De coronapandemie stelde kerken voor indringende vragen over het samenkomen voor de eredienst. In dit artikel blikt prof. C. Griess terug op die periode en bespreekt hij aan de hand van vijf stellingen de verantwoordelijkheid van kerkenraad, overheid en individuele gemeenteleden. Daarbij staat de vraag centraal wanneer een gemeente behoort samen te komen en wanneer zij door Gods voorzienigheid verhinderd wordt samen te komen. Ook gaat hij in op de betekenis van het vierde en vijfde gebod en de plaats van het persoonlijke geweten.
Door Prof. C. Griess, hoogleraar Praktische Theologie aan het Protestant Reformed Theological Seminary en lid van de First PRC in Grand Rapids, Michigan.
Door Zijn voorzienigheid heeft de HEERE in januari 2020 een pandemie over de wereld losgelaten. Dit gevolg van de zondeval en voorbode van het komende oordeel zorgde ervoor dat bijna iedereen ter wereld in afwachting was en zich afvroeg wat het COVID virus zou doen als het hun lichaam zou besmetten. Zoals gewoonlijk bij mensen het geval is, wanneer we worden geconfronteerd met iets dat te groot is om te beheersen, ‘riep een iegelijk tot zijn god’ (Jona 1:5). Of die god nu een afgod was, de wetenschap, de mens zelf of de ware God, de mensen riepen het uit. Eenmaal volgens Gods besluit ziek geworden, vroegen sommigen, zoals Benhadad: ‘Zal ik van deze krankheid genezen?’ (2 Kon. 8:8). Op zulke momenten voelden wij, gelovigen, meer dan ooit de behoefte om in Gods huis samen te komen tot eer van dit heilige, ontzagwekkende en toch genadige Wezen, en om door de Bijbelse waarheid degenen te helpen die oprecht op zoek waren.
Toch was dat de grote vraag waar de kerk voor stond: ‘Moeten we samenkomen voor de eredienst? En zo ja, hoe?’ Tegen de achtergrond van oproepen tot sociale afstand om de verspreiding van de ziekte te vertragen, pogingen van verschillende overheidsinstanties om kerkdiensten te verbieden, mondkapjesverplichtingen, rechtszaken, bedreigingen en uiteenlopende reacties, zelfs onder getrouwe kerken, veroorzaakte de pandemie op dit punt een storm van discussie binnen de kerk van de Heere Jezus Christus – moeten we de eredienst houden?
Het laatste wat ik wil, is die storm opnieuw aanwakkeren. Maar net zoals het gezond en nuttig kan zijn om een meningsverschil tussen echtgenoten opnieuw te bekijken nadat de emoties zijn bekoeld, denk ik dat het nu, een aantal jaren nadat de dreiging voorbij is, de moeite waard kan zijn om de specifieke kwestie van erediensten tijdens een pandemie opnieuw te bekijken. Ik ben van mening dat we een eenvoudigere benadering kunnen vinden voor de vragen die in en om ons heen de ronde deden. Ik ben, als predikant die mijn plaatselijke gemeente door de pandemie heen wilde helpen, begonnen met het opstellen van de volgende gids. Door er de afgelopen jaren over na te denken, zijn een aantal aspecten ervan in mijn gedachten verankerd geraakt. Dit artikel bestaat uit vijf stellingen over dit onderwerp, die ik vervolgens ook toelicht. Ik verzoek u het artikel pas weg te leggen nadat u alle vijf hebt gelezen.
#1 Het vierde gebod schrijft voor dat de gemeente op de dag des Heeren letterlijk bijeenkomt voor de gezamenlijke openbare eredienst.
Dit is altijd de wijze geweest waarop de kerk het vierde gebod hield, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Bovendien is dit de specifieke vereiste van Hebreeën 10:25: ‘En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet dat de dag nadert’. Net zoals de ‘toevergadering tot Hem’ (2 Thess. 2:1) van de kerk aan het einde, wanneer Christus terugkeert, een fysieke ontmoeting rondom de Heere is, zo is deze “samenkomst” (hetzelfde Griekse woord) in Hebreeën 10:25 een daadwerkelijke fysieke bijeenkomst op één plaats om God te dienen. Deze bijeenkomst voor de eredienst op een specifieke plaats noemen wij een bijeenkomst van “de kerk”. Fysieke samenkomst is dus vervat in de uitleg van de catechismus over het vierde gebod, wanneer daarin van ons wordt verlangd dat wij ‘tot de gemeente Gods naarstiglijk kome, om Gods Woord te horen.’
