Wie bedoelt de Heere Jezus In Mattheüs 23:37 met Jeruzalem en haar kinderen? Het lijkt het erop dat Hij het volk bewogen smeekt, alsof Hij zich richt tot een volk dat Hij innig liefheeft, graag wil verlossen, maar dat Hij wordt gedwarsboomd door hun onverzettelijkheid. Hij roept, maar ze willen niet komen. Zijn liefdevol verzoek wordt afgewezen. Maar zegt de Bijbel dit? Lees dit artikel!
‘Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild’ (Matth. 23:37).
Deze woorden van onze Heere Jezus Christus vormen de afsluitende climax na Zijn lange aanklacht tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën. Hij heeft het ene wee na het andere over hen uitgesproken, niet minder dan acht in totaal (vers. 13, 14, 15, 16, 23, 25, 27 en 29). Hij stelt hen aan de kaak als huichelaars, dwazen en blinde leidslieden. Christus houdt Zich niet in en de woorden die volgen op vers 37 zijn van dezelfde strekking: ‘Zie, uw huis wordt u woest gelaten. Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij Die komt in den Naam des Heeren’ (vers 38-39).
Het is dus in dit verband dat we de bekende woorden van vers 37 vinden. Hoe passen ze hierin? Wat zegt Jezus hier? Op het eerste gezicht lijkt het erop dat Hij plotseling van koers verandert en nu het volk in een bewogen smeekbede smeekt, alsof Hij zich richt tot een volk dat Hij innig liefheeft, graag wil verlossen, maar dat Hij wordt gedwarsboomd door hun onverzettelijkheid. Hij roept, maar ze willen niet komen. Zijn liefdevol verzoek wordt afgewezen: ‘O, hoe menigmaal had Ik u willen bijeenvergaderen, maar u wilde niet komen!’ Als we Jezus' woorden op deze manier opvatten, dan geven ze inderdaad een dramatische koerswijziging in Zijn gedachtegang aan. Maar is dit echt zo?
Als we proberen te begrijpen wat de Heiland hier zegt, moeten we niet vergeten ze in hun verband te plaatsen, zoals altijd bij het uitleggen van de Schrift. De Heere roept tot ’Jeruzalem, Jeruzalem’. Uit het breder verband leren we dat met deze benaming de Schriftgeleerden en Farizeeën, de geestelijke leidslieden van de stad, worden aangewezen. Deze woorden zijn in de eerste plaats tot hen gericht. Maar ze hebben een bredere betekenis, omdat de Schriftgeleerden en Farizeeën niet alleen in de stad zijn. Zij zijn slechts de huidige vertegenwoordigers van een volk en zijn leiderschap dat terug te voeren is op de lange geschiedenis van Juda en Israël. Eeuwen eerder had de HEERE gezegd: ‘Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad’ (1 Kron. 16:22). Toch vinden we in het Oude Testament een overvloed aan voorbeelden van het kwaad dat de profeten van de Heere is aangedaan. Neem dit gedeelte uit 2 Kronieken 36 als voorbeeld:
‘En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning. Maar zij spotten met de boden Gods en verachtten Zijn woorden, zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was’ (vers 15-16).
Denk ook eens aan de behandeling van Micha (1 Koningen 22:24-27), Elia (1 Kon. 19:1-3), Zacharia, de zoon van Jojada (2 Kron. 24:20), Jeremia (bijv. 11:20-23; 20:2; 40:1), Uría (Jer. 26:20-23), Ezechiël (bijv. 2:3-8), Amos (7:10-13) en Johannes de Doper (Lukas 3:19-20, Markus 6:21-29). Het woord van de Heere, dat door deze mannen werd gebracht, werd verworpen en hun aanwezigheid werd hen kwalijk genomen. In de woorden van Calvijn is Jeruzalem een stad waarvan de geschiedenis ‘bevlekt is door het bloed van de profeten’ en die ‘een voortdurende en eeuwenlange traditie van wrede en heiligschennende afslachting van de profeten’ had.
