Geef mij verlof, dat ik hier een kleine uitweiding maak, doch met dit beding van niet ingewikkeld te mogen worden in hedendaagse verschillen die tussen eensgezinde broeders zweven, want het lust mij niet van de twistwateren te Massa en Meríba te drinken.
Daar wordt dan gevraagd of de gelovigen van het Oude Testament de vergeving der zonden door Christus Jezus zo volkomen hebben genoten als wij die in het Nieuwe Testament ontvangen? Tot beantwoording van deze vraag zal dit navolgende kort dienen.
Ik stel voor vast dat de gelovigen van het Oude Testament inderdaad door Christus Jezus vergeving der zonden verkregen hebben, zodanig dat ze niet om een enige onvergeven zonde buiten de hemel hebben behoeven te staan, maar zij zijn, zowel als wij, daar ingelaten. De ene offerande van onze Middelaar was genoegzaam, ten aanzien van zijn waarde en rechtskracht , om al Zijn uitverkorenen, van het begin tot aan het einde van de wereld, vergeving van de zonden te verschaffen. Anders had Hij dikmaals moeten lijden van de grondlegging der wereld af, Hebr. 9:26, wat niet duister te kennen geeft dat Hij voor de zonden van de gelovigen, zelfs van het begin van de wereld aan, heeft moeten betalen, gelijk Hij ook in der waarheid gedaan heeft, zodat Hij ten opzichte daarvan genoemd wordt het Lam, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld, Openb. 13:8. Dus hebben de oude leraars van de kerk zeer wel gezegd: De dood van Christus heeft zaligheid verschaft, eer dat ze geschied was.
Dit zodanig gesteld zijnde, moet nochtans enig onderscheid gemaakt worden tussen de toediening van de vergeving der zonden aan de gelovigen, gelijk ze eertijds is bedeeld in het Oude en nu bedeeld wordt in het Nieuwe Testament. Dit onderscheid wordt door sommige godgeleerden, die nauwkeurig willen spreken, uitgedrukt door twee woordjes, te weten paresis en aphesis. Het eerste passen ze op het Oude en het laatste op het Nieuwe Testament.
Het eerste, zeggen ze, betekent een voorbijlating of een oogluiking, een overgeving, overzetting of overdracht der zonden en is zoveel als een vergeving onder akte van borgtocht. Maar het tweede betekent een eigenlijke vergeving, die geschiedt onder kwitantie van volle betaling. Hierop schijnt de apostel Paulus het oog te hebben, Rom. 3:24-26, daar is het woord paresis, en Hebr. 10:18 daar is het woord aphesis. Vergelijk hiermee Hebr. 9:15 en onderzoek de aantekeningen op de kant van die plaatsen. Deze vinding , gelijk een twistzoekende Brinck dat spottenderwijze zo noemt, en als een schadelijke nieuwigheid ook onder zijn hekel haalt in zijn “Toets-steen”, verschilstuk 48, pagina 346 enzovoort, is niet allereerst door ds. Coccejus uitgevonden, maar ds. Cloppenburch heeft dat overgenomen uit de aanmerkingen van die treffelijke Beza op Rom. 3:25, die zich niet geschaamd heeft zijn eerste gedachten over die plaats te veranderen. Dat gevoelen van Beza heeft de heer Cloppenburch ds. Coccejus meegedeeld, toen ze in de tijd van mijn academische studie te Franeker zeer geliefde collega’s waren en beide mijn hoogwaardige meesters in de godgeleerdheid. Zie daarvan ds. Coccejus eigen verhaal in zijn grondig traktaat “De Foedere” enzovoort.
Ik wil met niemand twisten wat juist de eigenlijkste betekenis zij van dit een of ander woordje. Want, naar het algemene spreekwoord, de woorden hebben in het gebruik hun kracht als de penningen, zodat ze dikwijls hun betekenis ontvangen naar de gelegenheid van de materie die verhandeld wordt, gelijk al te wel bekend is degenen die in het lezen van de Heilige Schrift geoefende hersenen hebben. Alleen zal ik de zaak zelf, zo duidelijk als ik kan, in het kort voorstellen.
De toediening dan van de vergeving der zonden aan de gelovigen in het Oude en Nieuwe Testament is verscheiden. Die verscheidenheid bestaat voornamelijk in deze dingen:
Vooreerst, de vergeving der zonden onder het Oude Testament was een voorbekomen vergeving vanwege de borgtocht, die de Borg Christus Jezus bij overeenkomst had aangenomen, maar toen nog niet door betaling voldaan. Gelijk een schuldenaar de schuld wordt kwijtgescholden om de borgtocht van een rijke borg, die beide machtig en gewillig is om te betalen, hoewel het geld voor de schuld nog niet dadelijk geteld is. Zulk een wordt wel van zijn schuld ontslagen, maar ondertussen is zijn ontslag niet zo volstrekt vrij alsof de schuld alreeds betaald was, omdat de schuldbekentenis daar nog ligt tot last van zijn borg om dat op de gezette tijd te moeten voldoen.
Maar onder het Nieuwe Testament wordt ons door Christus Jezus vergeving der zonden geschonken onder een volkomen titel van recht, wat ons daartoe geschapen is, zodat ons ontslag geheel en al vrij is, omdat onze Borg de prijs heeft geteld en de betaling tot de laatste penning toegedaan. Deze heeft Zijn Vader, onze Schuldheer, ook volkomen aangenomen, zodat er nu geen offerande voor de zonden, noch waarachtig noch voorbeeldend, meer plaats heeft. Want waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde, gelijk de apostel Paulus argumenteert, Hebr. 10:18.