Hoewel ‘samenkomen’ via bijvoorbeeld Zoom of YouTube een nuttig alternatief is – en een alternatief waarvoor we dankbaar mogen zijn – voldoet het niet volledig aan de eisen van de Schrift en kan het niet op één lijn worden gesteld met het fysiek vergaderen voor de eredienst. Online ‘samenkomen’ even zwaar laten wegen als fysiek vergaderen, zou hetzelfde zijn als uw reserveband tot uw gewone band maken. Het is een schande voor de maker van de auto gemaakt, en langdurig gebruik is onveilig voor de auto en de mensen die erin zitten. Een reserveband is nuttig wanneer uw gewone band door Gods voorzienigheid niet kan worden gebruikt. Maar u begaat een ernstige fout en onteert de Heere als u de reserveband van de online eredienst tot iets maakt wat het niet is.
#2 De enig geldige reden om op de dag des Heeren niet fysiek met de gelovigen samen te komen voor de eredienst is als God Zelf ons daar in Zijn voorzienigheid van weerhoudt.
Er zijn voorbeelden in de Heilige Schrift waarin God Zelf, overeenkomstig de voorzienige uitwerking van Zijn besluit in het leven van Zijn kinderen, hen ervan weerhoudt gehoor te geven aan deze oproep om op de sabbat samen te komen met de gelovigen voor de eredienst. Een belangrijke verwijzing hiernaar is te vinden in Leviticus 12-15, waar God verschillende wetten geeft betreffende ceremoniële onreinheid. Begrijp goed dat de oorzaak van onreinheid in deze hoofdstukken geen zondig gedrag is. Integendeel, in deze gevallen maakt de Heere duidelijk dat iemand getrouw aan de Heere kan zijn en toch ceremoniële onreinheid kan oplopen. In deze gevallen was onreinheid eenvoudigweg het gevolg van Gods voorzienigheid die in iemands leven tot uiting kwam. Voorbeelden hiervan zijn een vrouw die is bevallen (hoofdstuk 12), iemand die melaatsheid oploopt (hoofdstukken 13-14), of een persoon die ‘vloeiende zal zijn uit zijn vlees’ (hoofdstuk 15). Deze mensen mochten niet ‘tot het heiligdom komen’ (hoofdstuk 12:4) in de erediensten totdat zij weer ceremonieel rein waren. God gaf deze mensen in Zijn voorzienigheid omstandigheden in hun leven die hen beletten om op de sabbat samen te komen, en daarom was hun afwezigheid onder de vergaderende heiligen gerechtvaardigd.
Psalm 42:2-5 beschrijft een persoon (mogelijk David) die zich in een situatie bevond waarin God hem belette zich fysiek bij de gelovigen te voegen voor de eredienst. De psalmist schreef: ‘Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?’ Vers 5 maakt duidelijk dat dit ‘verschijnen voor Gods aangezicht’ een openbare gezamenlijke eredienst was met ‘de feesthoudende menigte’. De man kon niet aanwezig zijn. Maar de afwezigheid van deze man was niet te wijten aan opstandigheid of onverschilligheid in zijn hart. Integendeel, hij klaagt in de psalm omdat hij er zo graag bij wil zijn! Waarschijnlijk weerhield een ziekte hem ervan. Maar wat de omstandigheden ook waren, het was Gods voorzienig handelen in het leven van de psalmist waar hij geen controle over had.
Zeker, men mag niet lichtvaardig een beroep doen op “voorzienige verhindering”. De vastberadenheid van Paulus om op zijn terugweg naar Jeruzalem een omweg te maken om op de dag des Heeren in Troas te verblijven (Hand. 20:6-7), weerhoudt ons ervan te denken dat we God gemakkelijk als verontschuldiging kunnen gebruiken voor onze eigen luiheid of ons koude hart. Niettemin is “voorzienige verhindering” een geldige reden – ja, de enig geldige reden – om niet fysiek samen te komen voor de eredienst op de dag des Heeren. Dit is de reden waarom wij tegen een kind dat griep heeft, zeggen: ‘Je mag thuisblijven.’
#3 In sommige situaties is het de verantwoordelijkheid van de kerkenraad om namens de gehele gemeente te besluiten dat God in Zijn voorzienigheid de gemeente verhindert om voor de eredienst samen te komen.
