De bewaring van de Schrift

Gepubliceerd op 20 februari 2026 om 20:14

Door Jeffrey T. Riddle

In dit artikel wordt uiteengezet wat onder de bewaring van de Heilige Schrift wordt verstaan en hoe God in Zijn voorzienigheid Zijn Woord door de eeuwen heen heeft bewaard naar aanleiding van Jeremia 36:32.

Het onvernietigbare Woord van God

'Jeremía dan nam een andere rol en gaf ze aan den schrijver Baruch, den zoon van Neríja; die schreef daarop uit den mond van Jeremía al de woorden des boeks dat Jójakim, de koning van Juda, met vuur verbrand had; en tot dezelve werden nog vele diergelijke woorden toegedaan' (Jeremia 36:32).

De Bewaring Van De Schrift Pdf
PDF – 262,5 KB 17 downloads

De bewaring van de Schrift door Gods voorzienigheid is een fundamenteel Bijbels leerstuk, dat in de belijdenisgeschriften van de protestantse Reformatie bijzonder benadrukt wordt. In de Geloofsbelijdenis van Westminster 1:8 (en de Tweede Londense Geloofsbelijdenis van de Baptisten 1:8) verklaren de opstellers bijvoorbeeld dat de Heilige Schrift in het Hebreeuws en Grieks ‘rechtstreeks door God geïnspireerd is en door Zijn bijzondere zorg en voorzienigheid in alle tijden zuiver gehouden is, en daarom betrouwbaar is’. Gods Woord is rechtstreeks door God geïnspireerd in de oorspronkelijke talen Hebreeuws en Grieks (zie 2 Timotheüs 3:16, ‘van God ingegeven’, theopneustos, door God ingeblazen), en het is door Zijn voorzienigheid in alle tijden bewaard gebleven. Het is daarom betrouwbaar.

Helaas is het leerstuk van de bewaring van de Schrift in de moderne tijd grotendeels genegeerd, verlaten of zelfs volledig geherdefinieerd. Dit zou echter niet het geval moeten zijn, want het is een Bijbels leerstuk dat ware gelovigen onbewust en vanzelfsprekend schijnen te kennen en te bevestigen vanaf het moment van hun bekering. God is soeverein en almachtig. God heeft Zijn volk lief en voorziet hen van alles wat zij nodig hebben, voor het leven en de godsvrucht, in de Schrift. God heeft Zijn Woord geïnspireerd en aan Zijn volk gegeven. Zal de Heere dan toestaan dat wat Hij heeft gegeven, beschadigd raakt? Zal Hij vertrouwen op menselijk redeneren om een zogenaamd ‘beschadigd’ Woord te reconstrueren uit verspreide flarden die van dit verderf zijn overgebleven? Nee! God heeft Zijn Woord bewaard en Hijzelf zal Zijn Woord in alle tijden zuiver houden.

Zoals gezegd is de Goddelijke bewaring van de Schrift een Bijbels leerstuk. We vinden deze leer op twee manieren terug in de Schrift. Ten eerste leren we dit leerstuk kennen door middel van verschillende korte onderwijzende of verklarende gedeelten die deze leer uitdrukkelijk verkondigen en onderwijzen. Dergelijke Schriftgedeelten zijn onder andere:

Psalm 12:7-8 ‘De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal. Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.’

Psalm 119:89 ‘O HEERE, Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.’

Jesaja 40:8 ‘Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.’

Mattheüs 5:18 ‘Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.’

Mattheüs 24:35 ‘De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.’

Ten tweede wordt deze leer, naast dergelijke stellige verklaringen, ook bevestigd in uitgebreide verhalende Schriftgedeelten, waar het soms meer indirect wordt verondersteld en bevestigd. Dit soort verhalende Schriftgedeelten zijn onder andere 2 Koningen, de hoofdstukken 22-23 (zie 2 Kronieken 34-35), waarin wordt beschreven hoe in de dagen van de godvruchtige koning Josía ‘het wetboek’ was verdwenen, totdat Josía het terugvond en het voor het volk voorlas, wat leidde tot een ongekende tijd van opwekking en reformatie in het leven van de natie. Deze geschiedenissen omvatten ook Jeremia 36, waarop we ons in dit artikel richten, een verslag van de profeet Jeremia, een profeet wiens dienstwerk was begonnen tijdens het bewind van de godvruchtige koning Josía (zie Jeremia 1:1-3). In feite vond Jeremia's bediening plaats tijdens de tijd van drie koningen: Josía en vervolgens twee van zijn zonen, Jojakim en Zedekia. Laten we nu eens nadenken over wat Jeremia 36 ons zegt over de leer aangaande de Goddelijke bewaring van de Schrift.

