, dat is Mijn lichaam, en van de drinkbeker, dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwe Testaments, Mattheüs 26:26-27. - Moet men deze woorden letterlijk opvatten?
Dat was ongerijmd, het woordeke ‘is’ zegt zoveel als: betekent of beduidt Mijn lichaam en bloed, zijnde volgens de aard der sacramenten een zeer gebruikelijke spreekwijze. Genesis 17:10-11, Exodus 12:11. - Wat beduidt dan het gebroken brood in het Avondmaal?
Christus’ gekruiste lichaam. - Wat de wijn?
Zijn vergoten bloed. - Kunnen ons deze tekenen de betekende zaak bekwaam leren?
Zeer klaar. Gelijk ook zulks eist de wijsheid Gods, en het oogmerk van deszelfs Goddelijke instelling. - Om wat reden wordt Christus door brood uitgebeeld?
De tarwe, waaruit brood gebakken wordt, is een vrucht der aarde, dus is ook Christus naar Zijn mensheid een vrucht der aarde, Jesaja 4:2. - Wat overeenkomst hebt gij meer?
De tarwe moet eerst gedorst, gemaald, gekneed en door het vuur gaar gebakken worden, zal het een voedzaam brood zijn. - Kan zulks ook in een geestelijke zin op Christus worden toegepast?
Ja. Die moest ook eerst vele dingen lijden, met vele slagen, en door het vuur van des Vaders gramschap, als toebereid en volmaakt worden, om te zijn het ware brood des levens, Hebreeën 2:10. - Hebt gij meer?
Het brood versterkt ook het hart des mensen, en is nodig tot lichamelijk voedsel, alzo is ook Christus het nodigste zielenvoedsel, Johannes 6:35. - Wat zoete overeenkomsten vindt gij in de wijn?
Zij is een vrucht des wijnstoks en moet met zware arbeid in een wijnpersbak worden uitgedrukt, eer zij een bekwame drank kan zijn, alzo zijn ook Christus’ weldaden, vruchten van Hem, Die de geestelijke Wijnstok is, welke in de wijnpersbak van Gods toorn moest vertreden worden, zouden Zijn verdiensten hen nuttig zijn, Jesaja 63:3. - Welke al meer?
Zij is zoet van smaak, maakt vrolijk en sprekende, alzo zijn ook Christus’ verdiensten zoet en zielsverkwikkend, Hooglied 5:1, Zacharia 9:17. - Wat beduidt het als de leraar het brood neemt en zegent?
Dat Christus het Brood des levens is, van de Vader afgezonderd en gezegend, opdat Zijn volk de Goddelijke zegeningen zouden verkrijgen. Efeze 1:3. - Wat zegt het breken des broods?
Dat Christus’ lichaam door de dood verbroken is aan het kruis. - Wat beduidt het overgieten van de wijn in de beker?
De uitstorting van Christus’ bloed. - Waarom wordt de wijn gezegend, en de drinkbeker genoemd de drinkbeker der dankzegging?
Omdat Christus’ bloed de oorzaak is van alle zegen, wegens welke God van Zijn kinderen verheerlijkt wordt, Psalm 116:13, 1 Korinthe 10:16. - Wat verbeeld ons het overgeven van brood en wijn?
Dat Christus alle hongerigen en dorstigen wordt aangeboden door het Evangelie, Jesaja 55:1. - Wat beduidt dit aannemen?
Daardoor belijdt een gelovige, Christus Zelf aangenomen te hebben, Johannes 1:12. - Is er nog iets anders merkwaardig?
Ja, want zal brood en wijn enig voedsel geven, dan moet het gegeten, gedronken en alzo met ons vlees en bloed verenigd worden. - Is het dus ook met Christus gelegen?
Gewisselijk, want zal Hij de ziel genadevoedsel geven, zo moet Hij door het geloof gegeten, gedronken en op het nauwste met ons verenigd worden, Johannes 6:53,56. - Hebben deze tekenen ook een verzegelende kracht?
Ja, want zo zeker als het brood voor eenieder gelovige gebroken, en de wijn vergoten wordt, alzo zeker is ook Christus’ lichaam voor hem gebroken en Zijn bloed vergoten, Mattheüs 26. - Waaruit blijkt het meer?
Omdat het uiterlijke teken de naam draagt van de betekende zaak, 1 Korinthe 10:16.
Gebruik - Voor wie is het Heilige Avondmaal ingesteld?
Alleen voor de ware gelovigen. - Waaruit blijkt zulks?
Uit krachtige redenen, want dewijl het tekenen zijn des genadeverbonds, spreekt de zaak vanzelf, dat alleen ware bondgenoten daartoe gerechtigd zijn. - Maar mogen deze tekenen ook niet wel van uitwendige belijders gebruikt worden?
Neen, want zij kunnen ze niet in het geloof gebruiken, tot verheerlijking van God, met wezenlijke zielsvrucht. Ook kunnen zij hen geen heilpanden zijn van de genade en liefde Gods in Christus, dewijl het nieuwe verbond enkel geestelijk is, Jeremia 31:33. - Bevestigt zulks niet klaar de verzegelende kracht der sacramenten.
Wel duidelijk, want die de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe, derhalve kan dan die door de Geest niet verzegeld worden van zijn deelgenootschap aan Jezus en Zijn goederen, Romeinen 8:9. - Ontdek zulk eens nader door een gelijkenis?
Zelfs naar de wereld moet iemand eerst een koop of verbond gemaakt hebben, alvorens hem de verzegelingen daarvan door onderpand gegeven wordt. Gelijk ook een bruid geen trouwpand krijgt, voordat het huwelijk is gesloten, en geen brief verzegeld wordt voordat ze beschreven is. - Wordt zulks hier ook vereist?
Zekerlijk, want Gods Geest gebruikt die spreekwijze niet te vergeefs. - Wat wilt gij dan hiermee zeggen?