Hierbij spelen twee belangrijke overwegingen een rol. Ten eerste heeft de kerkenraad (en niet de burgerlijke overheid) de verantwoordelijkheid en het recht om te besluiten de eredienst voor de gemeente af te gelasten. Alleen de ouderlingen, in hun koninklijk ambt, zijn door Christus aangesteld om leiding te geven aan de eredienst van de kerk. Nergens in het Nieuwe Testament krijgt de overheid de opdracht ‘wel te regeren’ (1 Tim. 5:17) over het kerkelijk instituut, ‘hebbende opzicht daarover’ (1 Petr. 5:2). Dat is de taak van de ouderlingen. Dit betekent niet dat de kerk de burgerlijke overheid volledig mag negeren. (Hierover later in dit artikel.) Maar laten we vaststellen dat het recht om de erediensten van de kerk te besturen uitsluitend aan de ouderlingen toebehoort. De burgerlijke overheid mag beslissingen nemen over brandveiligheidsvoorschriften en dergelijke, maar dat is niet hetzelfde als beslissingen nemen over de vraag of de gemeente al dan niet samenkomt voor de eredienst van God en wat zij daarin doet.
Ten tweede dient u er in punt 3 rekening mee te houden dat de kerkenraden het recht hebben om te beslissen of het beginsel van “voorzienige verhindering” in een bepaald geval voor de gehele gemeente van toepassing is, zodat zij de erediensten moeten afgelasten. Ik ben mij ervan bewust dat dit een gevolg is van wat ik tot nu toe heb gezegd en dat er geen direct Bijbels bewijs voor kan worden aangevoerd, maar de redenatie is logisch en deze praktijk bestaat al eeuwenlang. Dit is wat ten grondslag ligt aan het idee dat een kerkenraad de eredienst kan afgelasten vanwege slecht weer. De kerkenraad oordeelt namens de gehele gemeente dat God in Zijn voorzienigheid de gemeente verhindert om samen te komen voor de eredienst.
De kerkenraad kan hiertoe ook in tijden van een pandemie rechtmatig besluiten, en zo diensten afgelasten of terugvallen op de “noodoplossing” van online “samenkomsten”. De kerkenraad mag dit niet lichtvaardig doen, net zomin als zij dit lichtvaardig doen vanwege weersomstandigheden. Zij dient rekening te houden met vele factoren, waaronder het feit dat het vierde gebod deel uitmaakt van de Tien Geboden (geen kleinigheid!). Toch mogen (en moeten) zij bij het nemen van deze beslissing ook rekening houden met de verordeningen van de burgerlijke overheid met betrekking tot vergaderen. De verordeningen van de overheid zijn op zichzelf niet de doorslaggevende factor. De overheid heeft zelf niet het recht om enige eredienst van de kerk af te gelasten, en de burgerlijke overheid kan zich in zijn bezorgdheid te ver uitstrekken. Niettemin dienen de rechtmatige leiders van de kerkdienst de bezorgdheid van de burgerlijke overheid serieus in overweging te nemen wanneer zij voor de vraag staan: verhindert God ons op voorzienige wijze om samen te komen voor de eredienst? De overheid heeft van God een plaats gekregen om de burgers van de natie te beschermen. In het geval van een pandemie dient een kerkenraad zich af te vragen: Waarom vaardigt de overheid uit wat zij uitvaardigt? Zijn de redenen van de overheid legitiem? Is er gevaar voor de bevolking? Bestaat het gevaar dat de plaatselijke ziekenhuizen overbelast raken? Hoelang duurt dit besluit van de overheid? Is het rechtmatig? Is het onrechtmatig? Hoe is de lichamelijke gezondheid van onze mensen in het algemeen? Van onze gemeenschap? Zijn er manieren om fysiek te vergaderen en toch aan alle of sommige wensen van de overheid te voldoen? Met dit alles en meer moet rekening worden gehouden wanneer de kerkenraad de beslissing neemt die alleen zij het recht heeft te nemen.
#4 In sommige situaties is het verstandiger dat de kerkenraad niet namens de gehele gemeente besluit dat God ons in Zijn voorzienigheid verhindert om in een eredienst samen te komen. In plaats daarvan doet de kerkenraad er verstandig aan om het aan het geweten van het individuele kerklid (of gezin) over te laten te beslissen of God in Zijn voorzienigheid dat individu (of gezin) verhindert om samen te komen.
Een kerkenraad handelt hierin rechtmatig, bijvoorbeeld wanneer zij oordeelt dat het weer slecht is, maar niet zo slecht dat het een reëel gevaar vormt voor een groot deel van de gemeente. De kerkenraad kan dan een bericht versturen met ongeveer de volgende strekking: ‘We houden vanavond kerkdiensten, maar we willen dat elk lid (elk gezin) zelf beoordeelt of zij al dan niet aanwezig kunnen zijn.’ Wanneer de ouderlingen dit doen, zeggen zij in wezen: ‘Wij zullen de diensten houden, maar wij willen dat u (uw gezin) zelf beslist of u gelooft dat God u in Zijn voorzienigheid ervan weerhoudt om samen te komen om openbare gezamenlijke eredienst te houden. Mocht u tot die conclusie komen, dan hebben wij daar begrip voor.’
