Kort Ontwerp van de Leer der Waarheid – vragenboekje van vier Friese predikanten

Het Kort Ontwerp van de Leer der Waarheid is een bekend vragenboekje uit de Nadere Reformatie, geschreven door vier Friese predikanten. Dit inmiddels vergeten catechisatieboekje werd veel gebruikt in kerk en gezin en heeft grote invloed gehad op het geestelijk leven en het Bijbels onderwijs.

👉Lees ook de volgende gebeden uit dit boekje afkomstig:


Wat is het Kort Ontwerp van de Leer der Waarheid (vragenboekje)?

Het Kort Ontwerp van de Leer der Waarheid is een vragenboekje voor de catechisatie (zoals die van Hellenbroek) van vier Friese predikanten. Hierin wordt de gereformeerde leer van de Reformatie helder uiteengezet. Het boekje heeft zeker 12 herdrukken beleefd en is zelfs vertaald in het Maleis (1732) en Singalees (1744) voor gebruik in onze koloniën, zoals Nederland- Indië en Sri Lanka.

Verspreiding en invloed in binnen- en buitenland

Dit boekje genoot in de 18e eeuw grote bekendheid en volgens Van der Aa is het “in zeer vele gemeenten in gebruik geweest onder den naam van ‘Het boekje der vier predikanten' en heeft aldus op veler godsdienstig leven grooten invloed geoefend.”

Er verscheen ook een verkorte versie van onder de naam “Kort Uittrekzel”, bedoeld voor de jonge kinderen dat eveneens vele malen herdrukt werd. De vragen en antwoorden zijn veel korter dan in het oorspronkelijke boekje.

Titelpagina van het vragenboekje 'Kort Ontwerp van de Leer der Waarheid'

De vier predikanten

De vier Friese predikanten die bij dit vragenboekje betrokken waren, zijn:

  • Martinus Duirsma (spreek uit: Duursma) 1678-1740
  • Duirardus Duirsma, broer van Martinus (1680?-1735)
  • Augustinus Geukama (1682-1762)
  • Hillebrandus Mentes (1672-1731)

Martinus diende de gemeenten van Gerkesklooster, Oostermeer en Eestrum en ten slotte in Drachten. Zijn broer Duirardus was predikant te Suawoude en Tietjerk. Geukema stond te Gerkesklooster en Oostermeer. Mentes tenslotte was herder van de gemeente te Bergum en later Visvliet.

Vier Friese predikanten

Het geestelijke doel van het vragenboekje

In het voorwoord wordt opgemerkt: “Wat de andere boekjes aangaat, wij oordelen dat sommigen te hoog en te zwaar voor de eenvoudigen en anderen met nodige praktijk van godzaligheid niet genoegzaam doorwrocht zijn. En de meesten vooronderstellen te veel in hun toehoorders. De grond- of worteloorzaak van het bederf is naar ons oordeel niet genoeg doorzien.”

Waarschuwing tegen valse gronden in het geloof

Ze vervolgen: “Men heeft de mensen als reeds bekeerd of van hun jeugd geheiligd aangemerkt, omdat zij in de kerk van Christus, van christelijke ouders geboren, gedoopt en in de kerk aangekweekt of, volwassen zijnde, in de gemeenschap der kerk zeer gemakkelijk geraakt waren."

Nadruk op ware bekering en leven uit Christus

"Zij hebben zich dus veelal op valse gronden gebouwd, daar zij in de grond nooit hun verloren staat buiten Christus hebben gevoeld, niet inwendig geheiligd nog veranderd zijn, om uit de vereniging met Christus een heilig leven te leiden met verloochening van zichzelf en de begeerlijkheden der wereld. Hierom is het dat wij nu zovele valse gronden ontdekken moeten, opdat niemand schipbreuk zou lijden aan zijn geloof en met een ingebeelde hemel naar de hel ga. Dienvolgens is het zeer nodig op de grond van het hart te tasten en alle valse sterkten de bodem in te slaan."

Plaats binnen de Nadere Reformatie

"We volgen in dezen het spoor van zovele, eerbare en wakkere mannen die in geleerdheid en godzaligheid als sterren aan het firmament van de kerk van Christus hebben uitgeblonken en nog blinken in hun geschriften. Zoals de eerwaardige heren Teellinck, Saldenus, Lodenstein, Witsius, de beide Brakels, Koelman, Alardin, Vitringa onze hooggeachte en beroemde meester, D’ Outrein, Hellenbroek, Eversdijk en meer anderen."

Tekst van het vragenboekje 'Kort Ontwerp'

De inhoud van het boek willen we in de loop van de tijd hieronder opnemen. 
De tekst is overgenomen uit de editie van 1757 (11e druk, Pieter Koumans, Leeuwarden) met lichte aanpassingen. Van volledig uitgeschreven Bijbelteksten in het origineel zijn in de meeste gevallen alleen de Schriftplaatsen vermeld, tenzij het antwoord een volledig citaat vereist. U kunt de tekst volledig  lezen door de muis over de Schriftplaats te laten gaan.

De eerste hoofdstukken zijn gevuld (tot en met hoofdstuk 8) en de gebeden onderaan eveneens.

Opdracht

Aan de weledele, hooggeborene, en gestrenge heer, mijn heer

JOH. VAN GLINSTRA,

Grietman van Tietjerksteradeel, en mede Gecommitteerde in de Provinciale Rekenkamer van Friesland.

Voortreffelijke heer,
Mijn heer,

Het heeft de allerhoogste God, Die boven alles in majesteit en heerlijkheid verheven is, behaagd sommigen uit de mensenkinderen als machten en overheden op de stoel van eer te zetten, met zwaard en scepter in hun handen; niet opdat zij zichzelf verheffen, maar opdat zij hun onderdanen besturen zouden naar recht, en regeren in gerechtigheid, met de kwade te straffen en de goede te beschermen en te belonen; want God heeft haar gericht gegeven, en haar troon zal door gerechtigheid verhoogd worden. Doch indien iets de overheden achtbaar, en hun regering ontzaglijk maakt, zo is daarin ook bijzonder gelegen dat zij zelf de zuivere godsdienst zijn toegedaan, en zich gedragen als voedsterheren der kerk. Want hoewel Jezus alleen de Koning, en het Hoofd van Zijn kerk is, zo neemt dit evenwel een wettige regering niet weg; de kerke Christi is niet schadelijk, maar voordelig aan ’t gemenebest, en haar overheden onderworpen; en ofschoon de overheden geen meesterschap mogen voeren over Christi erfdeel, omdat de Heere alleen haar Rechter, Wetgever en Koning is, zij mogen echter de kerk wel met hun wijze raad dienen, en onder de vleugelen harer bescherming nemen.

Gewis, als deze dingen hand aan hand gepaard gaan, gelukkig is het land, gezegend is de stad, voorspoedig is het volk! Want van een godvruchtige, wijze en rechtmatige regering hangt veeltijds af het welwezen van land en kerk; gelijk de ervaring dit ten allen tijden bevestigd heeft: daar David, waar Afas, waar Josaphat, waar Hizkia, waar Josia op de troon zitten, daar gaat het wel, daar bloeit de zake Gods, het rijk van Koning Jezus.

Omdat nu, weledele, hooggeborene, en gestrenge heer, de Goddelijke voorzienigheid UEd. mede gesteld heeft onder de hoofden des lands, onder wiens vleugelen wij schuilen, en zulke aangename schaduw vinden, zo nemen wij de vrijmoedigheid om UEd. aanzienlijke naam te stellen op ’t voorhoofd van dit ons gering werkje, om alzo een openbare betuiging te doen van de hoogachting en verplichte dankbaarheid, die wij UEd. schuldig zijn, voor zulke vriendelijke bejegeningen en blijken van toegenegenheid, die wij genoten hebben en nog genieten.

Wij zullen hier de gewoonte niet opvolgen, die doorgaans de opdrachtschrijvers gemeen is; welke, wanneer zij met de namen van aanzienlijke personen voor hun werken pronken, met de uitgezochtste woorden hun lof en deugden ten top verheffen; want wij zijn niet gewoon met pluimstrijkende woorden om te gaan, oordeelende zulks onbetamelijk voor dienstknechten Jesu Christi. Ook zou UEd. inborst geenszins gedogen, veel minder van ons verwachten, dat wij ons in een lofuiting van hun voorbeeldige nederigheid, bescheidenheid, zachte en aangename regering, welmenendheid, voor ons lieve vaderland in ’t algemeen, en zijne ingezetenen in ’t bijzonder, zouden begeven.

Wij verzoeken dan ootmoedig, dat dit ons werkje, hoe klein en gering het ook mag zijn, met die genegenheid, waarmede wij het eerbiedig in Uw schoot neerleggen, van UEd. mag ontvangen worden.

Wij kunnen betuigen dat de innige liefde voor onze gemeente ons voornamelijk heeft bewogen om deze onze letteren aan ’t licht te brengen, als ook de algemene opbouwing van Gods kerk; indien wij hiervan enige vrucht mochten zien, ’t zou ons in de Heere verblijden.

Voorts bidden wij dat de algenoegzame God, Zijn rijke en milde zegen gelieve uit te storten over UEd. dierbaar persoon en aanzienlijke familie; Hij beware die in langdurige gezondheid tot dienst en voordeel van land en kerk, en eindelijk verzadigd van dagen zijnde, neme Hij die over in Zijn eeuwig Koninkrijk, om daar het eeuwig leven te genieten, in de gemeenschap van een algenoegzame God, voor eeuwig en altoos.

Dit is de innerlijke zucht en zielenwens,

Weledele, hooggeborene
en gestrenge heer,

Van UEd. verplichte en gehoorzame dienaars in Christus,

Martinus Duirsma,
Bedienaar des Evangelies in de Drachten.

Augustinus Geukema,
Dienaar Jesu Christi te Bommel.

Duirardus Duirsma,
Bedienaar des Goddelijken Woords te Suawoude en Tietjerk.

Hillebrandus Mente,
Bedienaar des Evangelies te Bergum.

Aan de waarheidlievende lezer

Buiten twijfel zullen velen verwonderd staan, dat wij in deze geleerde eeuw tevoorschijn komen met een boekje, waarin wij laag kruipen, temeer dewijl de kerk van allerlei slag van vraagboekjes als overladen is.

Maar deze verwondering zal ophouden, als de lezer met opmerking (zonder vooroordeel) de tegenwoordige gestalte van onze kerk, en ons voornemen in dezen recht, zal overwogen hebben.

Wat het eerste betreft: wij willen niet betwisten, maar met dankzegging erkennen, het groot geluk, dat de Heere ons uit de duisternis van het afgodisch pausdom heeft uitgeleid, en dat in onze kerk de ware Godgeleerdheid ongeschonden is bewaard geworden. Ook zijn er nog die te Jeruzalem ten leven zijn aangeschreven, en lust hebben te wandelen in de wegen des Heeren. Maar echter moet men in het algemeen zeggen, dat wij meer gelijkvormigheid hebben met de kerk van Laodicéa, dan met die van Filadélfia, en de redenen schijnen naar ons oordeel deze te zijn.

De eerste kerkhervormers zijn wel gedrongen geweest naar vereis van die tijden, de dwalingen, zo van de roomse kerk, als van andere gezindheden, tegen te gaan. Maar mettertijd behoorde men meer toegelegd te hebben, om de toehoorders hun eigen valse gronden te ontdekken, en Christus in het hart een gestalte te doen hebben; daar men nu integendeel mettertijd de Godgeleerdheid heeft beginnen te schoeien naar een schoolgeleerde trant, en niet altijd zulke wapenen heeft gebruikt, welke ons God Zelf door rede en openbaring in handen geeft; maar die men van elders uit menselijke schriften halen moest. Zo kan men lichtelijk denken dat de staat van zulke gemeenten doorgaans zeer mager en levenloos moet geweest zijn; want daardoor werden de mensen, of opgeblazen in het verstand van hun vlees, vervult met strijd en twist tegen de partijen, of die zich daarmede niet bemoeien, konden of wilden, bleven in een diepe onwetendheid, of geestelijke zorgeloosheid.

Een tweede reden van het verval in het christendom ingeslopen, zou men kunnen afhalen van de al te gemakkelijke toegang, die elk vergunt wordt tot de heilige Bond-zegelen, van Doop en Avondmaal, om mogelijk op zulken wijze de mensen uit te lokken tot de schoot van onze kerk, min of meer, of dan hun staat reeds veilig en heilig was, zonder nauwkeurige kennis te nemen, of ze enig begrip hadden van de Heilige Doop en des Heeren Avondmaal, voor wie dezelve waren ingesteld, en wat er al in bondelingen des Nieuwen Testaments meer vereist wordt. En of al de leraren op de preekstoelen klaagden over onwetendheid, en aandrongen op de oefening van ware Godzaligheid, wat voordeel konden die arme onwetende mensen daarvan trekken, zonder voorgaand onderwijs in de gronden van het christendom? Immers worden in alle kunsten zekere eerste grondbeginselen voorondersteld, die eerst recht moeten verstaan worden, zal men verder gelukkiglijk voortgaan. Of een meester tot een ongeleerde knecht bijvoorbeeld al zegt, dat hij werken moet, hij zal echter zonder voorgaand onderwijs verlegen staan, en geen goed werk maken.