Niet veel jaren later zou Stefanus Jeruzalem in dezelfde bewoordingen aanklagen als Zijn Heere deed: ‘Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij. Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen die tevoren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van Welken gijlieden nu verraders en moorders geworden zijt’ (Hand. 7:51–52). Voordat de dag om was, zou ook Stefanus tot de martelaren worden gerekend.
Vanaf vers 13 van Mattheüs 23, waar we het eerste ‘wee u’ vinden, richt Jezus Zich tot ‘Jeruzalem’ en nog steeds is het ‘Jeruzalem’ waar Hij aan denkt als Hij haar schuld beschrijft. In alle haat die ze de vroegere profeten heeft aangedaan en die ze nog zou tonen in de kruisiging van Christus en de moord op Stefanus, heeft ze zich verzet tegen het werk van Christus in de bijeenvergadering van de ‘kinderen’ van Jeruzalem. In hun verwerping van de profeten, verzetten de Schriftgeleerden en Farizeeën en hun voorouders zich tegen Christus Zelf in Zijn werk om Zijn volk tot Zich te vergaderen.
Wie zijn deze mensen, de ‘kinderen’ van Jeruzalem? Ze worden treffend weergegeven in het beeld dat Jezus gebruikt van een hen die haar kuikens onder haar vleugels verzamelt. De moederkloek verzamelt haar kroost onder de bescherming van haar vleugels. Daar zijn ze veilig. En zo is het ook met Christus als Hij een volk tot Zich vergadert. Hij brengt hen naar een veilige plaats, de enige veilige plaats, want Hij alleen is hun Zaligmaker, hun Verlosser en hun Sterkte. In Hem, onder de schaduw van Zijn vleugels, is de enige bescherming tegen het komende oordeel. Het volk dat Hij moet vergaderen, is van eeuwigheid Zijn eigendom door de gave van de Vader en door hun uitverkiezing in Christus. Zij moeten worden vergaderd uit elke natie, stam en taal op aarde, te beginnen bij Jeruzalem. De bijeenvergadering is Zijn werk, omdat Hij dat alleen kan.
Let erop dat de mensen die vergaderd moeten worden niet dezelfde mensen zijn als degenen die worden aangesproken. Jezus richt Zich tot Jeruzalem, maar het zijn de ‘kinderen’ van Jeruzalem die vergaderd moeten worden. Als ik even grammaticaal vaktechnisch mag zijn, is Jeruzalem het voorwerp van de zin, terwijl de kinderen van Jeruzalem het onderwerp zijn. Dit zijn de Maria Magdalena’s, de Mattheüssen en de Zacheüssen, de blinde Bartimeüsen, de tollenaars en zondaars. Het zijn niet de hoogmoedigen, de rijken en de eigengerechtigen die denken dat ze geen medicijnmeester nodig hebben, maar de nederigen, de zieken en de armen (Matth. 9:9-13; Luk. 19:7). Dit zijn degenen die Hij kwam verlossen, om tot Zich te vergaderen, maar altijd weerstond Jeruzalem Hem, altijd weer veroordeelde Jeruzalem Hem en verzette zich tegen Hem: ‘En de farizeeën en de schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen’ (Luk. 15:2). De vijandigheid van Jeruzalem is samengevat in die drie woorden: ‘Gijlieden hebt niet gewild!’ Het zijn woorden van scherpe berisping en veroordeling.
We zien hier in Mattheüs 23:37 dat Christus de weerstand van de geestelijke leidslieden tegen het werk van het Evangelie aan de kaak stelt. In dat Evangeliewerk is Christus Zelf aanwezig. Het is Zijn werk. Ook vandaag is Hij het, Die nog steeds door Zijn Geest Zijn volk roept, tot Zich vergadert en Zijn kerk bouwt. Hij vergadert ze zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert en ze naar zich toe trekt tot hun bescherming en eeuwige veiligheid. Het is echter een werk dat nog steeds wordt tegengewerkt en weerstaan. Het wordt niet alleen door de wereld weerstaan, maar ook door ‘Jeruzalem’, door kerkleiders die zelf geen zaligmakende kennis van het Evangelie hebben noch zaligmakende gemeenschap met de Heere Jezus Christus.