Ten tweede, in het Oude Testament was onder de publieke bediening van de uiterlijke godsdienst een jaarlijkse, ja, dagelijkse indachtigmaking der zonden, een wedergedachtenis der zonden, Hebr. 10:3. Of, naar de taal van de oudvader Athanasius, een verwijt, want in de gedurige opoffering van de beesten, die dagelijks geschiedde, werd steeds vertoond het handschrift dat tegen ons was, Kol. 2:14, en werd daardoor als door een dagelijkse schuldbekentenis bevestigd, dat de zonde nog niet volkomen was weggenomen. Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonde wegneemt, Hebr. 10:4.
Maar onder het Nieuwe Testament heeft in onze redelijke godsdienst en de sacramenten, die als zegels daaraan zijn gehangen, zulk een indachtigmaking der zonden opgehouden, gelijk van deze genade van het Nieuwe Testament voorzegd is, Jer. 31:34: Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hunner zonde niet meer gedenken. Vergelijk hiermee Hebr. 10:16-18. Maar in plaats van die gedachtenis der zonde, houden wij gedachtenis van de dood van de Heere Jezus Christus, Die Zijn bloed vergoten heeft tot vergeving van onze zonden, 1 Kor. 11:24-26 en Matth. 26:28. Om deze oorzaak wordt de vergeving der zonden, door een bijzonder voorrecht , de huishouding van Gods genadeverbond onder het Nieuwe Testament toegeschreven. Dat is dan, gelijk nauwkeurige taalkenners goeddunkt te spreken, een vergeving der zonden in de uitnemendste betekenis, die zijn volle kracht heeft ontvangen door absolute kwitantie van volkomen betaling, waardoor het handschrift, dat op de schuldbrief toen nog openstond, geheel en al is uitgewist. Zodanig is de rechtzinnige leer van Calvijn, Bullinger, Beza, Pareus, Gomarus, Cloppenburch, Coccejus, Apollonius, Streso, ja, in het wezen der zaak (zo mijn oordeel niet feilt) van alle orthodoxe theologen.
Ten derde, in het Oude Testament werd de vergeving der zonden slechts voorbeeldig verzegeld door het bloed van de beesten. Maar onder het Nieuwe Testament is die volkomen bevestigd door de bloedige dood van de Testamentmaker Zelf, Hebr. 9:11-22. Tot deze volkomen bevestiging hebben de vaderen van het Oude Testament al hun geloof en hoop en verlangen uitgestrekt, en hebben die van verre gezien, gelijk Abraham, Joh. 8:56; Jakob, Gen. 49:18; Job, Gen. 19:25-27 en anderen meer. Dit wel wetende, dat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden, alzo God wat beters over ons voorzien had, Hebr. 11:40. Hierop ziet de spreuk van de oudvader Augustinus: Zij, dat is de gelovigen van het Oude Testament, hebben geloofd wat geschieden zou, hetgeen wij geloven dat geschied is. En alzo is in beide Testamenten geweest, opdat ik de taal van Clemens van Alexandrië gebruik, een algemeen geloof van der mensen zaligheid.
Is nu ds. Brinck zo blind, dat hij de rechtzinnigheid van dit concept niet ziet, wie kan dat beteren? Laat hem uit de geestelijke apotheek van Gods Woord onvervalste ogenzalf halen, en mij dunkt, die zal de donkere ogen van zijn verstand wel opklaren, dat hij wat scherper van gezicht mag worden. Het behaagt mij niet dat ik de opgepronkte poppenkraam van Brinck nader onderzoeke, en zijn schijnredenen met tegenredenen beantwoord, want zo doende zou ik mijn werkje van de stervende Jezus door ijdele praterij ontsieren. Ook past het mij niet in broedertwist zijn voetstappen na te volgen. Is het hem vermaak op de weg van Ismaël te lopen, van wie de Engel des HEEREN tot zijn moeder Hagar zei: Hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem, Gen. 16:12, laat hem dus lopen, zo lang als het hem lust, hij zal welhaast moe worden. Mijn voornemen is op de weg des vredes te wandelen, en ik hoop door Gods genade naar mijn vermogen alleszins te tonen dat mijn oogmerk is de bressen van de gescheurde muren van Jeruzalem niet te verwijden, maar toe te stoppen, gelijk ik tot nog toe gedaan heb.
Deze mijn Schriftuurlijke verklaring van het bovengezegde punt, waarover verschil is, weet ik dat vele leraars van onze kerk, mannen van geen geringe naam die vreedzame gedachten hebben, zeer wel behaagt. En of die ds. Brinck (die mijn woorden niet ter goeder trouw, gelijk al veeltijds zijn gewoonte ook omtrent anderen is, maar zo los uit het hoofd naar zijn eigen goeddunken verhaalt, en dat zodanig als het hem het best in zijn kraam schijnt te vleien, zie daarvan zijn “Toets-steen”, pagina 353 en vergelijk dat mijn concept “Swaanen-gezangh”, 1e deel, pagina 32) of, zeg ik, die verklaring hem mishaagt, daar is mij niets aangelegen. En of hij mij met de spits van zijn pen een verse steek geeft, ik zal aan dat zeer niet eens hinken, want ik denk niet dat Brinck die man is, die de meester zal spelen en in de theologie ons de wet zal stellen. Nee, Eén is onze Meester, namelijk Christus, Matth. 23:8,10. Die zal door Zijn Heilige Geest ons alles leren, Joh. 14:26, en door die Geest der waarheid ons leiden in alle waarheid, Joh. 16:13.