Men kan hier nog bijdoen, dat in huisbezoeken niet, of weinig is aangedrongen op de plichten van een waar christen, als de reeds aangenomen lidmaten maar niet slechts ingewikkeld waren in burgerlijke geschillen of openbare ergerlijke zonden, heeft men ze als broeders en zusters in de Heere genodigd tot het Heilig Avondmaal, en de troostbeloften des Evangelies toegezegd.

Ten vierde, de sleutelen zelfs van het Koninkrijke der hemelen, zijn veeltijds verwaarloost, men blijft af van des Heeren Tafel, men gaat eraan naar zijn welgevallen, men verloopt zich in allerlei zonden, en dit gaat veeltijds ongestraft heen. Zou nu zulk een kerk wel een besloten hof, en een verzegelde fontein kunnen genoemd worden? Hooglied 4:12. Lijkt ze wel op de bruid van Christus, en op de koningin die aan Zijn rechterhand staat in het fijne goud van Ofir, en in gestikte klederen tot de Koning behoorde geleid te worden, Psalm 45:10, 14, 15. Is ze wel geheel verheerlijkt inwendig? Kan men wel zeggen, dat ze schoon is als de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren? Hooglied 6:10. Worden hier de poorten geopend, dat het rechtvaardige volk inga, hetwelk de getrouwigheden bewaart, Jesaja 26:2. Waarlijk de kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben! Klaagliederen 5:16.Elk ware liefhebber Sions zou met Jeremia wensen: och, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een springader van tranen! Zo zou ik dag en nacht bewenen de breuk der dochter Sions, Jeremia 9:1. Want de wereld is in de kerk doorgebroken, en heeft die vervult met onwetende, aardgezinde, vleselijke en onwedergeborene, ja zelfs met vele ergerlijke en boze mensen.

Hier is het dan ook vandaan gekomen, dat God Zijn zegen en genade ingetrokken, en een geest des diepen slaaps over onze kerk heeft uitgegoten, en wie weet hoe lange! Het is waar, de oorsprongen van dit bederf der kerk zijn al sinds lange tijd door vele geleerde en Godzalige mannen gezien; en men heeft de Godgeleerdheid uit de redekunde, en Goddelijke openbaring, veel klaarder en Schriftmatiger voorgedragen. Ook is de kennis van oudheidkunde, en allerlei Oosterse talen, ten top geklommen, welke met matigheid gebruik, groot licht verschaft aan de uitlegging van Gods Woord; maar zeldzaam kan men wijs zijn tot matigheid. De geleerdheid heeft de ziel al te veel overmeesterd, waaruit dan ook is voortgevloeid, dat men zo in het prediken als schrijven meer op kennis, dan op de oefening van ware Godzaligheid heeft aangedrongen; even alsof die met dezelve altoos gepaard ging. Echter, de droeve ervaring leert ons maar al te zeer, dat velen in de uitwendige kennis wel zeer gevorderd, maar echter weinig ware en wezenlijke Godzaligheid in hun wandel naar buiten vertonen, of ten beste genomen een gedaante, zonder de kracht daarvan, 2 Timotheüs 3:5.

Hier komt nog bij, dat men veeltijds zonder geestelijke voorzichtigheid, zonder kentekenen van ware genade, de kerk des Nieuwen Testaments zeer heerlijk afschildert, de antichrist overal gezocht, en zichzelven zonder enige grond van waarheid gerechtvaardigd heeft. Wat kunnen de toehoorders hieruit anders denken, dan dat zij een vrijgemaakt, heilig en gelukkig volk waren. Maar wat is toch de kerk des Nieuwen Testaments, indien zij Christus’ Geest niet heeft? Wat helpen namen, ijdele loftuitingen, zonder zaken?

Als tot verstandigen spreken wij, oordeelt gij dan, wat recht en billijk is. Zou het geen kerk-roverij, en schending van het heilige zijn, de heerlijkheden des Evangelies, en de voortreffelijke goederen des Nieuwen Testaments, te huis te brengen op een onwetend, en in de grond onbekeerd, of zeer dood en geesteloos volk? Is dit niet de paarlen voor de zwijnen te werpen? Moest men zijn toehoorders eerst niet levendig ontdekken, dat we overeenkomst behoren te hebben met de rechte gestalte en geestelijke hoedanigheden van Christus’ kerk, zouden wij ons deszelfs heerlijke beloften eigen maken? Immers vooronderstellen de beloften zekere voorwaarden, en een heerlijk genadewerk van Christus’ Geest in het hart Zijner kinderen gewrocht, eer men de toepassing derzelver op het hart der toehoorders kan verzegelen. Immers, de apostelen hebben hun brieven geschreven alleen aan de gelovige en geroepen. Derhalve is het een grote misgreep die heerlijke beloften zonder onderscheid aan allen toe te wijzen, en zo in het algemeen te grabbel te werpen.

Dewijl wij nu deze droevige gestalte van de kerk door Gods genade zagen en ons de Heere door Zijn voorzienigheid nabij elkaar geplaatst had, zijn wij in onze christelijke bijeenkomsten, tot onderlinge opwekkingen aangelegd, te rade geworden ons zelf te verloochenen, van eigen vernuft af te staan en ons talent op woeker te leggen, om het verval der kerk te helpen herstellen, Sions vervallen muren benevens andere, onder de verwachting van des Heeren hulp weer op te bouwen, en aan ons licht getrouw te zijn.

Maar wij hebben wel gewikt, dat dit de weg niet zou zijn, om eer, achting en aanzien bij mensen te behalen; hetgeen wij ook niet zoeken; maar alleen het belang en voordeel van Christus’ Koninkrijk.

Bijzonder is onze toeleg geweest, om dit Vragenboekje te gebruiken tot dienst van onze toebetrouwde gemeenten. Om daaruit de nieuwe aankomende lidmaten, ook de eerste beginnende jongelingen en kinderen te catechiseren. Ja zelfs de oude lidmaten in de huisbezoeken een ontwerp te geven, waarnaar zij zich des te beter schikken konden, en zo onze voorgestelde vragen des te gemakkelijker beantwoorden, en opdat zij zo allengskens mochten gewend worden, om onze openbare leerredenen met des te meer zielsvrucht aan te horen en elk naar zijn gestalte toe te passen.

Maar zal iemand zeggen, de kerk is reeds genoeg voorzien van zulke vragenboekjes, ja daar zijn er te veel op de baan, het geeft maar verwarring in de gemeenten. Wij willen niet loochenen de voorraad, welke onze kerk heeft van allerlei geleerde, en ook eenvoudige boekjes, waar de eerste beginselen worden ingescherpt. Maar in elk geval, die vrijheid, welke zich andere leraren hebben aangematigd, kan ons niet betwist worden, dewijl wij altoos binnen het bestek van de regelmaat des geloofs blijven.

En wat de andere boekjes aangaat, wij oordelen, dat sommige te hoog en te zwaar voor de eenvoudigen, en andere met nodige praktijk van Godzaligheid niet genoegzaam doorwrocht zijn, en meest alle vooronderstellen zij te veel in hun toehoorders. De grond- of worteloorzaak des bederfs is naar ons oordeel niet genoeg doorzien.

Men heeft de mensen als reeds bekeerd of van der jeugd geheiligd aangemerkt, omdat zij in Christus’ kerk, van christelijke ouders geboren, gedoopt, en in de kerk aangekweekt, of volwassen zijnde in de gemeenschap der kerk zeer gemakkelijk geraakt waren. En dus zichzelven veeltijds op valse gronden hadden gebouwd, daar zij in de grond nooit hun verloren staat buiten Christus hebben gevoeld, niet inwendig geheiligd, noch veranderd zijn, om uit de vereniging met Christus een heilig leven te leiden, met verloochening van zichzelven, en de begeerlijkheden der wereld. Hierom is het dat wij nu zovele valse gronden ontdekken moeten, opdat niemand schipbreuk lijde aan zijn geloof, met een ingebeelde hemel naar de hel ga. Dienvolgens is het zeer nodig op de grond van het hart te tasten, en alle valse sterkten de bodem in te slaan, volgende in dezen het spoor van zo vele brave en wakkere mannen, die in geleerdheid en Godzaligheid als sterren aan het firmament van Christus’ kerk hebben uitgeblonken, en nog blinken in hun schriften, hoedanigen zijn de eerwaarde heren Teelinck, Saldenus, Lodenstein, Witsius, de beide Brakels, Koelman, à Marck, Vitringa, onze hooggeachte en beroemde meester d’ Outrein, Hellenbroek, Evertsdijk, en meer anderen.

Of wij nu in dezen ons voorgenomen bestek voldoen, laten wij over aan het oordeel van den onpartijdige en waarheidlievende lezer.

Wensende voorts, dat dit ons boekje met zulk een toegenegenheid mag aangenomen en gelezen worden, als het van deszelfs makers tot ere Gods, en voordeel van Christus’ Koninkrijk is opgesteld. En dewijl nog hij die plant, nog hij die nat maakt, iets is, maar God alleen de wasdom geeft, zo bidden wij de Algenoegzame, dat Hij het werk onzer handen wil bevestigen, en daarover licht en schijnsel geven.

O Heere! Bouw eens de muren van Jeruzalem op; doe wel bij Sion naar Uw welbehagen!

1. Van de natuurlijke Godskennis

  1. Welke is de eerste waarheid?
    Dat God is, Hebreeën 11:6.
  2. Waaruit wordt God gekend?
    Door het licht der natuur en nog klaarder door de Schriftuur
  3. Hoe wordt God gekend door het licht der natuur?
    1. Uit de aandachtige beschouwing van mezelf.
    2. Van de schepselen buiten mij.
  4. Is er iets kennelijks in u van God?
    Dit leert Paulus in Romeinen 1:19
  5. Blijkt zulks ook uit de wil?
    Ja, omdat zij zich uitstrekt tot een eeuwig goed.
  6. Is er meer bewijs?
    De consciëntie leert zulks ook zeer krachtig
  7. Wat verstaat gij door de consciëntie?
    Een medebewustheid van al onze daden met God, die daarom een lamp des Heeren genoemd wordt, Spreuken 20:27.
  8. Hoe volgt daaruit dat er een God is?
    Omdat zij de mens vrij spreekt als hij wel doet en Gods wraak dreigt als hij kwaad doet, Romeinen 2:14-15.
  9. Leert gij dit ook niet uit de beschouwing van uw lichaam?
    Ja, dewijl hetzelve zo kunstig is toebereid dat het mij tot een wijs en almachtig Werkmeester opleidt, Psalm 139:14-15.
  10. Wat is er buiten u, waaruit God gekend wordt?
    De hemelen zeer kunstig uitgebreid, de zon, maan en sterren roepen als met luide stem: Daar is een God, Psalm 19:2-4.
  11. Is er meer bewijs?
    De beschouwing der ganse aarde en zee met haar volheid overtuigt mij van een Godheid.
  12. Op wat wijze?
    De verscheidenheid der schepselen hun bewegingen, nette orde, sieraad en gebruik geven dat klaar te kennen, Job 12:7.
  13. Verklaar dit eens door gelijkenissen.
    Neem eens, gelijk de welgepaste delen van een huis, de raderen van een uurwerk, en de trekken van een kunstig schilderij een wijs werkmeester vereisen, dus leiden ons de schepselen van het heelal tot een wijs Maker, Psalm 104:24.
  14. Is nu deze kennis Gods genoegzaam tot zaligheid?
    Geenszins, want de rede is verduisterd en openbaart ons niet de weg der zaligheid welke alleen Jezus Christus is, Johannes 14:6.

    Gebruik
  15. Heeft zij echter niet enige nuttigheid?
    Gewis, want God heeft de mens niet te vergeefs met een redelijk verstand begaafd, Psalm 32:9.
  16. Waartoe dient zij dan?
    Om in alle schepselen de Schepper te zien, te horen en te vinden, Handelingen 17:27.
  17. Waartoe strekt zij verder?
    Zij dient ook tot een geschikte onderhouding van de samenleving der mensen, dewijl alles anders tot een grote wanorde zou vervallen.
  18. Stelt zij ook niet de mens onverantwoordelijk voor God?
    Ja toch, Romeinen 1:20.
  19. Wie zijn hier dan te beschuldigen?
    Zulke dwazen die zeggen, daar is geen God, Psalm 14:1.
  20. Wie meer?
    Alle onwetende naamchristenen, die boven het licht der natuur ook nog Gods Woord hebben, echter God niet kennen, 1 Korinthe 15:34.
  21. Welke nog?
    Die voorgeven God te kennen, maar Hem niet verheerlijken, Romeinen 1:21.
  22. Wat staat zulken te vrezen?
    Dat zelfs de heidenen in het laatste oordeel tegen hen zullen opstaan, opdat vele derzelver in de kennis Gods en uitwendige deugdzaamheid verder gekomen zijn.