Dat iemand eerst het genadeverbond moet hebben gemaakt tussen Christus en Zijn ziel, en een brief van Christus zijn, geschreven door de Geest des levende Gods, eer Hij recht heeft tot de onderpanden van Christus’ liefde en deszelfs verbondszegelen, 2 Korinthe 1: 22 en 2 Korinthe 3:2-3. - Volgt dit ook uit de bevatting van Christus’ geestelijk lichaam?
Zeer klaar, want het zou schrikkelijk zijn, dat onbekeerde en onheilige leden, van Christus zouden wezen, Die zo heilig is. - Hebt gij meer tot bewijs van deze waarheid?
De vermaningen tot zelfonderzoek, of men in het geloof is, leren zulks onweersprekelijk, dewijl zij anders onnodig waren, 1 Korinthe 11:28, 2 Korinthe 13:5. - Wat is dan ten hoogste nodig?
De mens tot zelfonderzoek ernstig aan te dringen, Zefanja 2:1. - Waaraan heeft elk zich dan alvorens te toetsen?
Of hij al een rechte en gevoelige kennis heeft van zijn zondige en verdoemelijke ellendestaat, of hij daarover een waar berouw, schaamte en mishagen heeft, of hij zichzelf radeloos en machteloos bevindt, Jeremia 31:19. - Wat meer?
Of hij al waarlijk hongert en dorst naar Christus’ gerechtigheid, om met Hem verenigd te zijn, Mattheüs 5:6, Filippenzen 3:9. - Wat nog meer?
Of hij zich al in oprechtheid des harten aan God en Christus overgeeft, om door Zijn kracht in gehoorzaamheid des geloofs heiliglijk te wandelen, Jesaja 44:5. - Maar moeten zij juist allen van hun geloof en zaligheid verzekerd zijn?
Neen, daar zijn ook zuigelingen en zwakke kinderen, voor welke ook deze spijze is, Mattheüs 11:28. Jesaja 55:1. - Zijn nu dus alle lidmaten wel gesteld?
Dat was wel wenselijk, doch de droevige ervaring zal een leraar, die geestelijk voorzichtigheid gebruikt, en daar naar de moeite van onderzoek doet, genoegzaam het tegendeel leren, Spreuken 27:23, Ezechiël 44:23. - Maar is een leraar dan in staat om dit altijd in allen naar waarheid te onderscheiden?
Desniettegenstaande is zijn plicht nauw zorg te dragen, om elk naar het Woord der waarheid te behandelen, ofschoon hij door geveinsden en tijdgelovigen wel kan bedrogen worden. Handelingen 8:13, 1 Timotheüs 4:10. - Wie behoren dan afgeweerd te worden?
Alle onwetenden, die geen rechte kennis hebben, noch van zichzelf, noch van Christus, noch van de inhoud des Avondmaals, Spreuken 19:2, 1 Korinthe 11:29. - Wat oordeelt gij van die. die burgerlijk leven en uitwendig godsdienstig zijn?
Indien zij echter niet wedergeboren zijn, en waarlijk geloven in Christus Jezus, hebben zij geen recht te naderen tot Zijn genadetafel. - Maar zijn er ook geen ongevoeligen?
Ja toch, zij spreken wel van hun zonden en Christus’ verdiensten, maar alles is harteloos, en zij blijven stil en gerust in zichzelf. - Welke soort mensen nog meer?
Die voor het licht der Waarheid vlieden, en aan zichzelf niet willen ontdekt wezen, Johannes 3:20. - Maar zijn de lidmaten wel verplicht zich te laten onderzoeken, daar zij alrede op hun geloofsbelijdenis zijn aangenomen?
Elk lidmaat is daartoe aan een leraar verplicht, om alzo rekenschap te geven van zijn geloof en hoop die in hem is, maar met zachtmoedigheid en vreze, 1 Petrus 3:15, Hebreeën 13:17. - Welke mag dan wel de reden zijn waarom deze hiervoor genoemden nog zozeer op het Heilig Avondmaal gezet zijn?
Dewijl zij bij gebrek van licht, de rechte grond van zaligheid niet kennen, zoeken zij daartoe in het avondmaalgaan enig steunsel, en worden door deszelfs zoete beloften verlokt. - Maar wat antwoordt gij dezulken, die zich behelpen met bevel van Christus: Doet dat tot Mijn gedachtenis?
Dit gebod behoort alleen tot de ware gelovigen, en derhalve dwalen zij, die op dat gebod aangaan, zolang zij nog geen geloof en bekering in zich bevinden. - Wat is dan de plicht der leraars, die zich niet willen schuldig maken aan het bloed van de hiervoor genoemden?
Hen te betuigen: Of zij al zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft; zo zweren zij toch valselijk, Jeremia 5:2. - Hoe moeten de leraars omtrent de ergerlijke handelen, die zich in openbare zonden verlopen?
Die moeten na voorgaande waarschuwing, door de sleutelen des Hemelrijks buitengesloten worden, Mattheüs 18:17-18, 1 Korinthe 5:11-13. - Wat is hier nu de plicht der gelovigen?
Eer zij heengaan, hun harten voor de Heere open te leggen, veel in het gebed en alleen spraken met Hem te zijn, opdat Zijn Aangezicht met hen ga, en zij met het rechte bruiloftskleed van Christus’ gerechtigheid, in nederigheid en geloof versierd zijnde, mogen treden tot de bruiloft des Lams. - Waarmee moeten zij zich ophouden onder het heengaan naar de des Heeren Tafel?
Met verwondering beschouwen, hoe de liefde-tafel voor hen is toebereid, verlangende door de heiltekenen Christus in Zijn zalige gemeenschap te genieten. - Hoe onder het gebruiken van de bondszegelen?
In het geloof door de tekenen Christus aannemen, en zo te proeven en te smaken, dat de Heere goedertieren is. - Wat daarna?
Indien zij in hun hart Christus’ liefde hebben bevonden, vrolijk te zijn in de Heere, Hem voor Zijn genade te verheerlijken, en verder de Heere te bidden dat zij, volgens hun verbintenis, in oprechtheid voor Zijn aangezicht mogen leven.