I. Uitleg

De vertalers van de Engelse King James Bijbel hebben Jeremia 36 in vier alinea's, secties of gedachtes verdeeld (vv. 1-10; 11-26; 27-31; en v. 32). We zullen hun voorbeeld volgen en deze vier delen van ons Schriftgedeelte achtereenvolgens bekijken:

  1. De HEERE gebiedt de profeet Zijn Woord op te schrijven (vv. 1-10);

  2. Er is een goddeloze poging om het Woord van God te verdringen en zelfs te vernietigen (vv. 11-26);

  3. Het Woord van de HEERE wordt opnieuw aan Zijn profeet gegeven (een hernieuwde opdracht) (vv. 27-31);

  4. Het behoud en zelfs de triomf van het onvernietigbare Woord van God (v. 32).

1. De Heere gebiedt de profeet Zijn Woord op te schrijven (vv. 1-10)

Let op het verband (vers 1). De godvruchtige Josía, de laatste hoop voor het volk van Juda, was de weg gegaan van alle vlees in de strijd tegen Egypte en was opgevolgd door zijn zoon Jojakim. Over Jojakim wordt in 2 Koningen 23:37 gezegd: ‘En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles wat zijn vaders gedaan hadden.’ De gebeurtenissen in Jeremia 36 vonden plaats tijdens het vierde jaar van de regering van de goddeloze Jojakim.

Er wordt ons gezegd: ‘Dit woord tot Jeremia geschiedde van de HEERE’ (vers 1). Merk op dat er niet staat dat Jeremia putte uit zijn eigen ervaringen, of dat Jeremia zelf besloot om godsdienstige literatuur te schrijven, maar dat het de HEERE was Die hem Zijn Woord gaf. De HEERE is de grote Opsteller, de grote Bron van de Heilige Schrift. Zoals Petrus in 2 Petrus 1:21 schrijft: ‘Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.’

Jeremia krijgt de opdracht ‘Neem u een rol des boeks [megilóth séfer, een perkamentrol] en schrijf daarop al de woorden die Ik tot u gesproken heb ... van de dagen van Josía tot op dezen dag’ (vers 2). Let op de uitdrukkelijke opdracht om de woorden op te schrijven. Dit is een beschrijving in de Schrift van het goddelijke gebod om Gods Woord op te schrijven. Hoewel sommige hedendaagse geleerden zich ongemakkelijk voelen bij de opvatting dat inspiratie een ‘mechanisch dictaat’ is (en in plaats daarvan de voorkeur geven aan de zogenaamde ‘organische’ opvatting van inspiratie), benadrukten de godvruchtige mannen uit de tijd van weleer vaak nadrukkelijk de passieve rol van de menselijke auteurs. John Owen beschreef de menselijke auteurs bijvoorbeeld als ‘pennen’ in de hand van God als de ‘kundige Schrijver’ en als ‘muziekinstrumenten’ die door God als de kundige Musicus worden bespeeld. Er zijn inderdaad plaatsen in de Schrift waar de Heere duidelijk gebiedt of dicteert dat Zijn woorden en openbaringen moeten worden opgeschreven. We zien dit op veel plaatsen in het Oude Testament, waar de geïnspireerde profeet zijn verslag van de bijzondere openbaring die hem is gegeven, inleidt met de woorden: ‘Zo zegt de HEERE’. We moeten ons niet schamen om te spreken over het dicteren van de Heilige Schrift. Er zijn veel andere plaatsen waar de Bijbelse schrijvers de opdracht krijgen om op te schrijven wat ze hebben gezien, gehoord of meegemaakt. Vergelijk:

In Exodus 17:14 staat: ‘Toen zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek...’

In Habakuk 2:2 zegt de HEERE tegen de profeet: ‘Schrijf het gezicht, en stel het duidelijk op tafelen.’

En in Openbaring 1:11 wordt tegen Johannes gezegd: ‘Hetgeen Gij ziet, schrijf dat in een boek.’