2. Van de Heilige Schriftuur

  1. Aangezien de natuurlijke kennis Gods niet genoeg is ter zaligheid, waarom moet de zondaar het middel ter verzoening met God dan zoeken?
    In de Heilige Schriftuur, waarin God de weg des levens heeft geopenbaard.
  2. Welke houdt Gij daarvoor?
    De boeken des Ouden en Nieuwen Testaments, die door Gods Geest ingegeven en van de heilige mensen beschreven zijn.
  3. Welke zijn de boeken des Oude Testaments?
    Die voor Christus geboorte geschreven zijn van Mozes en de profeten.
  4. Hoeveel zijn ze in getal en hoe volgen zij in orde?
    Ze zijn 39 in getal en volgen aldus met hun namen: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium, Jozua, Richteren, Ruth, twee boeken van Samuël, twee boeken van de Koningen, twee van de Kronieken, Ezra, Nehemia, Esther, Job, Psalmen, Spreuken van Salomo, Prediker, het Hooglied van Salomo, de vier grote profeten, zoals Jesaja, Jeremía met de Klaagliederen, Ezechiël, Daniël, en de twaalf kleine, namelijk Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Zefanja, Haggaï, Zacharia, Maleachi.
  5. Welke zijn de boeken des Nieuwe Testaments?
    Die na Christus geboorte beschreven zijn door de heilige evangelisten en apostelen.
  6. Noemt ze eens in haar getal en orde?
    Zij zijn 27 in getal, te weten: de vier Evangelisten, zoals Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes, de Handelingen der apostelen, de veertien brieven van Paulus, geschreven aan de Romeinen, twee aan de Korinthiërs, aan de Galaten, Efeziërs, Filippensen, Kolossenzen, twee aan de Thessalonicenzen, twee aan Timotheüs, aan Titus, Filemon en de Hebreeën, en zeven algemene zendbrieven, één van Jacobus, twee van Petrus, drie van Johannes, de zendbrief van Judas en de Openbaring van Johannes.
  7. Zijn er nog andere Goddelijke boeken?
    Nee.
  8. Wat oordeelt gij dan van de apocriefe boeken?
    Dat zijn menselijke schriften, waarin vele tegenstrijdigheden, maar ook nuttige leringen in voorkomen.
  9. Maar waaruit weet gij dat de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments Goddelijk zijn?
    De zaken in dezelfde begrepen zijn heilig en hemels en kunnen daarom van niemand als van God zelf zijn voortgekomen.
  10. Waartoe zoudt gij die bepalen?
    Men kan ze brengen tot de geschiedenissen, voorzeggingen met haar vervullingen, leerstukken en geboden.
  11. Waarmede zijn nu deze zaken bevestigd?
    Met Goddelijke wonderwerken, Hebreeën 2:4.
  12. Zijn ze ook niet van een krachtige uitwerking op het gemoed van de mensen?
    Gewis, zij zijn krachtig tot ontdekking en bekering van de zondaar, Jeremia 23:29.
  13. Hebben ze die uitwerking omtrent alle mensen hoofd voor hoofd?
    Nee, want daar zijn er op welkers hart een deksel ligt, 2 Korinthe 3:15. 1 Petrus 2:8.
  14. Wat wordt er dan bovendien nog vereist?
    Het getuigenis van de Heilige Geest, Die het verstand moet verlichten, het hart openen en de zondaar in alle waarheid leiden, Efeze 1:17-18. Handelingen 16:14. Johannes 16:13.
  15. Staan alle dingen ter zaligheid nodig in dit Woord der waarheid?
    Ja, want de wet des Heeren is volmaakt, bekerende de ziel. Psalm 19:8. 2 Timotheüs 3:15.
  16. Is de Schriftuur ook klaar om te verstaan?
    Daarin zijn wel veel zware verborgenheden, maar echter de leer der zaligheid is daarin klaar geopenbaard. Psalm 119:105.
  17. Kan deze klaarheid van een natuurlijk mens wel gekend worden ter zaligheid?
    Wel naar de uiterlijke letter, maar niet in haar zielsveranderende kracht, nuttigheid en gebruik. 1 Korinthe  2:14.
  18. Waarom wordt zij dan een licht en lamp genoemd?
    Zodanig is die in zichzelf en voor die, die licht zijn in de Heere.
  19. Toont dit door een gelijkenis.
    De zon en hoe klaar en helder zij ook schijnt kan echter van een blinde niet gezien worden.
  20. Moet elk mens deze heilige Schrift ook lezen?
    Christus gebiedt dit uitdrukkelijk. Johannes 5:39.

    Gebruik
  21. Zijn we Gode voor Zijn Woord geen dankbaarheid schuldig?
    Ten hoogste, want daarin alleen heeft de Heere geopenbaard hoe Hij de God en het hoogste Goed van de zondaar kan en wil worden.
  22. Waarin bestaat deze dankbaarheid?
    Dat we dit Woord met hoogachting veel lezen en daaruit met nederigheid de weg der zaligheid leren kennen om God aldus te mogen verheerlijken.
  23. Doen dit de mensen in het algemeen wel?
    Dat scheelt veel, want de meesten zijn in deze traag en gans lusteloos. Job 21:14.
  24. Maar velen zeggen: we kunnen niet lezen.
    Ook hebben ze geen gezette genegenheid om te willen leren het welk echter zeer nodig is. Handelingen 17:11.
  25. Andere wenden voor: wij hebben daartoe geen tijd vanwege onze kostwinning en zwaar huisgezin.
    Desniettegenstaande zijn ze evenwel verplicht de uren en ogenblikken daartoe uit te kopen, Efeze 5:15-16. Mattheüs 6:33.
  26. Doen de meesten dit wel?
    Nee, want de tijd wordt veel tijds onnut doorgebracht met aardse samensprekingen en allerlei zondige gezelschappen en wel meest op de dag des Heeren.
  27. Sommigen brengen in: ik ben eenvoudig en daarom onbekwaam om te leren.
    Zulken hebben te weten dat de wet des Heeren de slechten wijsheid geeft, Psalm 19:8.
  28. Velen geven voor: ik heb een kort geheugen en daarom kan ik niet onthouden.
    Daar scheelt het altoos niet aan, want haar hart en mond is vol van de wereld, 1 Johannes 4:5; Hebreeën 2:1.
  29. Wat hebben zulken nodig?
    Ze moeten, zoveel mogelijk is, zich van aardse dingen ontlasten en integendeel zich veel aan de Heere en Zijn Woord gewennen. Job 22:21-22.
  30. Maar die niet veel weet, zal ook weinig hebben te verantwoorden.
    Onder deze dekmantel verbergen zich vele tragen, doch zij mogen wel staat maken dat de onwetendheid nu onder zulk een klaar licht des Evangelies ten enenmale onverschoonlijk is. 2 Thessalonicenzen 1:8-9.
  31. Hoe zoudt gij dit nader ophelderen?
    Indien een koning zijn wetten laat gemeen maken en de onderdanen dezelve wetens en willens verwaarlozen, zouden dan zulken onverschoonlijk zijn?
  32. Is dit ook zo gelegen met onwetenden bij God?
    Ja, de wet zegt: En indien een mens zal gezondigd hebben en gedaan tegen een van alle geboden des HEEREN, hetwelk niet zou gedaan worden, al is het dat hij het niet geweten heeft, nochtans is hij schuldig en zal zijn ongerechtigheid dragen, Leviticus 5:17.
  33. Doch de Heere heeft niet allen evenveel gegeven.
    Het is waar, nochtans eist de Heere zoveel als elk ter zaligheid nodig is, ook heeft men wel toe te zien dat men de schuld op de Heere niet legge.
  34. Maar wij kunnen allen geen leraars noch catechisanten zijn.
    Een iegelijk is nochtans verplicht om belijdenis te doen van zijn geloof, 1 Petrus 3:15. En Mozes wens was: Och, of al het volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave, Numeri 11:29.
  35. Is het dan genoeg als men veel van Gods Woord weet te spreken?
    Geenzins, want de kennis der waarheid moet met de godzaligheid gepaard gaan. Titus 1:1. Mattheüs 7:21.
  36. Wat onderscheidt is er dan tussen letterkundigen en die van de Heere geleerd zijn?
    De eersten berusten in de uitwendige letter en worden naar de waarheid niet veranderd. De tweede dringen door tot de geestelijke zin der waarheid en kennis van zichzelf. En dus is het Woord voor hen een zaad der wedergeboorte en een dagelijks voedsel der ziel, 1 Petrus 2:2, gelijk ook een regel des levens, Galaten 6:16.
  37. Is er meer onderscheid?
    De eersten worden opgeblazen en zoeken eer en achting bij de mensen. De laatsten worden daardoor vernederd, geheiligd en veracht bij de wereld. Jeremia 20:8. 1 Korinthe 8:1.
  38. Hebt gij nog meer?
    De eersten vertragen en vallen af als zij hun oogmerk niet verkrijgen. De anderen daarentegen is en blijft Gods woord hun lust en vermaking, Psalm 119:92.
  39. Hoedanig moet elkeen het Woord lezen en onderzoeken?
    Niet terloops, maar met alle aandacht en opmerking. Hij moet het gelezene bij zichzelf overleggen en herkauwen, gelijk de reine dieren. Hij moet niet alleen een hoorder, maar ook een dader des Woords zijn. Jakobus 1:22-25.
  40. Wat dient nog meer tot recht verstand der Heilige Schrift waargenomen te worden?
    Men moet ook de spreekwijzen overdenken, de samenhang der woorden onderzoeken, op het oogmerk van de schrijver nauwkeurig acht geven en de ene plaats met de andere vergelijken. 1 Korinthe 2:13.
  41. Maar indien er iets voorkomt dat men niet begrijpt, wat is dan nodig?
    Dat men alle eigen wijsheid verzake, alle vooroordelen aflegge en Gods Woord met onderwerping gelove. 2 Korinthe 10:5.
  42. Wat middelen zijn er nog meer aan te wenden?
    De predicaties, catechisaties, bijzondere oefeningen en samensprekingen met godvruchtigen, Kolossenzen 3:16.
  43. Wat staat de huisvaders en moeders te betrachten omtrent hun kinderen en huisgenoten?
    Ze moeten hen in alle godzaligheid voorgaan met dezelve bijzondere huisoefening houden en die van jongs af aan naar de kerk en school zenden. Deuteronomium 6:6,7. 2 Timotheüs 3:16-17.
  44. Worden deze dingen wel naarstig waargenomen?
    O nee, vele ouders zijn zelf zeer onkundig en daarom ook liefdeloos omtrent hun kinderen en huisgenoten.
  45. Welke zijn de allernodigste middelen?
    De vreze des Heeren, Psalm 25:14; Jesaja 66:2. En het gebed voor, onder en na het betrachten van al die gemelde middelen, Jakobus 1:5.
  46. Is het dan genoeg in die uiterlijke plichten te berusten?
    Nee, maar het is des zondaars plicht daarin vlijtig aan te houden, of het de Heere mocht behagen zijn hart te raken, hem inwendig te veranderen en de bekering ten leven te schenken.