25. Van de heerlijkmaking, opstanding der doden en het laatste oordeel
- Welke is de laatste weldaad die op de rechtvaardigmaking en heiligmaking volgen zal?
De heerlijkmaking na dit leven, Romeinen 8:30. - Wat verstaat gij daardoor?
Zij is de laatste weldaad des genadeverbonds, waardoor de zielen der gelovigen straks na de dood des lichaams, in de hemel worden opgenomen, en ten jongste dage met hun lichamen verenigd zijnde, in God eeuwig zullen gelukzalig zijn. - Moeten dan de gelovigen nog eerst de vallei des doods doorwandelen?
Ja, dat hebben zij gemeen met alle mensen, Psalm 89:49, Hebreeën 9:28. - Hoe merkt gij dan hun dood aan?
Wel als een gevolg van de zonde, echter geen betaling voor dezelve, maar als een afsterving van de oude mens, en een poort des hemels, waardoor zij tot de heerlijkheid ingaan, Romeinen 6:7, 2 Korinthe 5:1. - Hoe gaat het dan met hun ziel?
Van het lichaam afgescheiden zijnde, gaat zij aanstonds naar de hemel, Lukas 23:43, Openbaring 14:13. - En hoe met hun lichamen?
Die rusten in het stof der aarde als een aangename slaapkamer, Jesaja 57:2. - Welke is in tegendeel het lot der goddelozen en onbekeerden?
Hun dood is een straf der zonde, en zij gaan door dezelve over in de hel, in de eeuwige pijn, Lukas 16:23-24. - Maar zullen de lichamen der gelovigen en ongelovigen altijd in het stof der aarde blijven?
Neen. Daar zal een opstanding der doden zijn, beide der rechtvaardigen en onrechtvaardigen, Handelingen 24:15. Johannes 5:28-29, Daniël 12:2. - Zullen ook dezelve lichamen opstaan?
Ja, behalve dat dit woord opstanding zulks te kennen geeft, en Gods rechtvaardigheid zulks vordert, zo leert dit ook de Heilige Schrift zeer klaar, Job 19:25- 26. 1 Korinthe 15:53-54. - Hoe kan dat zijn?
Daar is geen ding onmogelijk bij God. Hij, Die het uit het stof der aarde heeft voortgebracht, kan het door dezelve kracht ook weer opwekken, Mattheüs 22:29. Handelingen 26:8. - Zullen echter de hoedanigheden van de lichamen der gelovigen niet heerlijk zijn?
Ja, zij zullen het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zijn, Filippenzen 3:21, 1 Korinthe 15:40,44. - Zullen die van de verworpenen ook veranderd worden?
Ja, zij zullen zo gesteld zijn, dat zij zonder spijze en drank, die alle verschrikkelijkste pijnen eeuwig zullen dragen, Mattheüs 10:28. - Hoe zal het zijn met degenen die ten jongste dage levend zullen overgebleven zijn?
Die zullen niet sterven, maar in een ogenblik des tijds veranderd worden, ten goede of ten kwade, 1 Korinthe 15:51-52. - Wat zal na de opstanding der doden volgen?
Het laatste algemene oordeel, Judas:14-15, Prediker 12:14. - Wie zal daar als Rechter zijn?
De Zone Gods, Jezus Christus, aan Wie de Vader het gericht heeft overgegeven, Johannes 5:22, Handelingen 17:31. - Op wat wijze zal de verschijning Zijner toekomst wezen?
Hij zal op de wolken des hemels komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn vele duizend heiligen, onder het geluid van de laatste bazuin, zittende op de troon als van vuurvonken, Daniël 7:9, 1 Thessalonicenzen 4:16, Mattheüs 25:31. - Wie zullen in dit gericht geoordeeld worden?
De duivelen en alle mensen, 2 Petrus 2:4. Mattheüs 25:32, 2 Korinthe 5:10. - Waarover zullen zij geoordeeld worden?
Over al hun werken, zondige gedachten, ijdele woorden en kwade daden, 1 Korinthe 4:5, Mattheüs 12:36, Openbaring 10:12. - Welke is de wet waarnaar de Rechter oordelen zal?
De heidenen zullen naar de wet der natuur, de Joden naar de geschreven wet, en die onder het Nieuwe Testament leven naar het Evangelie geoordeeld worden, Romeinen 2:12,16. - Wat zal hierop volgen?
Een uitspraak van het vonnis, welke tweeërlei zal zijn, of vrijsprekende tot de gelovigen of veroordelende tot de goddelozen. Mattheüs 25:34 en 41. - Zal dit tweeërlei vonnis ook straks worden uitgevoerd?
Ja, Mattheüs 25:46. - Waar zullen de gelovigen dan blijven?
Zij zullen met Christus in de lucht worden opgenomen, en alzo altijd bij de Heere blijven, 1 Thessalonicenzen 4:17. - Wat zal de staat der gelovigen nog meer verheerlijken?
De voortreffelijkheid der plaats, die genaamd wordt, het paradijs Gods, de derde hemel, het huis des Vaders, de stad die fundamenten heeft, 2 Korinthe 12:4, Johannes 14:2, Hebreeën 11:10. - Wat gezelschap zullen zij daar hebben?
Dat der engelen, en der gansen uitverkoren kerk, Hebreeën 12:22-23. - Wat zal hun werk daar zijn?
Zij zullen Gods volmaaktheden, deugden en wegen recht kennen, roemen en verheerlijken, Openbaring 5:14. - Hoelang zal dit duren?
Tot in de eindeloze eeuwigheid, waarom hun werkzaamheid, een eeuwig leven wordt genoemd. - Zal dat leven ook niet in eten of drinken bestaan?
Neen, God zal Alles in allen zijn. Dit zalig en heilig leven bestaat in het liefhebben en genieten van God, hetwelk onuitsprekelijke vreugde altijd geven zal, Psalm 16:11 en Psalm 17:15. - Welke zal de straf der goddelozen zijn?