Een paar verzen eerder in Mattheüs 23 staat een duidelijke verwijzing naar dit verzet: ‘Daarom, zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad; opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar’ (vers 34–35).
In de begindagen van de Nieuwtestamentische kerk is Jeruzalem er nog en biedt het nog steeds weerstand: ‘En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen die uit de besnijdenis waren, zeggende: Gij zijt ingegaan tot mannen die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten.’(Hand. 11:2-3). Waar het werk van het Evangelie is, is de geest van Jeruzalem nooit ver weg.
We zouden kunnen denken aan het verzet van Rome tegen het Evangeliewerk van de Reformatie in de zestiende eeuw. Of aan het verzet van bisschop Laud en de zijnen tegen de Puriteinen in de zeventiende, of het hoge kerkelijke verzet tegen non-conformiteit in de achttiende en negentiende eeuw. In onze tijd was en is er nog steeds weerstand tegen het werk van het Evangelie van de oosterse orthodoxie in Rusland en elders in Oost-Europa. Altijd is er niet alleen de wereld, maar ook Jeruzalem, dat zich verzet tegen het ware Evangelie, de Heilige Geest weerstaat en de gezonden dienstknechten van God vervolgt. Toch zegt Christus: ‘…heb Ik willen bijeenvergaderen, maar gijlieden hebt niet gewild.’
Maar zegt Jezus dat Jeruzalem succesvol is in haar verzet? Zegt Hij dat de vervolgende hand van Jeruzalem de Heilige Geest in Zijn verlossingswerk dwarsboomt, zodat haar kinderen niet vergaderd worden? Helemaal niet! Ondanks de huichelarij en tegenstand van de religieuze leiders, ondanks de vervolging die wordt ondervonden door degenen die Christus zendt om het Evangelie te prediken, zelfs door toedoen van hen die zich christen noemen, zal Hij niet falen in het bijeenvergaderen van Zijn volk, ‘gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen’. Of het nu is in Jeruzalem in de tijd van onze Heere, of in enige andere tijd en plaats, waar het Evangelie gepredikt moet worden en de uitverkorenen vergaderd moeten worden, faalt Christus door Zijn Geest nooit. De trotse krachten van tegenstand tegen het Evangelie, zelfs van degenen die een religieuze mantel dragen, zijn nooit geslaagd en zullen nooit slagen.
Als we menen dat Jezus in feite zegt: ‘O, hoe vaak had ik u willen bijeenvergaderen, maar u wilde niet komen!’, dan hebben we niet alleen een verkeerd begrip van de tekst van de Schrift, maar ook een verkeerd en laag beeld van Hem. Het geeft een beeld van een zwakke en teleurgestelde Christus, een beeld dat de Zaligmaker van Gods uitverkorenen niet waardig is. Hij zegt elders: ‘Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen’ (Joh. 6:37). In diezelfde verhandeling gaat Hij verder met te zeggen: ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Er is geschreven in de Profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij’ (vers. 44–45). Op die laatste dag zal niemand ontbreken, want allen zullen bijeenvergaderd zijn. Op die dag zullen de vijanden van het Evangelie, met inbegrip van de religieuze huichelaars in elke plaats en generatie, de knieën buigen en belijden: ‘Hoe vaak hebben wij U willen weerstaan en dwarsbomen in Uw vergaderend werk, maar Gij hebt niet gewild en hebt overwonnen!’
Bron: The Gospel Magazine, september-oktober 2023, John Hooper
Dit artikel is geplaatst binnen de categorie Bijbel & Schrift.
Meer reformatorische artikelen lezen? Bezoek de blogpagina of ontdek onze boekwinkel.