3. Van het wezen Gods en Zijn volmaaktheden

  1. Waar spreekt de Schrift het meest van?
    Van God, zoals Hij van de zondaar gekend, bemind en gediend moet worden.
  2. Wat is God?
    Een Geest, Johannes 4:24.
  3. Wat is een geest?
    Een wezen, welkers aard bestaat in een gedurige werkzaamheid van verstand en wil.
  4. Is God ook zulke een wezen?
    Ja, Hij is het allervolmaakste Wezen.
  5. Kan men dit allervolmaakste Wezen met ons eindig verstand wel begrijpen?
    Geenzins, Job 11:7.
  6. Hoe zal men dan tot kennis van Gods Wezen komen?
    God heeft Zijn Wezen door verscheidene namen en volmaaktheden geopenbaard.
  7. Spreek de heilige Schrift wel van Gods Namen?
    Ja, zeer veel. Psalm 22:23. Johannes 17:6.
  8. Wat wordt daardoor al verstaan?
    Gods Wezen zelve, Zijn volmaaktheden, wegen en werken tot Zijn heerlijkheid in Christus Jezus geopenbaard. Exodus 23:21.
  9. Maar zijn er niet enige bijzondere namen die God Zich toe-eigent in Zijn Woord?
    Ja, verscheidene. Welkers getal en betekenis in de Korte Schets van de geleerde heer D' Outrein kan nagezien worden, pagina 79.
  10. Maar waardoor maakt God Zijn Wezen meer aan ons bekend?
    Door Zijn volmaaktheden.
  11. In wat orde zoudt gij ze bevatten?
    Ze behoren:
    1. tot Gods wezen in het algemeen,
    2. tot Zijn leven in het bijzonder.
  12. Hoedanig is het Wezen Gods?
    Enkel geestelijk, en derhalve kan Het niet aangeraakt, nog afgebeeld worden. 1 Timotheüs 1:17. Lukas 24:39.
  13. Nochtans worden God ogen, oren, handen en voeten toegeschreven.
    Dit geschiedt oneigenlijk: Zijn ogen en oren beduiden zijn alwetendheid, de handen Zijn almacht, de voeten Zijn alomtegenwoordigheid.
  14. Is God ook onafhankelijk?  Ja, Hij bestaat en werkt uit en van Zichzelf en alles hangt van Zijn wil af. Johannes 5:26.
  15. Is God altijd geweest?
    Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Psalm 90:2.
  16. Kan God wel veranderd worden?
    Hij is allervolmaakst en daarom de minste verandering noch in Zijn wezen, noch in Zijn besluiten onderworpen. Maleachi 3:6. Jesaja 46:10. Jakobus 1:17.
  17. Hoe wordt Hem dan berouw toegeschreven?
    Oneigenlijk. Dit geeft in God geen verandering in Zijn voornemen, maar in Zijn werk te kennen. Numeri 23:19.
  18. Maken al deze verscheidene volmaaktheden geen samenstelling van delen in God?
    Nee, want Hij is eenvoudig, zodat al de volmaaktheden Gods, God Zelf zijn. Alleen zijn ze onderscheiden ten aanzien van onze bevatting. 1 Johannes 1:5.
  19. Heeft God ook een volmaakt leven?
    Ja, Handelingen 14:15.
  20. Waarin bestaat Gods leven?
    In de allervolmaakste werkzaamheid van Zijn verstand en wil.
  21. Wordt God wel verstand toegeschreven?
    Zeer klaar, Psalm 147:5.
  22. Weet God alle dingen?
    Hij weet alle verleden, tegenwoordige en nog toekomende dingen. Jesaja 41:22. En daar is niets verborgen voor God, Hebreeën 4:13.
  23. Kent Hij ook onze gedachten wel?
    Zekerlijk, Psalm 139:2.
  24. Is God ook wijs?
    Ja, en daardoor weet Hij alle dingen in haar nette orde en samenhang. Romeinen 11:33.
  25. Wordt God ook een wil toegeëigend?
    Wel duidelijk, Efeze 1:9.
  26. Kan God alles doen wat Hij wil?
    Ja, Hij is almachtig. Psalm 115:3.
  27. Is Hij niet door Zijn wil omtrent alle dingen werkzaam?
    Gewis, en dus is Hij overal tegenwoordig. Jeremia 23:24.
  28. Kan God wel iets doen dat strijdt met Zijn volmaaktheid?
    Geenzins, want Hij is een heilig God. Jesaja 6:3.
  29. Betaamt God ook de zonde ongestraft te laten?
    Nee, Hij haat, verbiedt en straft het kwade. Psalm 5:5-7.
  30. Bemint Hij ook het goede?
    Hij bemint Zijn beeld en alles wat met Zijn wet overeenkomt en zal een Beloner zijn van degenen die Hem zoeken. Hebreeën 11:6.
  31. Hoe noemt Gij deze volmaaktheid Gods?
    Zijn rechtvaardigheid. Psalm 11:7.
  32. Wat volmaaktheden zijn er meer in Gods wil?
    Hij is langmoedig, goed, genadig en barmhartig. Exodus 34:6.
  33. Hoe oefent Hij deze volmaaktheden?
    Hij is langmoedig en goed omtrent allen, maar genadig, barmhartig omtrent de ellendigen, doch uitverkoren en boetvaardige zondaar.
  34. Wat vloeit uit deze volmaaktheden?
    Dat God heerlijk en gelukzalig is, 1 Timotheüs 6:15.

    Gebruik
  35. Is er wel enige nuttigheid te halen uit de verhandeling van Gods volmaaktheden?
    Zeer veel, want hierin ligt de grondslag van de ganse praktijk der godzaligheid.
  36. Hoe zo?
    Omdat de zondaar geen gemeenschap met God kan hebben of hij moet op zijn wijze Gods volmaaktheden trachten gelijkvormig te worden, Mattheüs 5:48. 2 Petrus 1:4.
  37. Wat leert u dat God een Geest is?
    Dat al mijn denken, bidden en dienen van God geestelijk moet zijn. Johannes 4:24.
  38. Is dan een uitwendige gedaante der godzaligheid wel genoeg?
    Nee, de Heere vertoornt Zich zeer over allen die maar slechts met de mond en lippen tot Hem naderen. Jesaja 29:13-14.
  39. Wat leert u de oneindige volmaaktheid van Gods wezen?
    Men moet zich daarover verwonderen en tot nederigheid ons eindig verstand erkennen. Psalm 145:3.
  40. Wie zijn hier dan te beschuldigen?
    Dezulken die wijs willen zijn boven hetgeen zij behoren wijs te zijn en niet willen aannemen dan hetgeen zij met hun eindig verstand begrijpen kunnen.
  41. Is dat wel mogelijk?
    Alzo weinig een klein vat de grote zee in zich bevatten kan, nog minder kan het eindige het oneindige begrijpen.
  42. Wat leert u dan het leven Gods?
    Dat ik al mijn leven uit Hem als uit de Fontein des levens halen moet. Psalm 36:10.
  43. Kan ons dan de wereld het leven niet geven?
    Die zich derwaarts begeven, keren zich tot gebroken vaten. Jeremia 2:13.
  44. Waartoe moet u Gods alwetendheid en alomtegenwoordigheid bewerken?
    Om al onze gedachten, woorden en werken te doen als voor het alziend oog van God. Spreuken 5:12.
  45. Waarom moet dit geschieden?
    Omdat de mens eens van dit alles rekenschap zal moeten geven. Prediker 12:14.
  46. Wie bezondigen zich hiertegen?
    Alle openbare goddelozen. Job 22:13. En die in het verborgen zondigen, over welk een wee wordt uitgesproken. Jesaja 29:15.
  47. Is hier ook geen troost voor de ware gelovigen?
    Wel terdege. Zij kunnen zich hiermee troosten tegen de verdrukkingen en wederwaardigheden dezes levens. 2 Kronieken 16:9. Psalm 1:6. Job 31:4,6.
  48. Wat leert u de wil Gods?
    Ik moet met onderwerping die opvolgen met verloochening van mijn eigen zelf. Romeinen 12:2. Mattheüs 16:24.
  49. Waartoe dient u Gods heiligheid?
    Ik moet trachten die gelijkvormig te zijn. 1 Petrus 1:15-16.
  50. Waartoe Gods rechtvaardigheid?
    Ik moet die herkennen, daarvoor vrezen en mij voor zondigen wachten. 1 Petrus 1:17.
  51. Waartoe behoorde u Gods genade en barmhartigheid te bewerken?
    Om de zonden die ik zie en gevoel van God af te smeken. Hebreeën 4:16.
  52. Maar wordt Gods genade van velen niet zeer misbruikt?
    Ja, want velen beminnen de zonde en troosten zich echter met Gods genade.
  53. Is dat niet gruwelijk?
    Ten hoogste, want God is niet genadig noch barmhartig als in Christus Jezus voor boetvaardigen. Judas 1:21.
  54. Nochtans is God langmoedig over hen?
    Die verachtende en misbruikende, verzwaren ze hun oordeel. Romeinen 2:4.
  55. Waartoe moet u Gods gelukzaligheid brengen?
    Om alles wat buiten God is te verloochenen en God alleen te herkennen als mijn hoogste Goed. Psalm 73:25.
  56. Waartoe dienen nog meer de volmaaktheden Gods?
    Om ze gedurig te stellen tot een grondslag van ons gebed en dezelve naar vereis van zaken verstandiglijk te onderscheiden.
  57. En waartoe zal dit eindelijk Gods kinderen bewerken?
    Om God te verheerlijken en groot te maken. 1 Kronieken 29:11-13. Psalm 29:1-2.

4. Van de heilige Drie-eenheid

  1. Is deze leer van Gods wezen en volmaaktheden alleen genoegzaam ter zaligheid?
    Neen, want Hij openbaart Zich in Zijn Woord als een Drie-enig God.
  2. Wie is die God?
    Vader, Zoon en Heilige Geest, Mattheüs 28:19.
  3. Zijn dit geen drie Goden?
    Neen, daar is maar een enig God, Deuteronomium 6:4. En ook kan er niet meer als één Allervolmaakste zijn.
  4. Waarom noemt gij dan drie, Vader, Zoon en Heilige Geest?
    Die zijn drie onderscheiden Personen, doch niet verscheiden van wezen, 1 Johannes 5:7.
  5. Maar is één en drie niet strijdig?
    Wel ten aanzien van het getal, want drie personen zijn geen één persoon, doch eenheid kan er zijn in een ander opzicht, met betrekking op de vereniging van deze drie Personen tot de eenheid van het Goddelijk Wezen, Die tezamen een allervolmaakste God uitmaken, en hoewel deze verborgenheid niet strijdig is met een rede, nochtans gaat dezelve verre boven het menselijk verstand, maar moet met nederigheid worden geloofd, dewijl God Zich als zodanig in Zijn Woord geopenbaard heeft.
  6. Maar hoe zoudt gij nader bewijzen dat God Zich als zodanig heeft geopenbaard?
    Uit de boeken des Ouden en Nieuwe Testaments.
  7. Wat blijken vindt gij daarvan in het Oude Testament
    Daar God in het veel-getal van Zichzelf spreekt, Genesis 1:26 en 11:7.
  8. Wordt dit getal niet bepaald?
    Wel duidelijk, want niet zonder nadruk wordt de Goddelijke zegenwens driemaal hervat, Numeri 6:24, en der serafijnen roem van Gods heiligheid, Jesaja 6:3, vergeleken met Johannes 12:41, en Handelingen 28:25. Daar zegt Paulus tot de Joden: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, den profeet, tot onze vaderen.
  9. Is er nog klaarder bewijs?
    Drie onderscheiden Personen worden in dezelfde rang van Goddelijke eer wel uitdrukkelijk genoemd, Jesaja 63:9-10. Genesis 48:15-16. Psalm 33:6. Jesaja 61:1.
  10. Hebt gij nog daarvan niet duidelijk bescheid in het Nieuwe Testament?
    Ja, nadien het Oude Testament door het Nieuwe Testament verklaard moet worden.
  11. Wat plaatsen bevestigen deze waarheid?
    Zeer vele, als Mattheüs 28:19, Johannes 14:16-17, Openbaring 1:4-6, 2 Korinthe 13:13 en meer andere.
  12. Waarom noemt gij eerst de Vader?
    Niet omdat Hij eerder in tijd is of waardiger dan de Zoon of Heilige Geest, maar omdat Hij als de eerste wordt aangemerkt in orde van bestaan en werking.
  13. Waarom wordt dan de eerste Persoon Vader en de tweede Zoon genaamd?
    Omdat gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelven, Johannes 5:26.
  14. Waaruit wordt dit meer bevestigd?
    Niet zonder reden wordt de eerste Persoon Vader en wel de eigen Vader van de Zoon, de tweede de Zoon, de eigene, eeuwige, enige, en eerstgeboren Zoon van de Vader genaamd, Romeinen 8:32, Spreuken 8:24, Johannes 1:14.
  15. Waarom wordt de derde Persoon de Heilige Geest genaamd?
    Omdat Hij van de Vader en de Zoon uitgaat, Johannes 14:26.
  16. Is het niet aanmerkelijk dat de Geest de Adem des Almachtigen genaamd wordt?
    Buiten twijfel, want gelijk onze adem uitgaat van ons lichaam, door haar warm geblaas levendig maakt en nochtans met ons lichaam gedurig verenigd blijft, zo gaat ook de Heilige Geest uit, Gode betamelijk, van Vader en Zoon, maakt levend en verwarmt het hart der uitverkorenen, en blijft nochtans met het Goddelijk Wezen verenigd. Job 33:4, Johannes 20:22.
  17. Wat werk wordt elk Persoon naar buiten toegeschreven?
    Doorgaans de Vader de schepping, de Zoon de verlossing, de Heilige Geest de heiligmaking.
  18. Maar geschiet zulks met elkanders uitsluiting?
    Geenzins, deze werken naar buiten zijn deze drie Peronen, omdat ze één van Wezen zijn, onderling gemeen.
  19. Is de Zoon ook de ware en allerhoogste God met de Vader?
    Ja zekerlijk, 1 Johannes 5:20.
  20. Hoe zoudt gij met klemmende bewijzen deze waarheid kunnen sterk maken?
    Omdat de Zoon, zowel als de Vader, Goddelijke namen, eigenschappen, werken en eer worden toegeschreven.
  21. Wat kracht is in dit bewijs?
    Omdat de ware God, van al dat geen God is, daardoor onderscheiden wordt, want Hij geeft Zijn eer aan geen ander. Jesaja 42:8.
  22. Wat Goddelijke namen worden de Zoon gegeven?
    a. De naam HEERE, Jeremia 23:6;
    b. God, Johannes 1:1;
    c. waarachtig God, 1 Johannes 5:20.
  23. Wat eigenschappen?
    a. De eeuwigheid, Spreuken 8:22;
    b. de overaltegenwoordigheid, Mattheüs 18:20;
    c. almachtigheid, Openbaring 1:8;
    d. alwetendheid, Johannes 21:17.
  24. Wat Goddelijke werken?
    Der natuur, als
    a. schepping, Johannes 1:3;
    b. onderhouding, Hebreeën 1:3;
    c. der genade, als
      1. Verlossing;
      2. rechtvaardigmaking
      3. heiligmaking, 1 Korinthe 1:30;
    d. de heerlijkmaking van de lichamen der gelovigen, Filippenzen 3:21.
  25. Wat Goddelijke eer?
    a. Dezelfde met de Vader, Johannes 5:23;
    b. geloven in Hem, Johannes 14:1;
    c. gehoorzaamheid aan Hem, Hebreeën 5:9;
    d. het gebed tot Hem, Hebreeën 1:6;
    e. de doop in Zijn Naam, Mattheüs 28:19.
  26. Hoe bewijst gij dat de Heilige Geest een onderscheiden Goddelijk Persoon is?
    Omdat Hem personele eigenschappen worden toegeschreven, verstand, oordeel en wil, gelijk Hij ook als Gever van Zijn gaven wordt onderscheiden en de kracht aan Hem wordt toegeëigend, Handelingen 1:8. 1 Korinthe 12:11.
  27. Bewijs nader dat Hij de ware God is.
    Omdat Hem ook Goddelijke namen, eigenschappen, werken en eer worden toegeëigend.
  28. Wat namen?
    HEERE, Jesaja 6:8, vergeleken met Handelingen 28:25. God, Handelingen 5:3-4.
  29. Wat eigenschappen?
    a. De eeuwigheid, Genesis 1:2;
    b. overaltegenwoordigheid, Psalm 139:7-8;
    c. alwetendheid, 1 Korinthe 2:10-11;
    d. almachtigheid, 1 Korinthe 12:11.
  30. Wat werken?
    a. der natuur, als schepping, Psalm 33:6;
    b. onderhouding, Psalm 104:30;
    c. der genade, als wedergeboorte, Johannes 3:5;
    d. geloof, 2 Korinthe 4:13;
    e. heiligmaking, 1 Korinthe 6:11.
  31. Wat eer?
    a. de doop in Zijn Naam, Mattheüs 28:19;
    b. gehoorzaamheid aan Hem, Efeze 4:30;
    c. gebed tot Hem, 2 Korinthe 13:13. Gelijk ook daarom zo schrikkelijk is tegen Hem te zondigen, Mattheüs 12:31.