Het missen van Gods zoete gemeenschap en het dragen van verschrikkelijke pijnen bij de duivelen in de hel, Mattheüs 25:41. - Zal dit ook eeuwig zijn?
Ja, dewijl zij een eeuwig goed veracht hebben, en ook altijd zelf zondig zullen blijven. Daarom zijn zij ook altijd een voorwerp van Gods toorn, en wel zonder de minste verlichting of tussenpoos, Lukas 16:26, Openbaring 20:10. - Weet ook iemand deze tijd des oordeels?
Neen, zij is God alleen bekend, Markus 13:32.
31. Zullen er echter niet enige tekenen voorgaan, waaruit blijkt dat het oordeel nadert? - Verscheidene, zoals de laatste val van de antichrist, de bekering der heidenen en joden, de heerlijke staat der kerk op aarde, en daarna een groot verval in leer en zeden, waarop de Rechter onverwachts ten oordeel komen zal, 2 Thessalonicenzen 2:2-3, Openbaring 18:21, Openbaring 19, Romeinen 11:25-26, Openbaring 20:2-3, 1 Thessalonicenzen 5:2-3.
- Hoe zal het dan met de wereld gesteld zijn?
Daarvan geeft ons Petrus bescheid, 2 Petrus 3:10. - Maar zal alles vergaan, en geheel en al vernietigd worden?
Neen, dat schijnt niet betamelijk voor de wijsheid Gods, maar alles zal door vuur gezuiverd, en alzo vernieuwd worden, en geen schepsel der ijdelheid meer onderworpen zijn, Handelingen 3:21, 2 Petrus 3:13, Romeinen 8:21.
Gebruik - Is het genoeg deze leer slechts te geloven en toe te stemmen?
Neen, zij moet ook de gelovigen aanzetten tot Godzaligheid. - Om wat reden?
Dewijl niemand deel zal hebben aan de zalige opstanding en heerlijkmaking, zo hij in dit leven uit de dood der zonden niet is opgewekt, Openbaring 20:6. - Waartoe moet dit dan dienen?
Tot overtuiging van de zodanigen, die Christus wel in heerlijkheid, maar niet in heiligheid willen. - Wat zijn dat voor mensen?
Alle openbare goddelozen, zoals dronkaards, hoereerders, hoofdvaardigen, wellustigen, die met hun wandel genoegzaam zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij, 1 Korinthe 15:32. - Wie nog meer?
Allen die zich niet ontzien in het verborgene te zondigen, daar zij zich voor mensen wel schamen zouden, alsof God niet het verborgene in het gericht zou brengen, Jesaja 29:15. - Zijn er nog anderen?
Alle gerusten en zorgelozen, die wel burgerlijk leven, doch de dag des kwaads verre te stellen, en menen dat het nogal wel met hun zal aflopen, 1 Thessalonicenzen 5:3. - Zoudt gij er nog wel enigen kunnen noemen?
Alle godsdienstige naamchristenen, die wel een gedaante van Godzaligheid vertonen, maar de kracht daarvan verloochenen, 2 Timotheüs 3:5, Mattheüs 7:21,23. - Wat zoudt gij zodanigen tegemoet voeren?
Dat zij in de dag des oordeels allen zullen ontdekt, en door Christus’ toekomst beschaamd gemaakt worden, en dit vloekvonnis horen: Mattheüs 25:41. - Zal dat niet vervaarlijk zijn?
Zekerlijk, want als zij hun ogen opheffen naar de hemel, zullen zij een vertoornd Rechter zien. Keren zij zich naar binnen, daar zal een knagende en bijtende consciëntie zijn. Zien zij naar beneden, de hel zal voor hen geopend zijn. Alle schepselen zullen tegen hen getuigen. Schrik en vrezen zal hen aangrijpen en in benauwdheid doen uitroepen: Bergen valt op ons, Openbaring 6:16. - Zal het hiermee gedaan zijn?
Dat was wel wenselijk voor zulken, maar zij zullen daarop verwezen worden naar het eeuwig vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is, en zo geworpen worden in de poel die daar brandt van vuur en sulfer. - Maar zou het wel zo streng toegaan?
Zekerlijk, want God is waarachtig, Die zulks overvloedig in Zijn Woord betuigt. - Wat raadt dan om de toekomende toorn Gods te ontvlieden?
Wenselijk was het, dat zij nu de schrik des Heeren wetende, daardoor zich lieten bewegen tot geloof en bekering, 2 Korinthe 5:11. - Welk is hier de plicht der ware gelovigen?
Wakende te zijn, opdat die dag hen niet onverwachts overkome, hun lampen met olie te voorzien, en al biddende de komst van hun Bruidegom tegemoet te zien, Lukas 21:36.
Wij besluiten met dat tere, liefdevolle vermaanwoord van de apostel Johannes: En nu, kinderkens, blijft in Hem, opdat wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst (1 Johannes 2:28).
Van de voornaamste dwalingen dergenen die buiten de Gereformeerde kerk zijn
- Welke zijn de voornaamste partijen?
Die zijn, of buiten, of onder het christendom? - Welke zijn buiten het genoemde christendom?
Heidenen, Joden en Turken. - Waaruit zijn de heidenen voortgesproten?
Voornamelijk uit de nakomelingen van Cham en Jafeth, die van het Woord der belofte zijn afgeweken. - Waarin bestaat hun godsdienst in het algemeen?
Die is ten aanzien van de wijze en manier zeer verscheiden, doch komt daarin overeen, dat zij het schepsel boven de Schepper eren en dienen, dewijl zij de ware God in Christus niet kennen. - Van wie zijn de Joden gesproten?
Ze hebben hun oorsprong van Abraham, de negende uit Sem, en worden naar Juda, de zoon van de aartsvader Jakob, Joden genoemd, onder welke eertijds de ware kerk Gods geweest is. - Wat is hun hedendaags gevoelen?
Dat Jezus de Nazarener de ware Messias niet is, waarom zij de Schriften van het Nieuwe Testament verwerpen, en niet voor Goddelijk en geloofwaardig erkennen. Zij verwachten nog de Christus als een aards koning, Die als een tweede David, het Koninkrijk Israël zal herstellen, en alle volkeren zich onderwerpen. - Van wie hebben de Turken of Mohammedanen hun afkomst?
