Een bekeringsgeschiedenis

Deze brief beschrijft een opmerkelijke bekering te Rottevalle en werd geschreven aan Gerhardus Schortinghuis, zoon van de bekende Wilhelmus Schortinghuis. De geschiedenis geeft een indringend beeld van de ontdekking aan de zonde en van Gods genadig werk in het hart van een verloren zondaar. 

Brief aan ds. Gerhardus Schortinghuis over de ondervonden bekering

1752
Zeer hooggeleerde heer Gerhardus Schortinghuis.
Zeer godzalige leraar in de gemeente van Jezus Christus in de Rottevalle,

Ik, U Edele geringe en zeer toegenegen vriend.

Dit werkje of opstel, dat ik gemaakt heb van de weg van mijn bekering, die de Heere met mij gehouden heeft, kom ik U Edele op te dragen, opdat gij het moogt onderzoeken of het recht is. De Heere geve er u licht toe.

'Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart. Beproef mij en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg' Ps. 139:23-24.

Het is bijna tien jaren geleden, toen men schreef 1742, de maand juli, dat de Heere mij eerst kwam te ontdekken en mij mijn zondige toestand onder het oog kwam te brengen, en dat wel op een heel buitengewone en overduidelijke [1] wijze.

Dorpskerk Rottevalle
De Hervormde kerk van Rottevalle is in 1724 als een eenvoudige zaalkerk met geveltoren gebouwd.

Vooreerst, zo is het geschied, dat ik ben gekomen achter de Rottevalle, op het stuk land dat het Bild [2] genaamd wordt. Daar kwam de Heere mij klaar voor om mij te ontdekken wat ik was, namelijk een zeer ellendig mens. Want de Heere deed zien en levendig ondervinden, die nare en rampzalige toestand van mijn ziel. Dat ik een rampzalig en een ellendig zondaar was, vervreemd van het leven Gods. Ja, dat ik een goddeloze booswicht was en dat ik Gods heilige wetten en geboden overtreden had, zodat het mij deed uitgeroepen, dat ik niet anders waardig en verdiend had, dan [3] eeuwige hel en verdoemenis. En dat ik, als ik zo bleef en zo kwam te sterven, dat ik dan ook voor eeuwig van God verstoten zou worden.

Dat gezicht bleef mij die gehele dag bij, zodat ik die gehele dag in mijn eenzaamheid verkeerde[4] en anders niet veel deed dan zuchten en schreien, en die nacht was[5] het niet beter. ‘s Morgens opstaande[6], verwonderde ik mij zeer en het deed mij uitroepen: Ach Heere, wat is het een onbegrijpelijke goedheid, dat Gij mij nog gespaard hebt, dat ik mijn ogen niet in de hel kom op te slaan en mij niet als een prooi des duivels hebt uitgeworpen. Dat zo zijnde, raakte ik wat aan het werken, wat[7] ook niet veel verandering gaf[8]. Dat duurde ettelijke dagen, dat ik zo gesteld was.

Eindelijk kwam mij te binnen, dat ik mij eens wat verlichting (geven) of ontspannen [9] moest. Volgens mij[10], kon ik anders niet lang leven; ik zou zo haast aan de tering raken. Zo gezegd, zo gedaan. Ik ging eens naar de buurt[11] . Ik kwam mij te vervoegen bij het gezelschap van wereldse mensen, die anders niet handelden en spraken dan van ijdelheden en wereldse zaken. Maar dat gaf mij toen geen verkwikking. Maar integendeel, zo deed het mij ook des te meer tot droefheid en tot schaamte verwekken. En het kostte mij daarna wederom vele tranen, want de wrekende gerechtigheid van God over de zonden, kon ik klaar inzien, en dat maakte verschrikt

Ook liet de Heere mij mijn machteloosheid klaar beschouwen, zodat het mij menigmaal deed uitroepen: Ach Heere, wat moet ik doen om zalig te worden? Hand. 16:30. Dat duurde zo bijna twaalf à dertien weken, dat ik in die staat bleef. Maar toen was het alsof het mij gezegd werd, dat er een geheel ander mens tevoorschijn moest komen. Ik moest de middelen al veel trouwer waarnemen en daarmee werken[12]. Ik begon de middelen ernstig waar te nemen. Ik ging naarstig naar de kerk, catechisatie en oefeningen nam ik trouw waar. Ik begon ook uit mijzelf te bidden, zonder een formuliergebed meer te gebruiken, en ik las veel in Gods Woord en in godvruchtige boeken. En ik vermaande mijn volk gedurig ernstig, met veel tranen, en ook andere mensen als ik er met goed fatsoen[13] bij kon komen. En dat maakte mij al een grote christen in mijn eigen ogen, want ik had weinig bekommernis over mijzelf.

