Jacobus Oldenborg
Jacobus Oldenburg (1653-1690) was predikant te Witmarsum, Emden en Dordrecht. Hij verdedigde de gereformeerde leer tegen socinianen en remonstranten en liet diverse theologische geschriften na.
Zijn bekendste werken behandelen het zaligmakend geloof, het genadeverbond en de geestelijke gemeenschap tussen Christus en Zijn Kerk.
| Levensloop | |
|---|---|
| Geboren | 18-12-1653 |
| Overleden | 1690 |
| Predikantsplaatsen | |
|---|---|
| Witmarsum | 1674-1683 |
| Blija en Hogebeintum | 1683-1684 |
| Emden | 1684-1688 |
| Dordrecht | 1688-1690 |
Jeugd, studie en vorming
Jacobus werd te Harlingen geboren op 18 december 1653. Zijn achternaam komen we ook wel tegen als Oldenborgh of Oldenburgh. Reeds jong moest hij zijn ouders missen, maar ds. Daniël Reneman (1636-1716) ontfermde zich over hem en werd zijn pleegvader. Hij stimuleerde tot en begeleidde hem in zijn studie voor het predikantschap. Op 27 september 1669 werd hij ingeschreven als student te Franeker. Op 23 november 1672 promoveerde hij aldaar tot doctor in de filosofie. Hij trouwde met een Marretje Lollides, dochter van ds. Regnerus Lollides (overleden 1697) die predikant was te Kimswert.
Predikant in Friesland, Emden en Dordrecht
Witmarsum beriep de jonge kandidaat. Na de kerkelijke approbatie op 6 november 1674 nam hij de herdersstaf op in deze gemeente, waar eenmaal de zo bekend geworden Menno Simons stond. Hij stond in deze gemeente tot 1 april 1683, waarna hij vertrok naar Blija in combinatie met Hogebeintum. Van het afscheid en de intrede verschenen de preken in druk. Opmerkelijk in deze preken is het inleidende gedeelte dat een uittreksel is van de laatste preek van ds. Lollius Lollides, predikant te Oosterlittens. Deze Lollius was een broer van Regnerus en dus ook van Jacobus’ vrouw en is reeds op 24-jarige leeftijd in 1683 aan de pokken overleden te Oosterlittens. Ds. Oldenburg diende beide dorpen maar zeer kort want op 5 mei 1684 vertrok hij reeds naar Emden (Oost-Friesland).
Romeijn vermeldt nog het volgende: “Op de Synode te Franeker in 1686 gehouden, werd in de 9e zitting door gecommitteerden van die klassis voorgesteld, dat deze leeraar, hoewel te Emden staande, tot nog toe de viduale penningen had opgebracht, en voornemens daarin te volharden, verzoekende dat, na zijn versterven, deszelfs weduwe, gelijk alle andere hier te lande, de weduwgelden genieten mocht, hetwelk door de Synode werd toegestaan.”
De gemeente van Emden diende hij tot 1688. Op 8 juni 1684 verbond hij zich aan de gemeente van Dordrecht. Ook de preken uitgesproken bij het afscheid van Emden en intrede in Dordrecht verschenen in druk.
Strijd tegen dwalingen
Van de hand van ds. Oldenburg verschenen, behalve de reeds genoemde afscheids- en intreepreken, verschillende werken in druk. In 1681 nam hij de ganzenveer op tegen D. Swicher en Adr. Swartepaard, die de Godheid van Christus en de Drie-eenheid loochenden, met zijn boek: Nietigheyd en ongegrondheyd der sociniaansche so genaamde gods-dienst (Franeker 1681). Ds. Joh. Becius (1623-ca 1690), predikant te Middelburg schreef een verdediging tegen het boek van Jacobus. Deze Becius was een merkwaardige figuur die het opnam voor de socinianen, remonstranten en mennisten en feitelijk vrijheid van godsdienst propageerde. Meerdere van zijn boeken werden door de Staten verboden. Slechts kort was hij daarom maar predikant en leefde een zwervend leven. Korte tijd verbleef hij ook in Friesland waar hij met de mennisten kennis maakte.
Ds. Oldenburg reageerde vanuit Emden met zijn boek Korte Verklaringe over de eerste algemene Sendbrief des Apostels Johannis (Franeker, 1684), waarin hij de gevoelens van Becius bestreed. Ook zijn boek Twijfelingen en Swarigheden over de Dryeenigheyt (1687) was gericht tegen Becius.