Jeremia kreeg uitdrukkelijk de opdracht om de waarschuwingen die God hem had gegeven tegen Israël, Juda en alle volken op te schrijven. Gods doel hiermee is genadig. Dit is altijd Zijn voornemen wanneer Hij Zijn woord zendt. De Bijbel is Zijn liefdesbrief aan een zondige en gevallen wereld.

Laat u niet misleiden door de voorwaardelijke taal in vers 3: ‘Misschien zullen die van het huis van Juda horen al het kwaad dat Ik hun gedenk te doen...’ God wist hoe Juda zou reageren. Hij wist welk oordeel hen te wachten stond vanwege hun rebellie. Toch toont dit aan dat zij niemand anders dan zichzelf de schuld konden geven. God gaf hun ruimschoots de gelegenheid om zich te bekeren.

Jeremia roept Baruch, de zoon van Neria, zijn trouwe schrijver en helper (vers 4). Baruch diende als secretaris en schreef ‘uit den mond van Jeremía alle woorden des HEEREN, die Hij tot hem gesproken had, op een rol des boeks.’ Merk op dat God Jeremia blijkbaar het bovennatuurlijke vermogen gaf om al deze dingen te onthouden. Hetzelfde vermogen werd aan de apostelen en evangelieschrijvers gegeven om de woorden van onze Heere Jezus Christus te herinneren. Vergelijk:

Johannes 14:26 ‘Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles wat Ik u gezegd heb.’

Let ook op het gebruik door de profeet van een secretaris of schrijver. Dit komt ook in het Nieuwe Testament voor. Tertius schrijft Romeinen voor Paulus (Romeinen 16:22: ‘Ik, Tertius, die den brief geschreven heb, groet u in den Heere.’). Silvanus schreef waarschijnlijk 1 Petrus voor Petrus (1 Petrus 5:12: ‘Door Silvánus, die u een getrouw broeder is, zo ik acht, heb ik met weinige woorden geschreven...’).

Jeremia geeft Baruch vervolgens de opdracht om het boek te nemen en het voor te lezen aan het volk ‘in het huis des HEEREN op den vastendag’ (zie v. 5-6). Jeremia zegt dat hij niet kan gaan: ‘Ik ben opgehouden; ik zal in des HEEREN huis niet kunnen gaan’ (vers 5). Jeremia was waarschijnlijk gearresteerd vanwege zijn impopulaire profetieën (zie 20:2, waar wordt beschreven hoe hij ‘in de gevangenis’ werd gezet, of 33:1, waar staat dat hij ‘in het voorhof der bewaring was opgesloten’). Merk op dat hoewel er een poging wordt gedaan om de boodschapper te hinderen, zij de boodschap niet kunnen tegenhouden. Zij verbrandden William Tyndale op de brandstapel vanwege de ‘misdaad’ dat hij de Heilige Schrift uit het Griekse Nieuwe Testament in het Engels had vertaald, maar zij konden de mensen niet weerhouden het Woord te lezen en het evangelie te horen. Dat proberen zou hetzelfde zijn als op het strand te staan en proberen de golven tegen te houden.

Let ook op Jeremia's vertrouwen in de kracht van het Woord van God dat in het openbaar wordt voorgelezen, wanneer hij Baruch opdraagt het voor te lezen ‘voor de oren des volks, in des HEEREN huis op den vastendag’ (vers 6). Opnieuw spreekt hij de hoop uit dat het horen van het Woord zelf het volk tot bekering zal brengen en hen zal redden van Gods rechtvaardige toorn (vers 7).

Baruch gehoorzaamt het bevel van zijn meester, de profeet (vers 8: ‘En Baruch … deed naar alles wat hem de profeet Jeremía geboden had, lezende in dat boek de woorden des HEEREN in het huis des HEEREN’). Dit vers is een bewijstekst voor het openbaar voorlezen van de Schrift als van het allergrootste belang voor de Bijbels vormgegeven openbare eredienst. We kunnen het goed naast de opdracht van Paulus aan Timotheüs plaatsen: ‘Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leren, totdat ik kom.’ (1 Timotheüs 4:13).

In vers 9 wordt opnieuw melding gemaakt van de gelegenheid, een vasten dat werd afgekondigd tijdens het bewind van Jojakim. Dit roept de vraag op of een deel van het probleem misschien lag in de afkondiging van een ogenschijnlijk ongeoorloofde ‘heilige dag’ of vasten. In vers 10 wordt ons verteld dat Baruch ‘in het bovenste voorhof’ voorlas ‘voor de oren des gansen volks’, maar er wordt opgemerkt dat het vooral werd voorgelezen ‘in de kamer van Gemárja, den zoon van Safan, den schrijver’, (vers 10). Dit zorgde ervoor dat ‘de woorden van Jeremia’ die ‘in des HEEREN huis’ werden voorgelezen, uiteindelijk ook de koning zouden bereiken.