    Gebruik
  32. Is ook deze leer noodzakelijk tot Godzaligheid en zaligheid?
    Ten hoogste, omdat de zondaar tot de Vader niet kan komen als door de Zoon en Heilige Geest, omdat hij schuldig en onheilig is. Johannes 17:3, Johannes 14:6, Hebreeën 12:14.
  33. Is het dan niet genoeg te zeggen, ik geloof in God de Vader en vertrouw op onze lieve Heer’?
    Nee, elk moet zich onderzoeken of hij wel zijn zonden en des Vaders onkreukbare rechtvaardigheid recht kent.
  34. Tot wat einde?
    Om als verloren in zichzelf de zaligheid te zoeken in de Zoon en door Zijn verdiensten met de Vader bevredigd te worden. Filippenzen 3:8-9, Romeinen 5:1.
  35. Wat meer?
    En ook door de Heilige Geest wedergeboren en geheiligd te worden om dus met de Vader en Zoon gemeenschap te hebben. 1 Johannes 1:3, Romeinen 8:9.
  36. Wie liegen hier dan den Heere en bedriegen zichzelf?
    Die God hun Vader noemen, zonder dat ze Hem in Christus Jezus door de Heilige Geest recht kennen en vrezen. Maleachi 1:6.
  37. Wat betrachting is hierin voor de gelovigen?
    Dat ieder in een heilig ontzag zich verwondere over deze aanbiddelijke verborgenheid. Jesaja 6:3.
  38. Is er meer?
    Hierin kan men ook zien Gods wegen in het heiligdom, dat de Drie-enige God met lof van Zijn Naam, dus betamelijk kan en worden wil, de God van de zondaar.
  39. Toont dit onderscheidenlijk?
    Dewijl de Vader door de Zoon voldaan en in Zijn recht geheiligd is, dus kan Hij van Rechter, de Vader der gelovigen worden. 1 Johannes 3:1.
  40. Wel de Zoon?
    Die, hebbende voldaan aan de eis des Vaders, wordt de Zaligmaker, Voorspraak en Broeder van Zijn verkregen volk. Hebreeën 7:25.
  41. Wat doet de Heilige Geest?
    Die is de Trooster en Heiligmaker van Gods kinderen en verzegelt ze van hun deelgenootschap aan de Vader en de Zoon. Efeze 4:30, Johannes 14:16.
  42. En wat volgt hieruit?
    Dat zij deze Drie-enige God danken, roemen en verheerlijken moeten.

5. Van Gods eeuwig raadsbesluit

  1. Is de Drie-enige God van alle eeuwigheid werkzaam geweest
    Ja, Hij heeft alles besloten wat in de tijd geschieden zou.
  2. Wat verstaat gij door Gods besluit?
    Gods eeuwig, vrijwillig, alwijs, onafhankelijk en onveranderlijk voornemen over en van alles wat in de tijd gebeuren zou.
  3. Is dit besluit eeuwig?
    Ja, Handelingen 15:18.
  4. Is het ook vrij en onafhankelijk?
    Ja, Efeze 1 vers 11.
  5. Heeft de Heere ook alles wijselijk besloten?
    Zekerlijk, alles heeft een nette orde en samenschakeling en leidt ons op tot Gods eer en heerlijkheid. Romeinen 11 vers 33.
  6. Verandert God zijn besluit wel?
    Neen, Hij Zelf betuigt: ‘Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen’, Jesaja 46:10.
  7. Gaat Gods besluit over alle dingen?
    Ja, geen ding uitgezonderd, Efeze 1:11.
  8. Gaat Gods besluit niet voornamelijk omtrent de mensenkinderen?
    Ja, als over des mensen geboorte, woonplaats, ganse wandel, bedrijf en dood, Job 14:5, Handelingen 17:26.
  9. Hoe wordt het genaamd met betrekking op het uiteinde van de mensenkinderen na dit leven?
    Gods voorverordinering, Romeinen 8:29.
  10. Hoeveel delen heeft dezelve?
    Twee, namelijk de verkiezing en verwerping, Romeinen 9:13-23.
  11. Wat verstaat gij door de verkiezing?
    Gods eeuwige, vrije en onveranderlijke wil, waardoor Hij zekere mensen, als met name zonder enig voorgezien geloof, waardigheid of goede werken besloten heeft om tot de zaligheid in Christus over te brengen, tot prijs der heerlijkheid Zijner genade.
  12. Is deze verkiezing van eeuwigheid geweest?
    Ja, voor de grondlegging der wereld, Efeze 1:4, 2 Timotheüs 1:9.
  13. Welke is de beweegreden geweest van de verkiezing?
    Alleen Gods vrij welbehagen, Romeinen 9:18.
  14. Heeft God de mens dan niet verkoren om zijn voorgezien geloof en goede werken?
    Neen, deze zijn wel vruchten en gevolgen, maar geen bewegende oorzaken van de verkiezing, Handelingen 13:48, Efeze 1:4.
  15. Is dit besluit der verkiezing ook onveranderlijk?
    Ja, Romeinen 9:11-12.
  16. Gaat de verkiezing ook omtrent zekere personen?
    Ja, ‘de Heere kent degenen, die Zijne zijn’, 2 Timotheüs 2:19.
  17. Tot wat einde heeft God sommigen uitverkoren tot zaligheid?
    Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, Efeze 1:6.
  18. Maar zijn alle mensen van God uitverkoren?
    Nee, de uitverkorenen zijn verre de weinigsten, Mattheüs 20:16. De meesten bewandelen de brede weg, Mattheüs 7:13, en zijn van God verworpen.
  19. Hoe noemt gij deze wil Gods?
    Het besluit der verwerping.
  20. Wat verstaat gij daardoor?
    Gods eeuwige, vrije en onveranderlijke wil, waardoor Hij zekere mensen, (als met name) onder de zonde besloten heeft, om te straffen tot betoning van Zijn macht en rechtvaardigheid.
  21. Is dit besluit ook eeuwig?
    Ja, Romeinen 9:11-12.
  22. Gaat het ook over zekere personen?
    Zulks blijkt uit Romeinen 9:22; Openbaring 17:8.
  23. Wat heeft God hierin beoogd?
    De openbaring en betoning van Zijn macht, toorn en rechtvaardigheid, Romeinen 9:22

    Gebruik
  24. Wat nuttigheid merkt gij aan in deze leer?
    Zeer veel.
  25. Waartoe moet zij u dan bewerken?
    Om altijd stil te wezen en in Gods besluit te berusten, dewijl alles daarvan afhangt. Psalm 62:6.
  26. Waartoe nog meer?
    Zij leidt ons op tot roem van Gods vrije genade, Efeze 1:6.
  27. Op wat wijze?
    Dewijl dus de zaligheid alleen aan Gods besluit moet toegeschreven worden.
  28. Dient dit niet tot vernedering van de mensen?
    Ten hoogste, 1 Korinthe 4:7.
  29. Maar zet deze leer de mens ook niet aan tot oefening van godzaligheid?
    Zekerlijk, aangezien niemand tot de zaligheid zal komen, of hij moet de middelen ook daartoe aanwenden.
  30. Doch dit schijnt niet nodig te wezen, dewijl God toch besloten heeft wat er van de mens wezen zal?
    Het besluit Gods is voor de mens verborgen en geen regel van zijn bedrijf en doen, maar Gods geopenbaarde wil, die hij verplicht is te gehoorzamen.
  31. Maar alles kon wel tevergeefs zijn?
    De mens heeft het echter eens te onderzoeken en is gehouden de aangeboden genade te omhelzen, daar de Heer Jezus roept: Jesaja 45:22.
  32. Doch hoe kan de mens anders als Gods besloten heeft?
    Het is wel waar dat hij niet anders kan, maar hij wil ook niet anders. Romeinen 8:7.
  33. Is God dan geen aannemer van personen, dat Hij sommigen alleen tot de zaligheid heeft uitverkoren?
    Dat zij verre, want dat sommigen zalig worden, geschiedt niet vanwege de waardigheid van hun persoon of verdiensten, boven anderen, maar zulks is alleen Gods vrije genade. Efeze 2:8-9.
  34. Doch dus schijnt God onrechtvaardig te handelen, dat Hij de ene meer geeft als de andere?
    Dit volgt geenszins, dewijl niemand verloren gaat als door tussenkomen van de zonde, opdat Gods oordeel rechtvaardig en naar waarheid zij.
  35. Maar is dit niet bezwaarlijk te begrijpen?
    Wij moeten het echter met onderwerping geloven, al begrijpen wij dit alles niet, dewijl het onbetamelijk is voor het schepsel tegen de Schepper te twisten. Romeinen 9:20.
  36. Helder deze zaak eens op door gelijkenis?
    Gelijk een vrij heer zijn goederen mag geven aan wie hij wil, zo is de Heere ook de vrije Uitdeler van Zijn genadegaven. Mattheüs 11:26 en Mattheüs 20:15.
  37. Wat is hier dan de plicht van een iegelijk mens?
    Niet gerust te wezen, voor en al eer hij verzekerd is, dat hij van God uitverkoren is.
  38. Kan iemand daarvan verzekerd zijn?
    Ofschoon een waar gelovige niet altijd verzekerd is, echter is het zijn plicht daarnaar te staan. 2 Petrus 1:10.
  39. Op wat wijze geschiedt zulks, immers heeft niemand Gods verborgen raadsbesluit ingezien?
    Als iemand zich onderzoekt, of hij de gevolgen en vruchten van de verzoening al in zich bevindt.
  40. Welke zijn die?
    De krachtdadige roeping door Gods Woord en Geest. Romeinen 8:30.
  41. Wat nog meer?
    Het geloof in Christus. Handelingen 13:48.
  42. Noem nog iets?
    De heiligmaking. Efeze 1:4.
  43. Behaagt het de Heere niet wel Zijn kinderen somtijds op een zonderlinge wijze te verzekeren?
    Ja, hij leidt hen weleens in de binnenkameren van Zijn heiligdom en kust ze daar met de kussens Zijns monds en maakt ze dronken in de liefde Zijner wellusten, zodat ze roemen, Hooglied 1:4.
  44. Spreekt Gods Woord daar wel van?
    Ja, Paulus spreekt van het inwendige getuigenis des Geestes. Romeinen 8:16. Efeze 1:13-14.
  45. Als iemand dit nu niet bevindt, wat staat hem dan te betrachten?
    Niet zorgeloos noch wanhopig te wezen, maar met ernst te trachten naar bekering en geloof. Jeremia 31:18.
  46. Maar wat heeft zulk een te betrachten die het gezegde in zich bevindt?
    Hij heeft stof van verblijd te zijn. Lukas 10:20.
  47. Moet hij de Heere daarvoor niet danken?
    O ja, Kolossenzen 1:12-13.
  48. Wat staat hem verder te doen?
    Hij moet trachten naar grotere mate van heiligmaking. 2 Petrus 1:5-7.
  49. Is hierin ook niet veel troost voor de uitverkorenen opgesloten?
    Zekerlijk, want zij worden versterkt tegen hun dagelijkse struikelingen en gebreken, en voorts tegen allerlei kruis en wederwaardigheden die hen in dit tranendal van de satan, wereld of hun eigen vlees zouden mogen aangedaan worden. Romeinen 8:28.
  50. Kan er wel groter geluk als dit bedacht worden?
    O neen! Want: ‘Welgelukzalig is het volk welks God de HEERE is; het volk dat Hij Zich ten erve verkoren heeft’, Psalm 33:12. 1 Johannes 3:1.