Geschriften over geloof en genadeverbond
Van der Haar vermeldt nog in zijn “Schatkamer” het boek Blijk der Waerheyt, tegen de leugen. In twee delen voorge-stelt (Leeuwarden, 1688) ook gericht tegen de socinianen, De regte Natuyr en Aard des Saligmakenden Geloofs, over het genadeverbond (Leeuwarden 1688) en Over de Geestelijke ondertrouw tusschen Christus en syn Kerke. Postuum verscheen nog van zijn hand Schriftmatige Verklaringe over de drie Eerste Capittelen van Salomons Hooge-Lied (Dordrecht 1691).
Overlijden en geestelijke nalatenschap
Regnerus Lollides, zijn schoonvader, schreef in dit laatst genoemde boek, dat Jacobus reeds van zijn kindsheid af zich had geoefend in de Schriften. Hij onderzocht die dagelijks en wel in het bijzonder het Hooglied. Hij achtte dit boek om de uitnemendheid en voortreffelijkheid, als een zon onder de nachtlichten, als een diamant onder het goud. Tenslotte vermeldt Regnerus van hem dat hij op de leeftijd van 38 jaar zijn ziel in de hand van Zijn getrouwe God en Zaligmaker gegeven heeft. Zijn sterfjaar moet 1690 zijn geweest, de precieze datum is onbekend. Zo kwam ook een einde aan het leven van deze markante dominee die grote waardering voor zijn leermeester Coccejus had, hoewel hij hem niet slaafs volgde.
Hellebroeks waardering van Jacobus Oldenburg
Ds. Abraham Hellebroek schreef het volgende gedicht in het boek “Schriftmatige Verklaringe” (enigszins herspelt):
Dus leeft nog OLDENBORG, dat Dordtse Licht,
Ten schaa van Jezus’ Volk te vroeg gezwicht,
De dood mag zijnen hand en vingers pletteren,
Hij blijft nog leven in zijn wijze letteren.
Schoon ’t oor zijn stemgeluid, o! Dordtse kerk!
Verloor, nog ziet uw oog zijn hersenwerk,
Zijn grote ziel, verrukt in Jezus’ liefde,
Die hem zo zoet, zo minnelijk doorgriefde,
Vond in het liefdelied van Salomon
Een stof, die tong en pen verrukken kon.
Zijn milde tong kwam eerst de liefdedaden
Van Jezus en Zijn Bruid in kerkles raden,
En prijzen aan het oor. Hoe menigmaal
Scheen hart en tong verrukt in hemeltaal?
Hoe dikwijls Sionsvolk, door ’t liefelijk strelen,
De aarde met de hemel als te delen?
Nu spreekt zijn pen nog weder na zijn dood,
En schaft nog andermaal dat zielenbrood.
Kom zoek, en vind hier, Jezus’ lievelingen!
Een hartenschat van oude en nieuwe dingen;
De geestelijke kern, het ware pit,
Dat onder een verbloemde taalschors zit.
Hier wordt dit lied Schriftuurelijk ontduisterd,
En met een glans verstaanbaar opgeluisterd:
O! dat de dood ’s mans toeleg niet verkort,
En, eer het werk een eind had, had geschort.
A. Hellenbroek
Overzicht van zijn geschriften
- Blijk der Waerheyt, tegen de leugen. In twee delen voorgestelt.. (tegen de socinianen).
- Korte Verklaringe over de eerste algemene Sendbrief des Apostels Johannis.
- Laatste Vaar-wel tot een af-scheyd en Eerste Genade-Bede.. (resp. te Witmarsum over Filipp. 4:8 en te Blija over Openb. 1:4v).
- Laatste Wensch en eerste Aanspraak (afscheid van Emden en intrede te Dordrecht).
- De regte Natuyr en Aard des Saligmakenden Geloofs (over het genadeverbond).
- Schriftmatige Verklaringe over de drie Eerste Capittelen van Salomons Hooge-Lied.
- Nietigheyd en ongegrondheyd der sociniaansche so genaamde gods-dienst (tegen D. Swicher en Adr. Swartepaard die de Godheid van Christus en de Drie-eenheid loochenden).
- Over de Geestelijke ondertrouw tusschen Christus en syn Kerke (Hebr. 3:18-19).
- Twijfelingen en Swarigheden over de Dryeenigheyt (tegen ds. Joh. Becius).
Geraadpleegde bronnen
- Naamlijst der predikanten, sedert de Hervorming tot nu toe, in de Hervormde Gemeenten van Friesland, ds. T.A. Romeijn.
- Biografisch Woordenboek der Nederland, A.J. van der Aa, deel 9.
- Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNBW), P.C. Molhuysen en P.J. Blok, deel 4.
- Schriftmatige Verklaringe over de drie Eerste Capittelen van Salomons Hooge-Lied, Jacobus Oldenburg.
- Schatkamer van de Gereformeerde Theologie in Nederland, ds. J. van der Haar.