Het kan zijn dat de kerkenraden in bepaalde situaties tijdens een pandemie besluit dat deze aanpak voorlopig het verstandigst is. Zij besluiten om erediensten te houden en laten het aan het individuele (gezins)geweten over om zelf een beslissing te nemen. Sterker nog, als de kerkenraad zich genoodzaakt voelt een oordeel te vellen over de eredienst, zou ik willen stellen dat de kerkenraad er goed aan doet om, indien mogelijk, standaard voor dit standpunt te kiezen en alleen een besluit namens de gehele gemeente te nemen als de omstandigheden dat absoluut vereisen. Bij het nemen van dit besluit om het aan het individuele geweten over te laten, moet de kerkenraad rekening houden met alle vragen en omstandigheden die onder punt 3 worden genoemd.
#5 Zowel de kerkenraden als de gemeenteleden dienen zich te houden aan overheidsvoorschriften die niet in strijd zijn met Gods geboden, ook al zijn de kerkenraden en de gemeenteleden het niet eens met die voorschriften.
Ik heb het hier niet over de kwestie van het samenkomen voor de eredienst, maar over de voorschriften van de overheid die ons op legitieme wijze kunnen reguleren wanneer wij dat doen. De grondslag voor deze stelling is het vijfde gebod, dat, zoals de Heidelbergse Catechismus ons leert, vereist dat ik allen die over mij gesteld zijn alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, en ook met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het Gode belieft ons door hun hand te regeren. Het kan legitiem zijn om te vragen wat wel of geen ‘goede leer en straf’ van de burgerlijke overheid is. En er kunnen gevallen zijn waarin de kerkenraad voor de gemeente oordeelt dat een bepaalde verordening onrechtmatig is (bijvoorbeeld niet te zingen) en dat een andere verordening rechtmatig is (een vorm van afstand houden). Anderzijds kunnen er gevallen zijn waarin de kerkenraden dit ook aan het individuele geweten overlaat om te bepalen wat God van hen zou verlangen te doen of na te laten (mondkapjesplicht?). Niettemin is het principe zelf duidelijk genoeg.
Conclusie
De bovenstaande benadering heeft tot doel:
- De door God toegewezen rol te eerbiedigen die de kerkenraad heeft gekregen om leiding te geven aan de eredienst.
- De rol te eerbiedigen die de burgerlijke overheid heeft gekregen om de burgers te beschermen.
- Te erkennen dat deze twee rollen met elkaar in conflict kunnen komen, en in dat geval op principiële wijze hulp te bieden aan kerkenraden en kerkleden.
- De vraag in verband brengen met de praktijk die de kerk altijd heeft gehanteerd met betrekking tot slecht weer.
- Het priesterschap van alle gelovigen en het individuele geweten erkennen.
Helpt wat hier geschreven staat bij het beantwoorden van elke vraag die zich in elk scenario kan voordoen? Waarschijnlijk niet. Maar als u hierover nadenkt met uw vraag in gedachten, zult u zien dat het een op principes gebaseerde manier biedt om om te gaan met de overgrote meerderheid van de vragen, en waarschijnlijk ook met die van uzelf. Zullen er momenten zijn waarop kerkleden het oneens zijn met de beslissingen die hun kerkenraad in deze zaken neemt? Welnu, zijn er momenten waarop kerkleden het oneens zijn met hun kerkenraad over het al dan niet doorgaan van diensten wanneer er een tornado-waarschuwing is? Net zoals in die omstandigheden de kerkleden dan worden bijgestaan door leden van de kerkenraad die de principes duidelijk begrijpen en hun beslissingen op basis van die principes duidelijk toelichten, zo ook tijdens een pandemie. Ondertussen worden de kerkenraden gesteund door kerkleden die eer, liefde en trouw betonen aan hun ouderlingen, zelfs als zij zich genoodzaakt voelen een tegengestelde mening te uiten, wat hun recht is.
Maar mocht de Heere in ons leven opnieuw een pandemie zenden, wat zeker mogelijk is gezien de woorden van Christus in Mattheüs 24:7, mogen wij dan God verheerlijken door op principiële wijze te handelen en ons gewillig te vernederen, zodat wij, wanneer wij spreken, spreken ‘tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien die ze horen’ (Ef. 4:29).
Bron: The Standard Bearer, April 2026
Dit artikel is geplaatst binnen de categorie Actueel.
Meer reformatorische artikelen lezen? Bezoek de blogpagina of ontdek onze boekwinkel.