En zo liet de Heere mij langer dan drie jaren wandelen in de weg van eigen kracht, zodat ik in die tijd niet veel gevorderd was[14] in de genade. Maar ik had die tijd van drie jaar veel geworsteld. Daarna behaagde het de Heere eens op een zondagmorgen, om mijn hart te doen bepalen bij [15] Drogeham, om de weleerwaarde dominee Heringa [16] eens te horen. Daar komende, zo werd ik zeer zuchtende. In de kerk komende, leidde de Heere mij tot het gebed. Biddende, zo geschiedde het, dat de Heere mij wonderlijk bij mijn hart kwam te bepalen. Ik smeekte de Heere vuriglijk en dat met veel uitvloeiing van tranen. De Heere mocht mij toch in die waarheid leiden en mijn hart toch vatbaar en vruchtbaar maken, zoals Hij het hart van Lydia gedaan had, enzovoort. En de Heere, Die goed is, weet ook alle di-gen op Zijn tijd te schikken en klaar te maken.

Brief aan ds. Schortinghuis
Twee pagina’s uit de brief aan ds. Schortinghuis

Dominee Heringa kwam zijn tekst te nemen uit die woorden: Mijn zoon, geef Mij uw hart. Daar kwam dominee dat alles aan te tonen, hoever dat het gaan kan met de mens; dat hij nog nooit zijn hart kwijt was geworden. En hoever dat hij zich wel in dat werkverbond kon verslaven en daar de zaligheid op komen te bouwen, en nooit geleerd hadden als goddelozen hun harten aan Jezus over te geven en op te dragen. En dat al verder uit te breiden en dat met veel aandrang van woorden, te lang om te verhalen. Zodat de Heere die woorden, die dominee Heringa deed, mij op mijn hart deed drukken, zodat ik toen zeer benauwd en bevreesd werd. Want, dacht ik, al mijn werk is nog maar geveinsdheid, of tenminste maar een eigen werk. Daarop raakte ik aan het schreien en aan het kermen, niet wetende wat te zullen doen. Dat duurde zo al ettelijke dagen, dat ik zo gesteld was, dat ik niet wist wat ik doen zou.

Toen gebeurde het eens op een zekere tijd, dat het was alsof ik eens bepaald werd om eens in de Bijbel te lezen. Ik de Bijbel openende, daar kwamen die woorden mij voor, Gal. 3:11, waar[17] de apostel zegt, dat door de werken der wet geen vlees kan behouden worden en zo ook Rom. 3:20. En daarbij gaf de Heere mij deze woorden nog, dat al mijn beste woorden [niet], mijn beste werken niet anders waren als een wegwerpelijk kleed.

Daar lag ik toen geheel tegen de grond. Ach Heere, riep ik, waar zal ik dan de hemel op inwachten? Want nu zie ik klaar, dat ik nog mis ben, dat al mijn werken nog maar eigen werken waren, zodat ik met al die werkzaamheden nog verloren moest gaan en daar nog mee naar de hel toe. Want ik wist niet van dat hartelijk uitzien, wachten, verlangen en reikhalzen naar Jezus. En bijzonder, die hartelijke overgave van mijn hart aan Jezus en dat kwijt worden van mijn hart, daar wist ik niet van, daar kon ik niet bij. Dat maakte mij toen zeer verlegen en onrustig en zeer bekommerd, zodat ik daar vele dagen en nachten onder lag te worstelen. Ik zag mij van alle kanten ellendig, machteloos en radeloos. Ik riep menigmaal met de stokbewaarder uit: Ach, 'lieve heren, wat moet (ik) doen om zalig te worden?' Hand. 16:30. Ja, het ging zover met mij, dat ik mij met de verloren zoon geheel als aan het einde zag en zo vergaan moest. De zonden stonden toen voor mij als bergen. De wrekende gerechtigheid Gods drukte mij op het hart. Zijn vlekkeloze heiligheid deed mij als het ware tegen de grond slaan. Daar lag ik toen, ik kroop om als een worm. Ik durfde[18] mijn ogen met die tollenaar niet op te slaan naar de hemel, maar ik riep uit: Ach Heere Heere, wil toch niet handelen naar de strengheid Uwer gerechtigheid met mij, onwaardige en ellendige zondaar. Maar Heere, zijt mij toch genadig. Heere, Heere genade, genade Heere, genade en geen recht. En zo raakte ik toen als geheel van mijzelf. Een weinigje tot[19] mijzelf komende, begon ik wederom uit te roepen: Ach Heere, help mij toch, en wijs Gij mij toch een weg aan om behouden te worden en red Gij toch mijn ziel uit de klauw des duivels en uit de macht der duisternis. Ach Heere, kom toch en help mij arme zondaar toch uit mijn benauwdheid, of ik moet vergaan.