2. Er is een goddeloze poging om het Woord van God te verdringen en zelfs te vernietigen (vv. 11-26)

Toen Michája, de zoon van Gemarja, deze woorden hoorde, begaf hij zich ‘ten huize des konings’, naar de vorsten en de hovelingen (verzen 11-12). Hij bracht vervolgens verslag uit aan de dienaren van de koning over wat Baruch had gezegd (vers 13). Deze vorsten stuurden toen een man genaamd Jehûdi (een boodschapper? Een handhaver?) om Baruch te roepen en hem te vragen de rol die hij had voorgelezen mee te brengen (vers 14). Baruch kwam en ging voor hen zitten en las Jeremia's woorden voor (vers 15), en de vorsten werden met schrik vervuld en zeiden tegen Baruch: ‘Wij zullen al deze woorden den koning bekendmaken’ (vers 16). Waarom waren zij met schrik vervuld? Wij weten dat Jeremia eerder had geprofeteerd dat Jojakim een smadelijke dood zou sterven (zie 22:18-19). Deze geschreven profetie voorspelde ook de val van Juda door de koning van Babel, dat de troon leeg zou blijven, dat het ‘dood lichaam’ van de koning ‘zal weggeworpen zijn des daags in de hitte en des nachts in de vorst’, en dat iedereen een zware straf te wachten stond (zie 36:29-31).

Vervolgens vragen zij in vers 17 aan Baruch waar deze woorden vandaan komen. Baruch antwoordt eerlijk dat ze rechtstreeks van Gods profeet kwamen, ‘en ik schreef ze met inkt in dit boek’ (vers 18). Er moet iets goeds in deze vorsten zijn geweest, want zij geven Baruch en Jeremia de opdracht zich te verbergen (vers 19). Na deze waarschuwing brachten zij de rol naar de koning en legden die weg ‘in de kamer van Elisáma, den schrijver’, waarbij zij de koning op de hoogte brachten van de ernstige profetieën (vers 20). De koning stuurde vervolgens Jehûdi om de rol te halen en die aan hem voor te lezen in aanwezigheid van zijn hofhouding (vers 21). Ik stel me voor dat de koning op dat moment leek op een stripfiguur, terwijl hij luisterde met een rood aangelopen gezicht en stoom dat uit zijn oren kwam!

In vers 22 wordt ons gezegd dat het de negende maand was, de winter, en dat de koning een brandend vuur voor zich had (vers 22). In vers 23 lezen we dat, terwijl Jehûdi ‘drie stukken of vier’ [kolommen?] voorlas, de koning deze ‘met een schrijfmes’ [een mes dat gebruikt werd om de punt van een rietpen te slijpen] versneed en in het vuur gooide. Merk op dat er twee reacties waren. Ten eerste waren sommigen niet bang voor de boodschap en hadden geen ontzag voor God toen zij zijn woord verminkten en vernietigden (vers 24). Ten tweede kwamen anderen, wat hen siert, tussenbeide bij de koning ‘dat hij de rol niet zou verbranden; doch hij hoorde niet naar hen’ (vers 25).

De koning gaf toen, ongetwijfeld in een dodelijke woede, opdracht om Baruch en Jeremia te arresteren (vers 26a), maar let op de prachtige beschrijving hoe God hen beschermde in de laatste regel van vers 26: ‘maar de HEERE had hen verborgen’ (vers 26b). Uitverkoren kinderen Gods zullen in deze wereld vaak worden lastiggevallen, maar de Heere is ook vaak zo genadig om hen in Zijn wijsheid en barmhartigheid te verbergen.

Ziet u wat er gebeurd was? Goddeloze mannen geloofden dat ze het Woord van God konden vernietigen. Er schuilt een grote historische ironie in dit hoofdstuk. Koning Josía had het Woord herontdekt, bewaard, beschermd en opnieuw bevestigd, maar zijn goddeloze zoon probeerde het te vernietigen. In slechts één geslacht kan een volk worden geleid door godvruchtige mannen die eerbied hebben voor het Woord van God, en in het volgende geslacht kunnen helaas goddeloze mannen opstaan, hun godvruchtige erfgoed verspelen, het verachten en proberen te vernietigen. Zou deze goddeloze koning het laatste woord hebben? Was hij erin geslaagd Gods Woord te vernietigen, de waarheid in ongerechtigheid ten onder te houden? Nee. We moeten de rest van het geïnspireerde geschiedenis beluisteren.