6. Van de schepping

  1. Welke is het eerste werk Gods naar buiten geweest, tot uitvoering van Zijn besluit?
    De schepping van hemel en aarde.
  2. Wat is schepping?
    Te roepen de dingen die niet zijn, alsof zij waren. Romeinen 4:17. Of door een almachtige wil iets voort te brengen uit niet. Openbaring 4:11. Hebreeën 11:3.
  3. Is er dan niets voor de schepping der wereld geweest?
    Niets dan God alleen; want alle schepselen zijn onvolmaakt, en vereisen derhalve een eerste begin. Genesis 1:1.
  4. Wat leert ons Mozes van de schepping?
    Dat God in den beginne hemel en aarde heeft geschapen, en in de tijd van zes dagen volmaakt.
  5. Welke zijn de voortreffelijkste schepselen Gods?
    Engelen en mensen.
  6. Wat zijn engelen?
    Enkel geesten, niet verenigd met lichamen, welke zich werkzaam door verstand en wil vertonen.
  7. Wanneer zijn zij van God geschapen?
    Waarschijnlijk op de eersten dag; zo lezen we Job 38:7. Dat de God de aarde fundeerde, de morgensterren en de kinderen Gods (dat zijn de engelen) Hem vrolijk zongen en juichten.
  8. Hoe heeft God ze geschapen?
    Allen goed en recht. Genesis 1:31.
  9. Heeft God ze alle in die staat van rechtheid bevestigd?
    Neen, de uitkomst heeft geleerd, dat velen van dezelve hun eerste beginsel verlaten hebben, en in de waarheid niet zijn staande gebleven. Judas 1: 6. 2 Petrus 2:4.
  10. Zijn ze niet werkzaam naar buiten omtrent de mensen?
    Ja, zij woeden tegen de gelovigen, en werken in de kinderen der ongehoorzaamheid. Openbaring 12:7,9,17. Efeze 2:2.
  11. Wat is het werk van de goede engelen naar buiten?
    Zij vertroosten, verzekeren en bewaren de gelovigen. Hebreeën 1:14. Psalm 91:11.
  12. Wat zegt gij in dit alles?
    Dat God in den beginne al bezig is geweest om de weg te banen tot uitvoering van het besluit der verkiezing en verwerping.
  13. Op wat dag heeft God de mens geschapen?
    Op de zesde dag, opdat de mens de aarde als een opgesierd huis vol van alle voorraad zou bewonen. Jesaja 45:18.
  14. Wat is de mens?
    Een schepsel bestaande uit ziel en lichaam, welke beide zeer nauw verenigd zijn, tot een onderlinge werking.
  15. Wat is de ziel?
    Een denkend wezen, begaafd met verstand om de voorkomende zaken te begrijpen. Met oordeel, om ze te onderscheiden. En met wil, om het goede te begeren en het kwade te verwerpen.
  16. Wat is het lichaam?
    Een uitgebreide zichtbare en tastbare stof, welkers delen en leden welgeschikt en met betrekking op elkander werkzaam zijn. Job 10:10,11,12. Psalm 139:13-17.
  17. Hoe zijn die beide verenigd?
    Door een onderlinge werkzaamheid op elkander, naar de wil Gods.
  18. Welke is het edelste en voornaamste deel?
    De ziel, omdat zij redelijk en onsterfelijk is. Mattheüs 10:28.
  19. Hoe heeft God de eerste mens geschapen?
    Goed en naar Zijn beeld. Genesis 1:26. Prediker 7:29.
  20. Waarin bestaat Gods beeld?
    In de wijsheid van het verstand, in de rechtheid van het oordeel en de heiligheid of zuivere liefde van de wil, dat is, in de overeenkomst van de werkzaamheid der ziel met die van God.
  21. Welke zijn de gevolgen van Gods beeld?
    1. De welgesteldheid van het lichaam.
    2. De heerschappij over de schepselen. 3. De onsterfelijkheid van de mens.
  22. Hoeveel mensen heeft God in den beginne geschapen?
    Twee: de man uit de aarde en de vrouw uit een rib van de man. Genesis 2:7. Genesis 21:22.
  23. Waarom juist twee?
    Omdat zij door een wettig huwelijk verenigd zijnde, de wortel van het ganse menselijke geslacht zouden wezen. Genesis 1:23,24.
  24. Wat deed God op de zevende dag?
    Hij heeft van Zijn werk gerust, die dag gezegend en geheiligd. Genesis 2:2,3.

    Gebruik
  25. Is er enige nuttigheid uit de voorgestelde leer aan te merken
    Ja, dewijl al de schepselen zoveel bewijzen zijn van Gods macht, wijsheid en goedheid. Romeinen 1:20. Jesaja 40:26.
  26. Op wat wijze zoudt gij uzelven daarin best opleiden?
    Als ik met een heilige opmerking overweeg Wiens zon, maan en sterren ik aanschouw, in Wiens lucht ik leef, Wiens aarde ik betreed, en Wiens schepselen ik geniet. Psalm 19:2.
  27. Waartoe kan u de aard en eigenschappen der schepselen meer dienen?
    Om vele van die aan te merken als zinnebeelden van het grote werk der herschepping.
  28. Toon ons enige bijzonderheden?
    De duisternis kan ons bekwaam verbeelden de diepe afgrond van de ellendige natuurstaat des zondaars; het licht, de verlichtende genade van Gods Geest. 2 Korinthe 4:6.
  29. Waartoe dient de aanmerking van de schepping uzelf?
    Daaruit moeten wij leren kennen onze nietigheid, geringheid en afhankelijkheid. Psalm 144:3.
  30. Waartoe nog meer?
    Om God te loven, dat Hij ons zo een kostelijke ziel, en zo een heerlijk lichaam heeft gegeven. Psalm 139:13-17.
  31. Waartoe moet u dat bewerken?
    Om die beide aan Hem op te dragen, en tot Zijn eer te gebruiken. 1 Korinthe 6:20.
  32. Hoe geschiedt zulks naar de ziel?
    Als ik mijn verstand gebruik om God en Zijn waarheid te kennen, het oordeel om de Goddelijkheid zaken te onderscheiden, en de wil, om Hem en Zijn waarheid lief te hebben.
  33. Hoe met uw lichaam?
    Als ik alle deszelfs leden stel tot wapenen der gerechtigheid, de ogen om Gods werken te aanschouwen en Zijn Woord te lezen; de oren om God door de schepselen en Zijn Woord te horen spreken; de mond en tong om Zijn lof te melden, etc. Romeinen 6:13.
  34. Wordt dit van de meeste mensen wel betracht?
    Van zeer weinigen, want vele leven als zonder God in de wereld, zij berusten in de beschouwing en genieting van de aardse schepselen, en dienen de schepselen in plaats van de Schepper.
  35. Maar velen worden nog al door de schepselen opgeleid tot de Schepper?
    Het is waar, doch met hun wandel verloochenen zij Hem.
  36. Zal dit ongestraft doorgaan?
    Neen, omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken, en zal hen niet bouwen. Psalm 28:5.
  37. Wat leert gij uit de schepping der engelen?
    Dat God niet alleen op de aarde, maar ook van de hemelse heirscharen wilde verheerlijkt worden.
  38. Wat merkt gij aan, uit de bevestiging van de goede en de val der kwade engelen?
    Dat ook het besluit der verkiezing en der verwerping over dezelve is geweest, en dat God door dezelve Zijn eeuwige raad uitvoert, tot voordeel van de uitverkoren kinderen Gods, alsook tot een oordeel en straf van de verworpen mensen.
  39. Waartoe moest u dit aanzetten?
    Om te waken en te strijden tegen de listige omleidingen, en geweldige aanvallen des duivels, te bidden om bijstand in de strijd, en verlossing uit dezelve, en het geleide van Zijn goede engelen. Efeze 6:10,11.

7. Van Gods voorzienigheid

  1. 1. Heeft God na de schepping opgehouden te werken?
    Nee, Hij draagt nog alle dingen door het Woord Zijner kracht. Hebreeën 1:3.
  2. Hoe noemt Gij die krachtige werking Gods?
    Zijn voorzienigheid.
  3. Wat is Gods voorzienigheid?
    De krachtige wil Gods, waardoor Hij alles onderhoudt, werkt en bestuurt tot Zijn heerlijkheid.
  4. Op wat wijze oefent God Zijn voorzienigheid?
    Door de onderhouding, medewerking en besturing.
  5. Wat is Gods onderhouding?
    Die alvermogende werking van Gods wil, waardoor Hij de schepselen van Hem voortgebracht in hun eerste wezen bewaart, zodat zij niet onder elkander vermengd nog vernietigd worden. Nehemia 9:6. Psalm 104:27-29.
  6. Welke Zijn medewerking?
    Die kracht van Gods wil, waardoor Hij in al Zijn schepselen werkt en hen doet werken. Handelingen 17:27-29.
  7. Werkt God ook de vrije werkingen van de wil des mensen?
    Ja, maar overeenkomende met de aard van het redelijk schepsel.
  8. Hoe kan de mens dan vrijwillig werken?
    God dwingt de wil niet, maar neigt dezelve vrijwillig en daarom. hoe meer Hij in de mens werkt, hoe vrijer en gewilliger hij werkt. Hooglied 1:4, Filippenzen 2:13, en 2 Korinthe 8:16-17.
  9. Werkt God dan ook het kwade?
    Wel het kwaad der straf, maar niet der zonde, Amos 3:5, Deuteronomium 32:5, Habakuk 1:13. De consciëntie van de goddeloze zelf zal hem getuigen als hij zondigt dat hij vrijwillig werkt en niet gedwongen wordt.
  10. Wat verstaat Hij door Gods besturing?
    Die alvermogende kracht van Gods wil, waardoor Hij alles tot Zijn eer en heerlijkheid bestuurt, Spreuken 16:1.
  11. Waarover gaat Gods voorzienigheid al?
    Over alle dingen, zo groot als kleine, goede en kwade, Mattheüs 10:29-30.
  12. Hoe over het goede?
    Dat werkt en bestuurt Hij door Zijn Geest en genade, Filippensen 2:13.
  13. En hoe over het kwade?
    Door hetzelve toe te laten, te bepalen en te besturen tot openbaring van de heerlijkheid, Zijner genade en rechtvaardigheid, Genesis 50:20. Handelingen 4:28.
  14. Straft God ook wel de zonden met zonden?
    Ja, tot meerdere openbaring van Zijn rechtvaardigheid, Romeinen 1:28, 2 Thessalonicenzen 2:10.