Van een zekere verleider des volks, Mohammed genaamd, zijnde een Arabier, die geleefd heeft in het begin van de zevende eeuw. - Waarin bestaat voornamelijk hun godsdienst?
Uit de samengestelde vermenging van het joden-, heiden- en christendom. Zij erkennen een god en stellen Mohammed, hun hoogste profeet, boven Mozes en Christus. - Welke zijn de voornaamste hedendaagse partijen onder het christendom?
De papisten, lutheranen, socinianen, mennisten, arminianen of remonstranten. - Waarvan hebben de papisten hun afkomst?
Zij zijn wel gesproten uit de ware apostolische kerk, maar naderhand in leer en leven zeer veranderd geworden zijnde, hebben uit menselijke eerzucht een van hun bisschoppen en wel Bonifatius de derde, door toedoen van de keizer Phokas, in het begin van de zevende eeuw, als hoofd van de kerk verklaard, en door die weg vele dwalingen ingevoerd. - Welke zijn hun voornaamste dwalingen?
1. Dat de paus van Rome het zichtbare hoofd van de kerk hier op aarde, Christus’ stadhouder, en een onfeilbare uitlegger van de geschillen des geloofs is, en aflaatbrieven tot vergeving der zonde kan verkopen.
2. Dat de overlevering van de kerk, van hetzelfde gezag en evenzo geloofwaardig zijn als de heilige Schriftuur zelf.
3. Dat de heilige Schrift uit het Latijn, in andere verstaanbare talen niet mag overgezet, noch van het gewone volk gelezen worden.
4. Dat de Schrift duister is, en niet volmaakt bevat hetgeen tot de zaligheid nodig is.
5. Dat de engelen en heiligen in de hemel, middelaars en voorspraken zijn voor de gelovigen hier op de aarde bij God, en daarom moeten aangeroepen worden.
6. Dat men beelden mag maken van de Goddelijke Drie-eenheid, van Christus, en de heiligen, en door dezelve met neerbuigen God eren.
7. Dat de ongedoopte kinderen naar de hel gaan, doch na de doop, geen erfzonde noch verdorvenheid meer hebben. Dat men na de doop door vasten en kastijding voor de zonde voldoen, en door goede werken de hemel, en de eeuwige zaligheid verdienen kan.
8. Dat er boven de twee sacramenten nog vijf andere zijn, zoals het huwelijk, de biecht en priesterlijke orde, het vormsel en het laatste heilige oliesel.
9. Dat brood en wijn waarlijk en wezenlijk in Christus’ lichaam en bloed veranderd worden, zodat na de zegening van de priester (want dit is Mijn lichaam) geen brood en wijn meer is, hetwelk zij transsubstantiatie noemen. Dat de priester in de mis, een eigenlijke offerande brengt voor de zonden van de levenden en de doden, en dat men het gewone volk in het avondmaal de beker moet onthouden.
10. Dat er naast de hel een vage vuur is, waarin de zielen der mensen, eer zij in de hemel gaan, door pijniging gevaagd en gereinigd worden, en dat men voor hun verlossing moet bidden. - Van wie zijn de Lutheranen afkomstig?
Van Martinus Luther, zijnde een monnik van de orde van Augustinus, doctor en professor te Wittenberg, een groot voorstander in het stuk de Reformatie, die geleefd heeft in het begin van de 16e eeuw. - Welke is hun hoofddwaling?
Dat Christus’ lichaam, bij de hemelvaart, overaltegenwoordig is geworden, waaruit dan volgt, dat Christus ook lichamelijk in, met en onder het brood in het Avondmaal is, hetwelk zij consubstantiatie noemen. - Van wie hebben de mennisten hun afkomst?
Van Menno Simons, geboren in Witmarsum in Friesland, van bediening een paaps priester, en is uit de roomse kerk uitgegaan in het jaar 1536. - Welke zijn hun voornaamste dwalingen?
1. Dat Christus’ lichaam niet uit het vlees en bloed van Maria, maar uit de hemel gekomen is.
2. Dat een Christen het ambt van de overheid niet mag bedienen, geen zwaard tegen de boosdoeners mag gebruiken, nooit een eed in het gericht afleggen tot bevestiging van gewichtige waarheden.
3. Dat de kinderen geen erfzonden hebben, en daarom niet mogen gedoopt worden, en dat men gedoopte kinderen in hun volwassen staat moet wederdopen. - Wie hebben de socinianen tot hun hoofden en voorstanders gehad?
Lelio en Faustus Socinus, die omtrent het midden van de 16e eeuw geleefd hebben. - Welke zijn de voornaamste dwalingen der socinianen?
1. Dat er maar één Goddelijk persoon is, namelijk de Vader, dat Jezus Christus van eeuwigheid geen Goddelijk persoon is met de Vader, en dat de Heilige Geest geen persoon maar alleen een kracht Gods is.
2. Zij loochenen de voldoening, en de toerekening van de volmaakte gerechtigheid van Jezus Christus, en zoeken door hun eigen evangelische gehoorzaamheid de zaligheid.
3. Zij loochenen Gods voorwetenschap, en eeuwig raadsbesluit, omtrent de bijzondere gevallen, en het uiteinde van alle mensen, dewijl zij de rede van het verstand en de vrije wil op de troon stellen. - Van wie zijn de arminianen of remonstranten navolgers?
Van Jacobus Arminius, doctor en professor te Leiden, welke geleefd heeft in het begin van de 17e eeuw, wiens navolgers daarna remonstranten zijn genoemd, van een smeekschrift Remonstrantie geheten, welke zij aan de staat hebben vertoond, om vrijheid voor hun religie te verzoeken. - Welke zijn hun dwalende gevoelens?
