Johannes à Marck
Johannes á Marck (1656-1731) behoort tot de belangrijkste gereformeerde theologen van zijn tijd. In dit artikel wordt aandacht besteed aan zijn invloedrijke Merch der christene godgeleerdheid en aan zijn overige geschriften. Ook komt zijn verdediging van de Statenvertaling en van de zuivere gereformeerde leer aan de orde. Tot slot wordt een predicatie uit 1701 besproken, waarin à Marck spreekt over de verwachting van de vernieuwde schepping en de eeuwigheid.
| Levensloop | |
|---|---|
| Geboren | 10-01-1656 |
| Overleden | 30-01-1731 |
| Predikantsplaatsen | |
|---|---|
| Midlum | 1675-1676 |
| Franeker (Hoogleraar) | 1676-1682 |
| Groningen (Hoogleraar) | 1682-1689 |
| Leiden (Hoogleraar) | 1689-1731) |
Het Merch der christene godgeleerdheid
Het Merch der christene godgeleerdheid van à Marck hebben we toch allen wel horen noemen? Wel twee eeuwen lang heeft dit belangrijke werk op diverse universiteiten aan het dogmatisch onderwijs ten grondslag mogen liggen. En nog wordt dit werk door ons voor het onderzoek in de leer van Gods Woord gebruikt.
De naam van Bernhardinus de Moor is aan dit werk als onafscheidelijk verbonden geworden. Bernhardinus de Moor is later geboren en gestorven dan à Marck, maar heeft toch nog gelijktijdig met hem geleefd. Studerende te Leiden werd hij een ijverige leerling en volgeling van à Marck. Zijn voornaamste werk werd zelfs later een uitvoerige commentaar op het genoemde 'Merch der christene godgeleerdheid' van à Marck.
We willen dan ook aandacht vragen voor deze grote theoloog, wiens naam met eer onder de voorname godgeleerden van die tijd kan worden genoemd. Op 10 januari 1656 te Sneek geboren zijnde, promoveerde hij reeds in 1675, het jaar waarin hij ook predikant werd, in Midlum, zowel in de theologie als in de filosofie. Over zulk een geleerdheid op nog zulk een jeugdige leeftijd hebben we niet gering te denken. Zo werd hij in 1676 al hoogleraar te Franeker, in 1682 hoogleraar te Groningen en in 1689 hoogleraar te Leiden.
Niet alleen schreef hij zijn Compendium theologiae christianae didactico-elencticum of het genoemde Merch der christene godgeleerdheid als een uittreksel daarvan, maar ook een reeks van commentaren en Bijbelse verhandelingen, zoals over de twaalf kleine profeten, Salomo's Hooglied en de Openbaring aan Johannes. Jammer genoeg zijn deze werken in vergetelheid geraakt.
Het 'Merch der christene godgeleerdheid' is echter onder ons nog bewaard gebleven. Het zou wel wenselijk zijn, dat het nog weer een keer herdrukt werd, maar het herschrijven hiervan is niet gering te schatten, daar het niet alleen meer dan duizend bladzijden telt, maar ook nog in een Oud-Hollandse spelling is geschreven, die zich niet zo gemakkelijk laat overzetten in het hedendaags Nederlands.
Johannes à Marck en de verdediging van de Statenvertaling
De ons bekende Witsius is gelijktijdig met à Marck hoogleraar te Franeker geweest. Met eer wordt hij door hem genoemd, zowel alsook Johannes van der Waeyen, met wie Witsius zich gekeerd heeft tegen het Labadisme.