3. Het woord van de HEERE wordt opnieuw aan Zijn profeet gegeven (een hernieuwde opdracht) (vv. 27-31)

Het woord van de Heere komt opnieuw tot Jeremia (vers 27). Hoe ontmoedigd moet hij zijn geweest in de momenten vlak voor deze tussenkomst. Zijn evangeliebediening werd aangevallen. Hij werd uitgesloten van het openbare leven. Hij werd bedreigd door de koning met arrestatie en geweld. Zijn profetieën werden verscheurd en verbrand. Jeremia maakte wellicht een periode door die Spurgeon later de ‘flauwtes’ van de predikant (of de profeet) zou noemen. Het is maar al te gemakkelijk, en soms met goede reden, om ontmoedigd te raken in de evangeliebediening.

Let echter op het bevel van de Heere: ‘Neem u weder een boekrol…’ (vers 28). De Heere draagt Jeremia eenvoudigweg op om opnieuw de woorden te verkondigen die de koning had proberen te verdringen, waaronder het oordeel dat Babylon zou uitvoeren, de dood van Jojakim en de straf voor zijn nageslacht en dienaren (vv. 29-31). Waarom? Omdat de Heere hen genadig had gewaarschuwd, ‘maar zij hebben niet gehoord’ (v. 31). In hun koppigheid wilden zij niet luisteren.

Het zou betreurenswaardig zijn als een man een weg zou nemen en bij een plaats komt waar een brug was ingestort en hij, zich niet bewust van het gevaar, in een afgrond zou vallen. Maar wat als de brug was ingestort en er langs de hele weg borden waren geplaatst die voor het gevaar waarschuwden, maar deze man de andere kant op keek en weigerde ze te lezen? Wat als er wegversperringen waren geplaatst, maar hij er omheen reed? Wat als er langs de weg arbeiders (herauten) waren geplaatst om reizigers te waarschuwen, maar hij hen negeerde? We zouden niet zozeer medelijden hebben met zijn ongeluk, maar ons eerder verbazen over zijn hardnekkige dwaasheid!

4. Het bewaren en zelfs de triomf van het onvernietigbare Woord van God (vers 32)

De geschiedenis komt aan een eind in vers 32. Het laatste vers vormt een bekroning van alles wat ervoor kwam. Jeremia handelt in gehoorzaamheid aan het gebod van de HEERE (vers 28). Dit is het voornaamste kenmerk van godvruchtige mannen: gehoorzaamheid aan het gebod van de HEERE.

De profeet neemt een andere rol en geeft die aan Baruch, en hij schrijft opnieuw (onder leiding van de Heilige Geest) alle woorden op die de koning had willen vernietigen. Bovendien lezen we: ‘En daar werden nog vele soortgelijke woorden aan toegevoegd.’ Bedenk wel dat dit verslag afkomstig is uit een tijd waarin de canon van de Schrift nog niet volledig was. Zij hadden de wet (Thora) en op dat moment werden de woorden van de profeten geopenbaard. Hier zien wij hoe ook het boek Jeremia zelf stap voor stap werd geopenbaard, totdat dat geïnspireerde boek helemaal voltooid was in zijn volledige omvang. Wij zien hier de onwrikbare wil van de HEERE om zowel de gegeven schriftelijke openbaring te voltooien als te vervullen, naast een even krachtige vastberadenheid om deze in alle tijden te bewaren. Dit is het onvernietigbare Woord van God.

II. Toepassing

Nu we deze Schriftgedeelten hebben doorgenomen, kunnen we ten minste vier toepassingen uit dit hoofdstuk afleiden, ontleend aan de vier delen die we hebben uiteengezet.

Ten eerste zien we dat de Schrift door God Zelf is gegeven en bevolen (verzen 1-10)

Het vindt zijn oorsprong niet in de wil van de mens, maar in de gedachten van God. De oudere protestanten spraken vroeger over de ‘goddelijkheid’ van de heilige Schrift. Weliswaar aanbidden wij niet het boek, maar de Auteur ervan. Maar in een andere zin is het Zijn Woord. Het is door God ingegeven en openbaart wie Hij is. Er is goddelijkheid in, omdat de stem van God erin te horen is.