Hun hoofddwaling is, dat de mens een vrije wil, een eigen vermogen of macht heeft, om zowel goed als kwaad te doen, volgens het algemeen gevoelen van de voornaamste partijen buiten ons. Hieruit zijn dan deze hun dwalingen voortgesproten:
1. Dat de verkiezing van de mensen tot zaligheid, geschied is niet naar Gods vrije genade en welbehagen, maar uit hun voorgeziene bekering, geloof, goede werken en volharding.
2. Dat Jezus Christus in het algemeen voor alle mensen gestorven is, en voldaan heeft, en daardoor God de Vader verzoenbaar gemaakt, zodat de mens nu zijn natuurlijke bekwaamheden, en de middelen der genade recht gebruikende, daardoor Gods genade verkrijgen, tot uitwerking van zijn zaligheid.
Al deze dwalingen zullen gemakkelijk uit de opgestelde waarheden van dit boekje kunnen weerlegd worden.
Gebed om bekering
Eeuwige, almachtige en goedertieren God! Alle dingen zijn door U voortgebracht en Gij onderhoudt nog alles door het Woord Uwer kracht. Gij hebt mij geschapen, tot hiertoe onderhouden en bewaard. Gij hebt de mens eerst recht en goed gemaakt, maar gelijk zij allen door de zonde zijn afgeweken en ondeugend geworden, alzo ben ik ook van U afgevallen.
Ik ben onrein en verdoemelijk vanwege mijn geboorte, geheel onbekwaam tot Uw dienst. Dagelijks vergroot ik mijn schulden met gedachten, woorden en werken, omdat zij ongeregeld, onrein en aards zijn. Zelfs mijn godsdienstige werken zijn ondeugend. Door eigenliefde en een verkeerde liefde tot de schepselen, leef ik verre van U en buiten Uw gemeenschap. Ik ben onmachtig en onwillig, ofschoon ik geroepen word.
Groot is daarom Uw verdraagzaamheid en goedheid omtrent mij. Sinds lang hebt Gij recht gehad om mij te verdoemen. Och, dat ik hierover gevoelig en verlegen was, dat ik tegen U de Allerheiligste, mijn Schepper en Weldoener zo gezondigd heb.
Maar helaas! Mijn hart is een stenen hart. Ik heb geen ontzag voor Uw hoogheid, geen liefde voor Uw gemeenschap, geen indruk van Uw heiligheid en rechtvaardigheid, geen bekommernis, nog berouw en schaamte over mijn zonden, geen geloof in Jezus Christus, nog leven in de liefde der waarheid.
Och Heere, ontferm U toch mijner. Bezoek mij met Uw genade. Overtuig mij van mijn zonden. Maak mij krank naar de ziel, omdat ik bij Christus Jezus, de eeuwige Medicijnmeester, genezing en zaligheid zoeke. Schenk mij het geloof in Zijn Naam, opdat ik van duisternis licht, van dood levend worde. Geef mij lust om ook daartoe de nodige middelen aan te wenden, en zegen die.
O, machtige en goede God, word toch hierin verheerlijkt dat gij mij, ellendige, zalig maakt, opdat ik ook met Uw volk en erfdeel Uw grote en heerlijke deugden mag roemen en U in de rijkdom der genade eeuwiglijk verheerlijken. Hoor mij om Christus wil, amen.
Gebed van een overtuigde
Hoge, langmoedige en genadige God. Groot is Uw goedheid aan en over mij, dat Gij mij hebt geschapen en tot hiertoe onderhouden. Nog veel groter is Uw genade, dat Gij mij laat leven onder het liefelijk licht van het Evangelie, daar zovele volken nog in de duisternis blijven. Maar onuitsprekelijk groot is die omtrent mij, dat ik ook door het Woord der waarheid ben geraakt en van mijn zonden overtuigd, daar zovele duizenden ongevoelig heen gaan en in hun zonden sterven. Het zijn Uw goedertierenheden, dat ik niet vernield ben.
Maar dit is het, dat mij dikwijls onrustig en verlegen maakt: of ik al in waarheid wederom met Christus Jezus, door het geloof verenigd ben en zulke vruchten voortbreng, waardoor mijn naaste gesticht en Uw Naam verheerlijkt wordt. Te meer word ik bezwaard, omdat ik toch zeer onwetend en duister ben. Dagelijks en dikwijls wijk ik af en dwaal. Hoe menigmaal word ik overvallen en verstrikt, daar ik steeds als een christen over de zonden moest heersen. Als een vrijgekochte, U in verloochening van mijzelf navolgen, Uw deugden verkondigen, en als een licht in het midden van een krom en verdraaid geslacht schijnen moest, gelijk het een uitverkoren en geroepen heilige betaamt. Te meer maakt het mij verlegen, dat ik hierover niet gevoeliger ben.
O Heere, vol van genade en waarheid, indien er iets goeds in mijn hart is gelegd, doe het mij kennen, en geef mij in het geloof te leven, opdat ik U daarin danke en verheerlijke. Zo ik nog niet wedergeboren en door het geloof in Christus verenigd ben, overtuig mij ook daarvan, opdat ik U zoeke, terwijl Gij nog te vinden zijt. O Vader der lichten, schijn toch in mijn duistere ziel, opdat ik de wonderen van Uw wet lere kennen. Schenk mij de geest des onderscheids, opdat ik naar waarheid kan oordelen, en onderscheid maken tussen goed en kwaad. Geliefde Zone Gods, getrouwe Zaligmaker, verenig mij met U door het geloof, opdat ik uit Uw volheid genade voor genade mag ontvangen. O Heilige Geest, ontvonk mijn hart in liefde, opdat ik in de liefde kan wandelen. Heilig mij, dan zal ik U, de Vader en de Zoon met alle heiligen eeuwig verheerlijken. Amen.
Een dankzegging en gebed van een bekeerde
Getrouwe, vriendelijke en algenoegzame God! Hoe onuitsprekelijk is Uw mensenliefde, onnaspeurlijk Uw wijsheid, onbegrijpelijk Uw almacht. Hoe heerlijk en wonderbaar is Uw heiligheid en gerechtigheid! Gij, drie-enige God, openbaart die in het zaligen van de uitverkoren, doch ellendige zondaren, en dat alles naar Uw welbehagen en onveranderlijke vrederaad.
Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt en hem bezoekt! Wat ben ik, o Heere, dat Gij U over mij, arme en ellendige, hebt ontfermd, daar ik gelijk de ganse menigte in mijn bloed versmoord lag, walgelijk en doemwaardig vanwege mijn aangeboren en dagelijkse zonden. Het is alleen door Uw vrije genade dat Gij, o getrouwe God, het eeuwig testament der genade in het dierbaar Evangelie hebt opengelegd, waarin Christus Jezus als de enige en volkomen Borg en Zaligmaker wordt voorgesteld, vol van genade en waarheid. Waarlijk, dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Hij in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken.
Hoe wonderbaar groot is deze Uw genade, dat Gij mij duidelijk aan mijzelf hebt bekendgemaakt en mij door Uw Woord en Geest zodanig van mijn zonden overtuigd, zodat ze mij tot een last geworden zijn. Ik bevond mij ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt te zijn. Dat Gij mij, toen ik vreesde door het vuur van Uw verbolgenheid verslonden zullen worden, Christus Jezus als de geopende Fontein hebt aangewezen, Wiens bloed van alle zonden reinigt. Die nodigt mij en alle dorstigen zo vriendelijk tot Zich, om de genadewateren, wijn en melk om niet te kopen. Dit zijn aangenaam en troostelijke woorden! Zij zijn mijn ziel zoet, omdat ik in U, gezegende Zaligmaker, gerechtigheid, vrede, leven en zaligheid gevonden heb.
O, wat zal ik U vergelden voor alle weldaden aan mij bewezen! Mijn innige lust en begeerte is, om nu ook al de dagen van mijn leven voor Uw aangezicht in een kinderlijke vreze te wandelen. Want Gij zijt het waardig, en het komt U toe, dat men lof zegge ter gedachtenis van Uw heerlijke deugden.
Doch, omdat ik zonder U niets vermag, geef mij door het geloof te leven, opdat ik, getrouwe Zaligmaker, uit Uw volheid genade voor genade ontvange. Leer mij wettig te strijden tegen mijzelf en alle vijanden. Geleid mij naar het Woord der waarheid door Uw Heilige Geest, opdat ik met lijdzaamheid de loopbaan lope, en met de getrouwen de kroon des levens uit genade beërve, om eeuwiglijk met al de heiligen u de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest te verheerlijken. Amen
Gebed voor de predicatie voordat men naar Gods huis gaat
Algenoegzame en zegenrijke God! Daar de zondaar van Uw zalige gemeenschap was vervreemd en door de zonde onmachtig en ellendig geworden, zodat hij in zichzelf niet anders als Uw toorn, de vloek van de wet en het eeuwige verderf had te verwachten, daar heeft het U, naar de rijkdom van Uw genade, wederom behaagd om sommigen uit het verdoemelijke, menselijke geslacht, die Gij voorgekomen zijt met Uw eeuwige liefde, te behouden. Gij roept ze door het Woord des Evangelies en wijst hen daarin de weg des levens aan.
O levende en levendmakende God! Roep mij dan door Uw Woord en Geest tot de gemeenschap van Uw Zoon en geef mij die genade dat ik op Uw roepstem acht mag geven. Geef mij die kracht, dat ik die op mag volgen en gehoorzamen en mij, door een ongeveinsde bekering en een oprecht geloof, aan U in Christus overgeven. Bereid mijn hart daartoe onder het gehoor van Uw Woord. Open het, opdat ik acht mag geven op hetgeen door Uw dienstknecht van Uwentwege zal worden voorgedragen. Zuiver mijn hart van het onkruid van verdorvenheden, van het steenachtige deel van verharding, opdat het mag zijn als een goede en wel bereide aarde, ten einde het zaad van Uw woord, daarop neervallende, diepe wortelen mag schieten, opwassen en eens vruchten voortbrengen, waardoor Gij in Christus kunt verheerlijkt worden. Trek mijn ziel af van het aardse en laat niet toe dat de zorgvuldigheden van dit leven dat goede zaad van Uw Woord verstikken.
Geef ook Uw dienaar, die het zal verkondigen, wijsheid en genade, opdat hij met betoning van Geest en kracht mag spreken. Verwek ook anderen tot een geheiligde aandacht en geef ons ogen om te zien, oren om te horen en een hart om te verstaan, om de Heere Jezus wil. Amen.
Gebed na de predicatie als men thuisgekomen is
Hoge, heilige en heerlijke God, in Wiens Hand het staat te behouden en te verderven, levend te maken en te doden, te verhogen en te vernederen! Zo gij wilt, o Heere, Gij kunt mij reinigen en behouden. Wederbaar mij naar Uw wil door het Woord Uwer waarheid. Achtervolg het gepredikte woord met Uw zegen. Zegen het ook aan anderen die het gehoord hebben, opdat Sion gebouwd worde en Uw koninkrijk uitgebreid. Breid het ook uit tot de volken die nog in de duisternis zijn, opdat Uw Naam op de gehele aarde heerlijk worde.
O Heere, maak het toch vruchtbaar in mijn ziel. Wat vrucht zal Uw woord toch geven, zo Gij het niet bekrachtigt aan mijn hart! Overreed mij, o Heere, zo zal ik overreed zijn. Zo Gij werkt, Gij zult mij te sterk bevonden worden, en wie zal het dan keren?
Verlicht mijn verduisterd verstand, zuiver mijn oordeel van alle verkeerde vooroordelen. Neig mijn wil tot de gehoorzaamheid van Uw geboden, opdat ik met verloochening van mijzelf en met verzaking van de wereld en de zonde, U mag dienen in gerechtigheid en heiligheid al de dagen mijns levens, en het Evangelie waardig wandelen. Laat Uw goede Geest mij geleiden in alle waarheid. Verzegel die op mijn hart, opdat ik Uw Woord mag bewaren tot het einde toe. Maak mij daartoe bekwaam en schenk mij die genade om Christus wil. Amen.