De verleiding is sterk, om Johannes à Marck alleen al aan het woord te laten in het citeren van wat in het tweede hoofddeel van zijn dogmatisch werk is te lezen over de Heilige Schrift. Belangrijk is wel om te weten hoe hij oordeelde over de vertaling van Gods Woord. Aan de kant van het gedeelte waarin hij schrijft over de Statenvertaling lezen we: 'De achting wordt aangewezen, in welke de gemene aangenomen overzettingen behoren te zijn'. Waar een al te willekeurige afwijking van de oude vertaling ons toe brengt, laat hij ons onomwonden weten, als hij schrijft: 'Gelijk het dan voorts het werk van Godvruchtige Overheden en leraren is, de kerk door den dienst van haar dies verstaande en getrouwe mannen in het openbaar en in het bijzonder te bezorgen van een Goede en Beproefde Vertalinge der Schrift, als onder anderen volgens een algemeene toestemminge is de Nederduitse, door last van de Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden, en volgens het besluit van de Nationale Synode tot Dordrecht in de voorleedene eeuwe gemaakt, zo is het een uitwerksel van eene onbetamelijke dartelheid en eerzucht, dat men in de leerreeden tot het volk, en in de geschriften in de gemeene taal des volks, die op zijn eigen of iemands anders goedvinden met toeleg veeltijds voorbijgaat, berispt, verandert en op allerlei wijze verdacht maakt, waaruit geene andere vrugt te verwachten is als die van veelerlei twijfelinge, verwarringe en gedurige veranderinge, tot smaad en bespottinge van onze gezuiverde Christendom'.
Zegt à Marck daarmede, dat we de vertaling van Gods Woord als onfeilbaar hebben te achten? Neen, want hij laat er direct op volgen: 'Verre zij het evenwel van ons, dat wij enige vertaling zouden willen aanmerken als onfeilbaar, en als zodanig boven, of beneeven de Grondtaale stellen; of ook aan de Leeraaren betwisten, zo haare plicht om de bijzondere kracht der Grondtaale te toonen, en verscheidene vertalingen, die ook in onze Bijbels op de kant veeltijds zijn aangeteekend, met malkander te vergelijken, als haare vrijheid, om niet alleen van de gemeene vertalinge in haar gevoelen af te wijken, maar ook deeze haare afwijkinge met eene behoorlijke zeedigheid en voorzichtigheid voor te stellen. En zoo zijn wij in dit stuk verre van het gevoelen des Pausdoms omtrent haare Latijnsche Bijbel afwijkende'.
Aan duidelijkheid laat dit niets te wensen over. De vertaling van de Bijbel is niet onfeilbaar, maar wel hebben we de bijzondere verlichting niet te miskennen waarmede onze Statenvertalers zijn bedeeld geweest. En terecht wijst à Marck dan ook op het grote gevaar van naar eigen inzicht maar een verandering aan te brengen in de vertaling die wij op last van de Staten-Generaal en volgens besluit van de Nationale Synode van Dordrecht mogen bezitten.
De verdediging van de gereformeerde leer
Als wij verder dit grote hoofdwerk van à Marck doorbladeren, kunnen we zien hoe hij de zuivere leer der Waarheid krachtig heeft verdedigd tegenover de Arminianen en Socinianen en andere dwaalgeesten meer. De leer der predestinatie, van de verkiezing en de verwerping, zet hij zuiver en duidelijk uiteen tegenover de vrije wildrijvers, daarbij een gematigd standpunt innemend als het Supra-Iapsarisme en het Infralapsarisme door hem ter sprake wordt gebracht. Het is vanzelfsprekend niet mogelijk op de inhoud van dit belangrijke dogmatische werk verder in te gaan.
Een predicatie over de vernieuwde schepping
We willen nog graag vermelden, dat we ook een predicatie van hem kunnen vinden in dit boek, door hem uitgesproken, niet alleen bij de ingang van het nieuwe jaar, maar ook van een nieuwe eeuw. Die predicatie heeft hij gedaan in de Grote kerk te Leiden op 1 januari van het jaar 1701. De tekst die behandeld wordt is 2 Petrus 3:13: 'Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont'.