Ten tweede zien we de brute vijandschap van zondige mensen tegen het Woord van God (verzen 11-26)

In Romeinen 1:18 beschreef de apostel Paulus degenen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. De handelingen van koning Jojakim in Jeremia 36 zijn een duidelijk en afschuwelijk voorbeeld van die verdorven geest.

Ik herinner me dat ik enkele jaren geleden las over een bekende (Britse) acteur die trots verklaarde dat hij in elk hotel waar hij verbleef en waar een Gideonbijbel aanwezig was, als eerste de heilige Bijbel pakte en de bladzijden uit het boek Leviticus eruit scheurde vanwege de veroordeling van homoseksueel gedrag, waaraan hij verslaafd was. Hij verachtte de leer van Leviticus 18:22: ‘Bij een manspersoon zult gij niet liggen met vrouwelijke bijligging; dat is een gruwel.’ Jeremia 36 herinnert ons eraan dat, hoe vaak die man ook die pagina's eruit scheurde, hij het Woord van God niet kon verdringen of vernietigen. De puriteinse exegeet Matthew Poole merkte op: ‘Goddeloze mensen bereiken niets door zich te verzetten tegen de geopenbaarde wil van God, hoe onaangenaam die hen ook mag zijn, behalve dat ze hun ziel nog meer met schuld belasten en goddelijke toorn vergroten; Gods raadsbesluiten zullen standhouden en wat Hij zegt, zal zeker worden volbracht.’

De aanvallen op Gods Woord zijn verfijnder dan deze man die simpelweg het boek Leviticus eruit scheurt. Tegenwoordig hebben we gerenommeerde geleerden en experts die ons vertellen dat bepaalde Schriftgedeelten niet in de zogenaamde ‘beste handschriften’ staan. Zoals Salomo zei: er is niets nieuws onder de zon. De aartsketter Marcion van Pontus deed dit soort dingen in de vroegste dagen van de christelijke beweging. Hij verwierp Mattheüs, Markus en Johannes volledig en gebruikte alleen wat Irenaeus van Lyon een ‘verminkte’ kopie van Lukas noemde. Tertullianus van Carthago beschreef Marcion als die ‘Pontische muis’ die ‘de Evangeliën aan stukken had geknaagd’. Hij nam ook de brieven van Paulus en bracht het aantal terug tot tien, waarbij hij zelfs de delen verwijderde die hem niet bevielen.

Er zijn zeker subtielere manieren waarop de inhoud van de Schrift kan worden afgezwakt. Vlak bij mijn woonplaats in Albemarle County, Virginia, ligt Monticello, het huis van de grondlegger van Amerika, Thomas Jefferson, die in zijn tijd, beïnvloed door het rationalisme van de Verlichting, probeerde de Schrift begrijpelijker te maken voor zijn ‘verfijnde’ gevoeligheid door alle wonderen te verwijderen en alleen de zogenaamde morele leer van Jezus Christus te behouden. Dit werk staat bekend als de Jefferson Bijbel. Het eindigt met de dood van Christus aan het kruis, maar laat elk verslag van Zijn opstanding buiten beschouwing. De populaire Engelse schrijver Charles Dickens produceerde in het midden van de negentiende eeuw een soortgelijk werk voor zijn eigen kinderen, waarin hij Jezus vooral als een vriendelijke ethische leraar neerzette. Dit werk werd later gepubliceerd als ‘Het leven van onze Heere’[1]. In het midden van de twintigste eeuw schreef de liberale Amerikaanse theoloog Harry Emerson Fosdick een boek voor kinderen met de titel ‘Jezus van Nazareth’[2] in de populaire World Landmark-serie. In dat werk legde hij zijn lezers uit dat de wonderen die in de Evangeliën worden beschreven, niet stroken met het moderne ‘wetenschappelijke denken’ en dat de opstanding van Jezus niet ‘letterlijk’ hoeft te worden opgevat, maar als een ‘spirituele’ ervaring of ‘visioen’ van Zijn discipelen.