Gebed voor het eten
Goede God, Fontein van alle heil en zegen, Die alles wat er leeft, het leven, de adem en alle dingen geeft, wij bidden U, dat Gij deze spijs en drank gelieft te zegenen en te laten dienen tot een gezond voedsel voor onze lichamen en versterking van onze krachten.
Weer van ons alle overdaad en onmatigheid en verleen ons die genade, dat we deze Uw gaven in Uw heilige vreze met matigheid en dankbaarheid mogen nuttigen. Voed ook onze zielen met het brood van Uw Woord, opdat wij daardoor mogen wedergeboren en versterkt worden in de hoop van het eeuwige leven, hetwelk Gij voor uw kinderen bereid hebt door Christus Jezus, de enige Zaligmaker, Die met u verheerlijkt zij in alle eeuwigheid. Amen.
Gebed na het eten
Menslievende God! Hoe groot is uw goedertierenheid aan ons, die maar stof en as, ja, zondige mensen zijn! Gij hebt ons nu wederom zo mild met spijs en drank gevoed en verkwikt, waarvoor wij Uw Naam loven en danken.
Maar dewijl wij ook arm en gebrekkig zijn naar de ziel, zo vervul die met de gaven van Uw Geest, geloof, liefde en heiligmaking, opdat wij het leven, dat wij van U ontvangen hebben, tot Uw eer alleen besteden, U verheerlijkende, beide met ziel en lichaam, hier in de genade aanvankelijk, en hiernamaals, eeuwig en altoos, om uw Zoons wil. Amen.
Morgengebed
Getrouwe mensenhoeder! Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, dat Gij ons arme en onwaardige mensenkinderen, nog boven zoveel anderen in de dood niet hebt doen ontslapen, maar ons door de slaap verkwikt hebbende, in gezondheid doet opstaan! O langmoedige God! Dat Gij nog Uw zon doet opgaan over ons ondankbare mensen, zodat we nog Uw lieflijk licht in het land der levenden mogen aanschouwen. O blinkende Morgenster! O Zon der Gerechtigheid! Dat Gij eens zoudt willen opgaan en schijnen in onze duistere harten.
Geef ons geestelijke ogen des verstands, dat wij zien en levendig ondervinden mogen, hoe rampzalig onze staat is buiten de bestraling van Uw Goddelijk licht. Verlicht ons door Uw Woord en Geest, opdat wij niet in de duisternis, maar met verloochening van onszelf, met U in het licht mogen gemeenschap hebben. O Vader der barmhartigheden! Vergeef ons tot dat einde al onze menigvuldige zonden uit vrije genade, alleen om de genoegdoening van Uw geliefde Zoon Christus’ wil.
Geef ons die genade, dat wij Uw Koninkrijk eerst en boven alle dingen zoekende, ons alle andere dingen werden toegeworpen. Zegen ons daartoe in onze arbeid. Geef ons wijsheid, kracht en gezondheid, dat wij alles met lust mogen doen in Uw vreze.
Geef ons aandacht en opmerking, en zelfs geestelijke harten in ons wereldlijk beroep, om Uw wijsheid, goedheid, rechtvaardigheid en wonderlijke voorzienigheid in alles te leren zien, tot grootmaking van Uw heilige Naam.
En, o rechtvaardige God! Hebt Gij ons opgelegd, om der zonde wil, ons brood met smart te eten, och dat wij ook gedurig onze geestelijke armoede leerden kennen, om ook dagelijks de tijd wel uit te kopen, dat wij U mochten dienen, Uw Woord met liefde lezen of horen lezen, en steeds herdenken en daarnaar onze woorden en wandel mogen bestieren, tot eer van Uw Naam, tot stichting van onze naaste en eeuwige behoudenis van onze ziel, om Jezus wil. Amen.
Avondgebed
Goedertieren en weldoende God! Door Uw goedheid hebben wij deze dag wederom mogen beleven. Hadden wij die maar recht besteed in Uw vreze. Maak ons onze zonden en gedurige afdwalingen bekend, opdat wij ze ter harte nemen. En geef ons een boetvaardig en gevoelig hart, om tot U steeds weder te keren. En doe verzoening over al onze zonden, om Uw Zoon Christus’ wil.
Maak ons ook steeds ons einde bekend, hoe haastig en onverwacht onze dagen als gedachten heengaan. Leer ons, o Heere, alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart mogen bekomen. En geef dat wij van dag tot dag, meer en meer, onszelf, de wereld en de zonden afsterven mogen, om in nieuwigheid des levens te wandelen.
Getrouwe God! Bewaar ons ook, en de onzen, in deze aanstaande nacht, opdat wij ons hoofd niet gerust mochten neerleggen, totdat wij met U en Christus, uw Zoon, waarlijk verzoend waren. En verkwik ons ook door een matige slaap. Kom niet, Heere Jezus, als een dief in de nacht. Doe ons niet ontslapen in een schielijke dood. Maak ons altijd bereid. En als wij wakker worden, wilt Gij dan bij ons zijn.
Maak ons wakker uit de slaap der zonden. Geef ons lust en kracht om ons vlees te kruisigen en te doden en U in ziel en lichaam te verheerlijken. Verstoor ook alle werken des satans. Laat uw Woord als een licht zelfs schijnen in de duistere plaatsen. Zegen de bediening van het Evangelie, opdat Uw Koninkrijk kome, en Uw Naam van ons en anderen mag verheerlijkt worden. Ontferm u ook over ons lieve vaderland. Zegen onze overheden, onze vrienden en onze vijanden.
Gedenk toch aan alle noodlijdenden. Maak ze gevoelig over hun zonden. Schenk ze de verlossing in Christus en een gelukkige uitkomst tot Uw eer en hun zaligheid. En verleen ons ook wat Gij weet, dat wij naar ziel en lichaam nodig hebben, om U behaaglijk te dienen en te verheerlijken, uit uw vrije genade, om Christus’ wil. Amen.