Hij begint de predicatie met op te merken, dat de vernieuwing van het jaar of een bepaalde jarenreeks verschilt van uur, dag of week, waar we geen acht op slaan, maar dat de vernieuwing van een eeuw iets is, dat aan zeer weinigen en onder ons nauwelijks aan iemand gebeurt tweemaal met kennis te beleven. En dan schrijft hij verder: 'En het is misschien onder andere toe te schrijven aan de grote begeerte van deze tijdvernieuwing te genieten, gepaard met de onzekerheid van tot de rechte stond daarvan over te blijven in deze benedenwereld, dat velen, ook verstandige mannen al in het verleden jaar van een nieuwe eeuw ontijdig hebben gedroomd, alsof die toen een begin had genomen. Dit alles nu komt tezamen in de tegenwoordige dag, die de eerste niet alleen is van het jaar, of van een gemene jarenreeks, maar ook van een gehele eeuw, namelijk de achttiende na de heilzame menswording van onze grote God en Zaligmaker Jezus, boven allen te prijzen in der eeuwigheid, Amen'!
Een boodschap voor een nieuw jaar
Misschien dacht men hierboven een fout te ontdekken, als we niet 1700, maar 1701 schreven. Maar à Marck heeft, zoals blijkt uit wat hij zelf bij die gelegenheid heeft gezegd, de eeuwwisseling niet gevierd op 1 januari 1700, maar 1701. Toen waren de 17 eeuwen pas vol geworden. Dit kan ons voor de naderende eeuwwisseling alvast iets te denken geven.
Hoewel hij verder in die preek kort zijn gedachten weergeeft van de verwachting die nog in hem leefde in betrekking tot Israël en Gods kerk vóór de voleinding der wereld, heeft hij toch de tekst geheel op de vernieuwde schepping na het grote eindgericht toegepast. Wat hij van de gegronde verwachting zegt, is ontdekkend en vertroostend.
We besluiten onze bijdrage over à Marck met de bede waarmee hij zelf die predicatie besluit:
'Gij, o onveranderlijke Koning der eeuwen! Toon Uzelve altoos en eeuwiglijk Dezelfde in trouw aan ons; opdat wij noch hier noch hiernamaals van Uw zalige gemeenschap uitvallen. Vernieuw onze dagen als vanouds, en verblijd ons naar de dagen in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren in welke wij het kwade gezien hebben. Vernieuw onze jeugd als eens arends en doe ons U verwachtende de kracht vernieuwen en opvaren met vleugel en gelijk de arenden, lopen en niet moede worden, wandelen en niet mat worden. Leer ons de jaren en dagen en ogenblikken en eeuwen dezer wereld tellen, en voer ons door de zelve zachtelijk op het spoor der gerechtigheid henen tot de eindeloze eeuwigheid der nieuwe hemelen en der nieuwe aarde, die wij naar Uw goede belofte verwachten met standvastigheid. Kom, ja kom Heere Jezu! Amen'!
Overzicht van zijn geschriften
- Heiliginge van de kinderen der gelovigen in Christus.
- Kort ondersoek van de … Seeven Tiiden der Kerke des N. Testaments.
- Kort Opstel der Christene Got-Geleertheit.
- Korte Verkl. van het vierde Gebot der Goddelijke Wet.
- Het Merch der Christene Got-geleertheit.
- Ontleeding der Openbaaringe van Johannes.
- Uitlegging .. van .. Hosea.
- De Waare Gestalte v.d. Kerke (en) de Rechte Maniere v.h. Kerkbestuur, Briefswyze in het korte vertoont.
- Het Kerkelyke Oordeel, Waar door Enige Meyningen v.d. Vermaarde Herm. Al. Roëll in de Synoden veroordeelt zyn; geprezen van de Professoren der Godgeleertheyt.. tot Leyden (samen met andere Leidse hoogleraren).
Geraadpleegde bronnen
- Naamlijst der predikanten, sedert de Hervorming tot nu toe, in de Hervormde Gemeenten van Friesland, ds. T.A. Romeijn.
- Met toestemming overgenomen uit 'Het blijvende Woord', deel 1, Gereformeerde Bijbelstichting, Leerdam.
- Schatkamer van de Gereformeerde Theologie in Nederland, ds. J. van der Haar.