Naast dit soort ‘schrijfmessen’ maakt onze tegenstander gebruik van andere effectieve middelen om de Schrift uit ons zicht te verwijderen en ons ervan te weerhouden deze in zijn geheel te aanvaarden. De vroegere Amerikaanse radiopredikant J. Vernon McGee merkte ooit op dat het negeren van het Woord van God door het niet te lezen net zo erg kan zijn als het in het vuur gooien. Hij citeerde dit rijmpje, waarin een jongetje zijn moeder vraagt naar een ongebruikte Bijbel in hun huis:

‘Moeder, ik heb iets ouds en stoffigs hoog op de plank gevonden. Kijk maar eens!’
‘Maar dat is een Bijbel, Tommy, wees voorzichtig, dat is Gods boek.’
‘Gods boek’, zei de jongeman, ‘dan moeten we het teruggeven aan God voordat we het kwijtraken, want we gebruiken het toch nooit.’

Misschien hebben we de Schrift niet in de vlammen geworpen, maar voordat we deze goddeloze koning veroordelen, moeten we onszelf onderzoeken en ons afvragen of we hebben geprobeerd de kracht ervan te onderdrukken door onze nalatigheid in het lezen en horen van Gods Woord.

Ten derde: hier zien we ook de vastbeslotenheid van de Heere om Zijn Woord te bewaren (vv. 27-31)

Dit wordt ons duidelijk wanneer Jeremia opnieuw de opdracht krijgt om een nieuwe rol te nemen en daarop alle eerdere woorden te schrijven. Dit openbaart dat God in de dagen van Jeremia zeer ijverig, bekwaam en nauwgezet was in het bewaren van Zijn Woord. We mogen niet denken dat Zijn goddelijke ijver, bekwaamheid en voorzienige zorg voor Zijn Woord in onze tijd ook maar enigszins is afgenomen.

We leven in een periode van grote veranderingen. We bevinden ons in een tijd van technologische revolutie, net als tijdens de protestantse Reformatie. Tot de 16e eeuw werden alle exemplaren van de Bijbel bewaard in de vorm van handgeschreven kopieën (handschriften). Toen vond de uitvinding van de drukpers plaats. God zorgde er in Zijn voorzienigheid voor dat de ware tekst, die we de traditionele protestantse tekst noemen, werd gedrukt en dat deze gedrukte edities vervolgens werden gebruikt voor het maken van vertalingen van de Bijbel die getrouw zijn aan de tekst. We leven nu in het digitale tijdperk. Velen lezen de Bijbel op telefoons en computers. We zouden misschien willen dat ze gedrukte exemplaren zouden gebruiken, die ze in hun handen kunnen houden, en we zouden dat als onze belangrijkste praktijk moeten blijven voortzetten, maar velen in onze tijd en daarna zullen de Bijbel digitaal lezen. Dit kan voor sommigen verontrustend zijn. Gaat AI (kunstmatige intelligentie) de Bijbel aantasten? Zal het voor moderne tekstcritici in hun academische instituten en denktanks mogelijk zijn om de digitale tekst te wijzigen door verschillende algoritmen toe te passen op de analyse van manuscripten? Zal de ware tekst worden betwist en verdraaid? Zullen sommige delen ervan ten onrechte worden weggelaten? Jeremia 36 herinnert ons eraan dat Gods Woord uiteindelijk niet zal worden verdrongen, zelfs niet in het digitale tijdperk, ongeacht wat het schrijfmes ook mag zijn.

Ten vierde: We worden eraan herinnerd dat Gods Woord zal zegevieren, dat Hij Zijn Woord zal bewaren en handhaven (vers 32)

Sommigen hebben gesproken over de duurzaamheid van Gods Woord. In het verleden heb ik de poging om Gods Woord te verdringen vergeleken met het onder water houden van een opgeblazen strandbal. U kunt hem misschien een paar seconden onder water houden, maar hij zal weer boven komen en terugspringen. God zal Zijn Woord bewaren, hoe zondig mensen ook tegen het Woord strijden!

Het Woord van God is onvernietigbaar. De Schrift wordt vaak beschreven als een aambeeld dat vele hamers heeft gebroken. Laten we vandaag rusten op Zijn voorzienigheid voor Gods volk in alle dingen, inclusief op Zijn zorg voor Zijn Woord.

[1] Engels: The Life of Our Lord
[2] Engels: Jesus of Nazareth

Dit artikel is geplaatst binnen de categorie Bijbel & Schrift.

Meer reformatorische artikelen lezen? Bezoek de blogpagina of ontdek onze boekwinkel.