    Gebruik
  15. Waartoe moet u de voorzienigheid Gods bewerken?
    Tot erkentenis en roem van vele deugden en volmaaktheden Gods, als Zijn almacht, wijsheid, lankmoedigheid, goedheid, etc.
  16. Wat volgt hieruit?
    Dat ik onvolmaakt, afhankelijk, nietig en gebrekkig ben.
  17. En waartoe moet u dit aanzetten?
    Om in voorspoed dankbaar, in tegenspoed lijdzaam, en zo in alles stil te zijn en van Gods voorzienigheid te leren afhangen. Job 1:21.
  18. Wie bezondigen zich hiertegen?
    Alle ondankbare klagers en murmureerders, die met hun staat en lot niet tevreden zijn, en daarom zichzelf kwellen, of ook wel in lasterwoorden uitbarsten, omdat ze God in Zijn hoogheid en zichzelf in hun eigen onwaardigheid niet erkennen. Judas 1:16.
  19. Wie meer?
    Die de voorspoed aan hun eigen wijsheid, beleid en fortuin, of geluk toeschrijven, waardoor ze trots en stout worden.
  20. Geschiedt er dan geen ding bij geval?
    Wel ten aanzien van de mens, maar niet in opzicht van God, Die alles weet en bestuurt. Spreuken 16:33.
  21. Mag men onder tegenspoeden gans niet gevoelig zijn?
    Ja, men moet de slaande hand Gods wel met gevoeligheid erkennen, doch daaronder lijdzaam en nederig zijn. 1 Petrus 5:6. Lukas 21:19.
  22. Maar is het genoeg te zeggen, gelijk velen doen: wij moeten stil zijn, dewijl het toch niet anders komen kan, en wij tegen Gods wil niet doen kunnen?
    Hoewel dit waar en zeker is, echter geschiedt zulke taal veeltijds meer uit nooddwang, als door vrijwillige onderwerping.
  23. Toont dit eens door een gelijkenis?
    Het gaat met zulk een, als met iemand, die tegen wil en dank met boeien in een gevangenis geworpen wordt.
  24. Wat troost vinden de gelovigen in de beschouwing van Gods voorzienigheid?
    Zeer veel, dewijl alle tegenspoeden die hen in dit tranendal overkomen, hen ten goede moeten gedijen, als voortkomende van een liefhebbende Vader. Romeinen 8:28.
  25. Mogen zij zich dan hierop niet veilig verlaten?
    O ja, want dus zal hen de Heere door de duisternis tot het licht, door de strijd tot de kroon en door de dood tot het leven brengen. Psalm 37:37.

8. Van Gods besturing omtrent de eerste mens in de staat der rechtheid

  1. Is de Heere met Zijn voorzienigheid niet werkzaam geweest omtrent de eerste voorouders?
    Gewis, zulks vereist de wijsheid en goedheid Gods.
  2. Wat verhaalt ons Mozes in het bijzonder hiervan?
    Dat God een hof in Eden geplant had, waarin Hij de geschapen mens stelde. Genesis 2:8.
  3. Wat verbeeldde hen het paradijs of lusthof?
    Het verstrekte hen tot een onderpand van de hemelse heerlijkheid in de volmaakte gemeenschap Gods. 2 Korinthe 12:4.
  4. Wat bijzonderheden meldt Mozes van die hof?
    Dat er twee bomen in dezelve geweest zijn, van welke de een de boom der kennis des goeds en des kwaads en de ander de boom des levens genaamd werd. Genesis 2:9.
  5. Waarom droeg de eerste de naam van de boom der kennis des goeds en des kwaads?
    Om hen voorzichtig te maken en te ontdekken het onderscheid tussen goed en kwaad.
  6. Waarom werd de andere e booms des levens genaamd?Waarschijnlijk dewijl deszelfs vrucht tot een bijzonder onderhoud des levens dienen kon. Ezechiël 47:12. Openbaring 22:2.
  7. Wat verbeeldde hen deze boom des levens?
    De zalige gemeenschap met God.
  8. hoe is de Heere verder werkzaam geweest omtrent de rechte mens?
    Als Heere en Wetgever heeft Hij hem ook de wet der liefde Gods en der des naasten in het hart ingeschreven.
  9. Maar heeft de Heere hem geen bijzonder gebod gegeven?
    Ja, het bevel van niet te eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads. Genesis 2:17.
  10. Waartoe diende dat gebod?
    Om daardoor hun gehoorzaamheid te beproeven.
  11. Waarmee heeft de Heere dat gebod bekrachtigd?
    Met de bedreiging des doods. Genesis 2:17.
  12. Hebben zij dat proefgebod gehoorzaamd?
    Neen, zij hebben het overtreden en zo gezondigd.
  13. Wie verleidde hen daartoe?
    De slang. Genesis 3:1
  14. Wie verstaat gij daardoor?
    De satan, die om zijn arglistigheid een slang genaamd wordt. Openbaring 12:9.
  15. Wie was de eerste in overtreding?
    De vrouw en door haar ook de man. Genesis 3:6.
  16. Maar vanwaar die verdorvenheid?
    Niet uit God, maar uit de mens, die wel heilig, doch veranderlijk was en vele vonden gezocht heeft. Prediker 7:29.
  17. Op wat wijze?
    Door de bekoorlijkheid van de schone vrucht des booms en de verleiding der slang [tot vertwijfeling gebracht zijnde], zo zijn zij van God afgeweken en hebben de slang gehoor gegeven.
  18. Is dan de Heere in dezen buiten schuld geweest?
    Ja, dewijl zij in deze verzoeking God niet ernstig aangezocht hebben om Zijn raad en hulp, zo heeft Hij ze rechtvaardig verlaten. Jakobus 1:13.

    Gebruik
  19. Wat leert ons de voorzienigheid Gods omtrent de eerste mensen?
    Verwonderd te zijn over de wijsheid en liefde Gods, welke hen beide naar ziel en lichaam zo heerlijk verzorgd heeft.
  20. Van wat gebruik is nu het paradijs?
    Dat de mens zijn enige vermaak en genoegen moet zoeken in de gemeenschap met God in Christus, hier in genade en hiernamaals in heerlijkheid.
  21. Wat leert u de boom des levens?
    Dat men in Christus, als de Fontein des levens, al zijn heil en geestelijke genezing zoeke.
  22. En wat de boom der kennis des goeds en des kwaads?
    Dat men alle dwalingen en verleidende aanlokselen van de wereld, zonde en verdorven vlees zorgvuldig moet vermijden, en daaromtrent zeer voorzichtig zijn.
  23. Wat merkt gij aan uit de verzoeking van de satan?
    Dat de satan nog op gelijke wijze met veel arglistigheid en schijnbeloften de mens zoekt te verstrikken door de begeerlijkheden des vleses en der wereld. 2 Korinthe 11:3
  24. Op wat wijze gaat hij dan te werk?
    Als de eerste leugenaar verkleint hij nog de zonden en blaast de mensen in: o zondaar, gij zult niet sterven.
  25. Zijn er wel mensen die deze leugengeest geloof geven?
    Ja, want dus verleidt hij het grootste gedeelte van de wereld en houdt dezelve onder zijn strikken gevangen tot zijn wil. Openbaring 12:9. 2 Timotheüs 2:26.
  26. Gelukt hem dit wel niet?
    Ja, omdat de mensen het schijngoed dezer wereld en de korte genieting der zonde verkiezen boven God en Zijn waarheid.
  27. Maar wat mens gelooft de duivel meer als God en Zijn Woord?
    Ofschoon zij dit niet doen met woorden, nochtans betonen zij zulks genoegzaam met hun werken.
  28. Wat is hier dan nodig te betrachten?
    Wie door het zoete van de zonden niet wil verleid zijn, moet zich het ramzalig gevolg van dezelve dikwijls voorstellen en de zonden als een doodsvijand verklaren. Romeinen 6:21.
  29. Toont dit eens door een gelijkenis?
    Wie de satan en zonden gehoor geeft, is als een mens die een zoet vergiftigde drank inneemt of zijn heimelijke doodsvijand de hand van vriendschap toereikt. Deuteronomium 22:32-33. 2 Samuël 20:9-10.
  30. Hoe zoudt gij u dan in zulke verzoekingen gedragen?
    Ik moet waken en bidden en de eerste aanlokkingen herstellen en de eerste aanleiding tot de zonden mijden. Mattheüs 26:41. Jakobus 4:7.

9. Van de zonde en haar gevolgen

Tekst volgt.

10. Van het eeuwig Testament Gods

Tekst volgt.

11. Van het zaligmakend geloof en zijn gevolgen, zoals hoop en liefde

Tekst volgt.

12. Van de bekering

Tekst volgt.

13. Van de roeping

Tekst volgt.

14. Van de wedergeboorte

Tekst volgt.

15. Van de rechtvaardigmaking

Tekst volgt.

16. Van de heiligmaking en goede werken, alsook van de volharding der heiligen

Tekst volgt.

17. Van het gebed

Tekst volgt.

18. Van het genadeverbond

Tekst volgt.

19. Van Christus' komst in het vlees, Zijn Persoon en naturen

Tekst volgt.

20. Van de namen en ambten des Middelaar

Tekst volgt.

21. Van Christus' staten

Tekst volgt.

22. Van de kerk

Tekst volgt.

23. Van de sacramenten des Nieuwen Testaments - en eerst van de Heilige Doop

Tekst volgt.

24. Van het Heilig Avondmaal

Tekst volgt.

25. Van de heerlijkmaking, opstanding der doden en het laatste oordeel

Tekst volgt.

Van de voornaamste dwalingen dergenen die buiten de Gereformeerde kerk zijn

Tekst volgt.

Gebed om bekering

Eeuwige, almachtige en goedertieren God! Alle dingen zijn door U voortgebracht en Gij onderhoudt nog alles door het Woord Uwer kracht. Gij hebt mij geschapen, tot hiertoe onderhouden en bewaard. Gij hebt de mens eerst recht en goed gemaakt, maar gelijk zij allen door de zonde zijn afgeweken en ondeugend geworden, alzo ben ik ook van U afgevallen.

Ik ben onrein en verdoemelijk vanwege mijn geboorte, geheel onbekwaam tot Uw dienst. Dagelijks vergroot ik mijn schulden met gedachten, woorden en werken, omdat zij ongeregeld, onrein en aards zijn. Zelfs mijn godsdienstige werken zijn ondeugend. Door eigenliefde en een verkeerde liefde tot de schepselen, leef ik verre van U en buiten Uw gemeenschap. Ik ben onmachtig en onwillig, ofschoon ik geroepen word.

Groot is daarom Uw verdraagzaamheid en goedheid omtrent mij. Sinds lang hebt Gij recht gehad om mij te verdoemen. Och, dat ik hierover gevoelig en verlegen was, dat ik tegen U de Allerheiligste, mijn Schepper en Weldoener zo gezondigd heb.

Maar helaas! Mijn hart is een stenen hart. Ik heb geen ontzag voor Uw hoogheid, geen liefde voor Uw gemeenschap, geen indruk van Uw heiligheid en rechtvaardigheid, geen bekommernis, nog berouw en schaamte over mijn zonden, geen geloof in Jezus Christus, nog leven in de liefde der waarheid.

Och Heere, ontferm U toch mijner. Bezoek mij met Uw genade. Overtuig mij van mijn zonden. Maak mij krank naar de ziel, omdat ik bij Christus Jezus, de eeuwige Medicijnmeester, genezing en zaligheid zoeke. Schenk mij het geloof in Zijn Naam, opdat ik van duisternis licht, van dood levend worde. Geef mij lust om ook daartoe de nodige middelen aan te wenden, en zegen die.

O, machtige en goede God, word toch hierin verheerlijkt dat gij mij, ellendige, zalig maakt, opdat ik ook met Uw volk en erfdeel Uw grote en heerlijke deugden mag roemen en U in de rijkdom der genade eeuwiglijk verheerlijken. Hoor mij om Christus wil, amen.

Gebed van een overtuigde

Hoge, langmoedige en genadige God. Groot is Uw goedheid aan en over mij, dat Gij mij hebt geschapen en tot hiertoe onderhouden. Nog veel groter is Uw genade, dat Gij mij laat leven onder het liefelijk licht van het Evangelie, daar zovele volken nog in de duisternis blijven. Maar onuitsprekelijk groot is die omtrent mij, dat ik ook door het Woord der waarheid ben geraakt en van mijn zonden overtuigd, daar zovele duizenden ongevoelig heen gaan en in hun zonden sterven. Het zijn Uw goedertierenheden, dat ik niet vernield ben.

Maar dit is het, dat mij dikwijls onrustig en verlegen maakt: of ik al in waarheid wederom met Christus Jezus, door het geloof verenigd ben en zulke vruchten voortbreng, waardoor mijn naaste gesticht en Uw Naam verheerlijkt wordt. Te meer word ik bezwaard, omdat ik toch zeer onwetend en duister ben. Dagelijks en dikwijls wijk ik af en dwaal. Hoe menigmaal word ik overvallen en verstrikt, daar ik steeds als een christen over de zonden moest heersen. Als een vrijgekochte, U in verloochening van mijzelf navolgen, Uw deugden verkondigen, en als een licht in het midden van een krom en verdraaid geslacht schijnen moest, gelijk het een uitverkoren en geroepen heilige betaamt. Te meer maakt het mij verlegen, dat ik hierover niet gevoeliger ben.

O Heere, vol van genade en waarheid, indien er iets goeds in mijn hart is gelegd, doe het mij kennen, en geef mij in het geloof te leven, opdat ik U daarin danke en verheerlijke. Zo ik nog niet wedergeboren en door het geloof in Christus verenigd ben, overtuig mij ook daarvan, opdat ik U zoeke, terwijl Gij nog te vinden zijt. O Vader der lichten, schijn toch in mijn duistere ziel, opdat ik de wonderen van Uw wet lere kennen. Schenk mij de geest des onderscheids, opdat ik naar waarheid kan oordelen, en onderscheid maken tussen goed en kwaad. Geliefde Zone Gods, getrouwe Zaligmaker, verenig mij met U door het geloof, opdat ik uit Uw volheid genade voor genade mag ontvangen. O Heilige Geest, ontvonk mijn hart in liefde, opdat ik in de liefde kan wandelen. Heilig mij, dan zal ik U, de Vader en de Zoon met alle heiligen eeuwig verheerlijken. Amen.

Een dankzegging en gebed van een bekeerde

Getrouwe, vriendelijke en algenoegzame God! Hoe onuitsprekelijk is Uw mensenliefde, onnaspeurlijk Uw wijsheid, onbegrijpelijk Uw almacht. Hoe heerlijk en wonderbaar is Uw heiligheid en gerechtigheid! Gij, drie-enige God, openbaart die in het zaligen van de uitverkoren, doch ellendige zondaren, en dat alles naar Uw welbehagen en onveranderlijke vrederaad.

Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt en hem bezoekt! Wat ben ik, o Heere, dat Gij U over mij, arme en ellendige, hebt ontfermd, daar ik gelijk de ganse menigte in mijn bloed versmoord lag, walgelijk en doemwaardig vanwege mijn aangeboren en dagelijkse zonden. Het is alleen door Uw vrije genade dat Gij, o getrouwe God, het eeuwig testament der genade in het dierbaar Evangelie hebt opengelegd, waarin Christus Jezus als de enige en volkomen Borg en Zaligmaker wordt voorgesteld, vol van genade en waarheid. Waarlijk, dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Hij in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken.

Hoe wonderbaar groot is deze Uw genade, dat Gij mij duidelijk aan mijzelf hebt bekendgemaakt en mij door Uw Woord en Geest zodanig van mijn zonden overtuigd, zodat ze mij tot een last geworden zijn. Ik bevond mij ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt te zijn. Dat Gij mij, toen ik vreesde door het vuur van Uw verbolgenheid verslonden zullen worden, Christus Jezus als de geopende Fontein hebt aangewezen, Wiens bloed van alle zonden reinigt. Die nodigt mij en alle dorstigen zo vriendelijk tot Zich, om de genadewateren, wijn en melk om niet te kopen. Dit zijn aangenaam en troostelijke woorden! Zij zijn mijn ziel zoet, omdat ik in U, gezegende Zaligmaker, gerechtigheid, vrede, leven en zaligheid gevonden heb.

O, wat zal ik U vergelden voor alle weldaden aan mij bewezen! Mijn innige lust en begeerte is, om nu ook al de dagen van mijn leven voor Uw aangezicht in een kinderlijke vreze te wandelen. Want Gij zijt het waardig, en het komt U toe, dat men lof zegge ter gedachtenis van Uw heerlijke deugden.

Doch, omdat ik zonder U niets vermag, geef mij door het geloof te leven, opdat ik, getrouwe Zaligmaker, uit Uw volheid genade voor genade ontvange. Leer mij wettig te strijden tegen mijzelf en alle vijanden. Geleid mij naar het Woord der waarheid door Uw Heilige Geest, opdat ik met lijdzaamheid de loopbaan lope, en met de getrouwen de kroon des levens uit genade beërve, om eeuwiglijk met al de heiligen u de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest te verheerlijken. Amen

Gebed voor de predicatie voordat men naar Gods huis gaat

Algenoegzame en zegenrijke God! Daar de zondaar van Uw zalige gemeenschap was vervreemd en door de zonde onmachtig en ellendig geworden, zodat hij in zichzelf niet anders als Uw toorn, de vloek van de wet en het eeuwige verderf had te verwachten, daar heeft het U, naar de rijkdom van Uw genade, wederom behaagd om sommigen uit het verdoemelijke, menselijke geslacht, die Gij voorgekomen zijt met Uw eeuwige liefde, te behouden. Gij roept ze door het Woord des Evangelies en wijst hen daarin de weg des levens aan.

O levende en levendmakende God! Roep mij dan door Uw Woord en Geest tot de gemeenschap van Uw Zoon en geef mij die genade dat ik op Uw roepstem acht mag geven. Geef mij die kracht, dat ik die op mag volgen en gehoorzamen en mij, door een ongeveinsde bekering en een oprecht geloof, aan U in Christus overgeven. Bereid mijn hart daartoe onder het gehoor van Uw Woord. Open het, opdat ik acht mag geven op hetgeen door Uw dienstknecht van Uwentwege zal worden voorgedragen. Zuiver mijn hart van het onkruid van verdorvenheden, van het steenachtige deel van verharding, opdat het mag zijn als een goede en wel bereide aarde, ten einde het zaad van Uw woord, daarop neervallende, diepe wortelen mag schieten, opwassen en eens vruchten voortbrengen, waardoor Gij in Christus kunt verheerlijkt worden. Trek mijn ziel af van het aardse en laat niet toe dat de zorgvuldigheden van dit leven dat goede zaad van Uw Woord verstikken.

Geef ook Uw dienaar, die het zal verkondigen, wijsheid en genade, opdat hij met betoning van Geest en kracht mag spreken. Verwek ook anderen tot een geheiligde aandacht en geef ons ogen om te zien, oren om te horen en een hart om te verstaan, om de Heere Jezus wil. Amen.

Gebed na de predicatie als men thuisgekomen is

Hoge, heilige en heerlijke God, in Wiens Hand het staat te behouden en te verderven, levend te maken en te doden, te verhogen en te vernederen! Zo gij wilt, o Heere, Gij kunt mij reinigen en behouden. Wederbaar mij naar Uw wil door het Woord Uwer waarheid. Achtervolg het gepredikte woord met Uw zegen. Zegen het ook aan anderen die het gehoord hebben, opdat Sion gebouwd worde en Uw koninkrijk uitgebreid. Breid het ook uit tot de volken die nog in de duisternis zijn, opdat Uw Naam op de gehele aarde heerlijk worde.

O Heere, maak het toch vruchtbaar in mijn ziel. Wat vrucht zal Uw woord toch geven, zo Gij het niet bekrachtigt aan mijn hart! Overreed mij, o Heere, zo zal ik overreed zijn. Zo Gij werkt, Gij zult mij te sterk bevonden worden, en wie zal het dan keren?

Verlicht mijn verduisterd verstand, zuiver mijn oordeel van alle verkeerde vooroordelen. Neig mijn wil tot de gehoorzaamheid van Uw geboden, opdat ik met verloochening van mijzelf en met verzaking van de wereld en de zonde, U mag dienen in gerechtigheid en heiligheid al de dagen mijns levens, en het Evangelie waardig wandelen. Laat Uw goede Geest mij geleiden in alle waarheid. Verzegel die op mijn hart, opdat ik Uw Woord mag bewaren tot het einde toe. Maak mij daartoe bekwaam en schenk mij die genade om Christus wil. Amen.

Gebed voor het eten

Goede God, Fontein van alle heil en zegen, Die alles wat er leeft, het leven, de adem en alle dingen geeft, wij bidden U, dat Gij deze spijs en drank gelieft te zegenen en te laten dienen tot een gezond voedsel voor onze lichamen en versterking van onze krachten.

Weer van ons alle overdaad en onmatigheid en verleen ons die genade, dat we deze Uw gaven in Uw heilige vreze met matigheid en dankbaarheid mogen nuttigen. Voed ook onze zielen met het brood van Uw Woord, opdat wij daardoor mogen wedergeboren en versterkt worden in de hoop van het eeuwige leven, hetwelk Gij voor uw kinderen bereid hebt door Christus Jezus, de enige Zaligmaker, Die met u verheerlijkt zij in alle eeuwigheid. Amen.

Gebed na het eten

Menslievende God! Hoe groot is uw goedertierenheid aan ons, die maar stof en as, ja, zondige mensen zijn! Gij hebt ons nu wederom zo mild met spijs en drank gevoed en verkwikt, waarvoor wij Uw Naam loven en danken.

Maar dewijl wij ook arm en gebrekkig zijn naar de ziel, zo vervul die met de gaven van Uw Geest, geloof, liefde en heiligmaking, opdat wij het leven, dat wij van U ontvangen hebben, tot Uw eer alleen besteden, U verheerlijkende, beide met ziel en lichaam, hier in de genade aanvankelijk, en hiernamaals, eeuwig en altoos, om uw Zoons wil. Amen.

Morgengebed

Getrouwe mensenhoeder! Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, dat Gij ons arme en onwaardige mensenkinderen, nog boven zoveel anderen in de dood niet hebt doen ontslapen, maar ons door de slaap verkwikt hebbende, in gezondheid doet opstaan! O langmoedige God! Dat Gij nog Uw zon doet opgaan over ons ondankbare mensen, zodat we nog Uw lieflijk licht in het land der levenden mogen aanschouwen. O blinkende Morgenster! O Zon der Gerechtigheid! Dat Gij eens zoudt willen opgaan en schijnen in onze duistere harten.

Geef ons geestelijke ogen des verstands, dat wij zien en levendig ondervinden mogen, hoe rampzalig onze staat is buiten de bestraling van Uw Goddelijk licht. Verlicht ons door Uw Woord en Geest, opdat wij niet in de duisternis, maar met verloochening van onszelf, met U in het licht mogen gemeenschap hebben. O Vader der barmhartigheden! Vergeef ons tot dat einde al onze menigvuldige zonden uit vrije genade, alleen om de genoegdoening van Uw geliefde Zoon Christus’ wil.

Geef ons die genade, dat wij Uw Koninkrijk eerst en boven alle dingen zoekende, ons alle andere dingen werden toegeworpen. Zegen ons daartoe in onze arbeid. Geef ons wijsheid, kracht en gezondheid, dat wij alles met lust mogen doen in Uw vreze.

Geef ons aandacht en opmerking, en zelfs geestelijke harten in ons wereldlijk beroep, om Uw wijsheid, goedheid, rechtvaardigheid en wonderlijke voorzienigheid in alles te leren zien, tot grootmaking van Uw heilige Naam.

En, o rechtvaardige God! Hebt Gij ons opgelegd, om der zonde wil, ons brood met smart te eten, och dat wij ook gedurig onze geestelijke armoede leerden kennen, om ook dagelijks de tijd wel uit te kopen, dat wij U mochten dienen, Uw Woord met liefde lezen of horen lezen, en steeds herdenken en daarnaar onze woorden en wandel mogen bestieren, tot eer van Uw Naam, tot stichting van onze naaste en eeuwige behoudenis van onze ziel, om Jezus wil. Amen.

Avondgebed

Goedertieren en weldoende God! Door Uw goedheid hebben wij deze dag wederom mogen beleven. Hadden wij die maar recht besteed in Uw vreze. Maak ons onze zonden en gedurige afdwalingen bekend, opdat wij ze ter harte nemen. En geef ons een boetvaardig en gevoelig hart, om tot U steeds weder te keren. En doe verzoening over al onze zonden, om Uw Zoon Christus’ wil.

Maak ons ook steeds ons einde bekend, hoe haastig en onverwacht onze dagen als gedachten heengaan. Leer ons, o Heere, alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart mogen bekomen. En geef dat wij van dag tot dag, meer en meer, onszelf, de wereld en de zonden afsterven mogen, om in nieuwigheid des levens te wandelen.

Getrouwe God! Bewaar ons ook, en de onzen, in deze aanstaande nacht, opdat wij ons hoofd niet gerust mochten neerleggen, totdat wij met U en Christus, uw Zoon, waarlijk verzoend waren. En verkwik ons ook door een matige slaap. Kom niet, Heere Jezus, als een dief in de nacht. Doe ons niet ontslapen in een schielijke dood. Maak ons altijd bereid. En als wij wakker worden, wilt Gij dan bij ons zijn.

Maak ons wakker uit de slaap der zonden. Geef ons lust en kracht om ons vlees te kruisigen en te doden en U in ziel en lichaam te verheerlijken. Verstoor ook alle werken des satans. Laat uw Woord als een licht zelfs schijnen in de duistere plaatsen. Zegen de bediening van het Evangelie, opdat Uw Koninkrijk kome, en Uw Naam van ons en anderen mag verheerlijkt worden. Ontferm u ook over ons lieve vaderland. Zegen onze overheden, onze vrienden en onze vijanden.

Gedenk toch aan alle noodlijdenden. Maak ze gevoelig over hun zonden. Schenk ze de verlossing in Christus en een gelukkige uitkomst tot Uw eer en hun zaligheid. En verleen ons ook wat Gij weet, dat wij naar ziel en lichaam nodig hebben, om U behaaglijk te dienen en te verheerlijken, uit uw vrije genade, om Christus’ wil. Amen.