Na lang zuchten, schreien en bedelen voor Gods genadetroon, toen was het alsof God mij door Zijn Geest kwam aan te wijzen, de dierbaarheid en de[20] noodzakelijkheid van Jezus. Dat kwam mij toen aan mijn hart, dat ik Die moest hebben, zou ik eeuwig behouden worden. Dat gezicht liet mij niet ledig, maar dat maakte mij recht werkzaam. Ach, riep ik, had ik Hem maar tot mijn deel. Ik had zo’n ernstige begeerte naar Hem. Ik zuchtte naar Hem, ook schreide ik naar Jezus. En mijn verlangen was zo sterk naar Jezus, zodat er toen niets in de wereld was, dat mij zo dierbaar[21] aan het hart kwam dan Jezus. Ik achtte toen duizend werelden zoveel niet als Jezus. Ach, ik begeerde de gehele Jezus. Ja, ik begeerde Jezus niet alleen tot vergeving der zonden die mij zo benauwden of benauwd maakten, maar ik begeerde Hem ook tot heiligmaking, om ook heilig voor Jezus te leven. Ik kwam Jezus toen ook aan te zien als Profeet. Toen was mijn gedurige bede[22] : Ach Heere Jezus, leer Gij mij toch Uw wegen en leid mij daar toch in. Ik zag Jezus aan als Hogepriester. Ach Heere Jezus, mocht ik U toch hebben tot verzoening van mijn lelijke en stinkende zonden en misdaden. Ik zag Jezus aan als Koning. Ach, riep ik uit, Heere Jezus, richt Gij toch Uw troon in mijn gebroken hart op. Ach wat was dat alles begeerlijk, wat aan Jezus was voor mijn ziel. En zo was dat mijn gedurig zuchten en bidden tot de Heere, dat ik toch zo ellendig niet blijven mocht, maar dat ik toch deel aan die dierbare Heere Jezus mocht hebben, en dat wel hoe eerder hoe liever, en hoe heiliger hoe liever, en hoe volmaakter hoe liever. En zo bleef ik in die gestalte omtrent een jaar lang eer dat Jezus Zichzelf kwam te openbaren aan mijn ziel.

Nu, deze openbaring die de Heere deed aan mijn ziel, die was geheel anders dan Hij doet aan de wereld. Want de Heere kwam Zich[23] aan mij te ontdekken als ik mij bevond in een zeer nare toestand naar de ziel, want mijn zonden kwamen mij wederom voor als bergen. Daarentegen zo gevoelde ik mijn eigen machteloosheid en mijn onbekwaamheid om mijzelf daaruit te kunnen redden noch verlossen, zodat de noodzakelijkheid van de Heere Jezus mij daartoe noodzakelijk was. En dat maakte mij eerst recht verlegen en radeloos bij mijzelf, zodat ik toen kwam uit te roepen: Ach Heere Jezus, help mij toch, of ik moet voor eeuwig omkomen en dat met meer aanhoudende smeekwoorden die ik nu niet kan noemen.

Ik, zo liggende te worstelen met gebeden en smekingen, zo kwam de Heere Jezus Zichzelf te openbaren aan mijn ziel en dat wel met deze woorden uit Matth. 11:28: Gij die belast en beladen zijt, komt tot Mij, Ik zal uw ziel rust geven. Nu, deze woorden gaven een kleine verkwikking aan mijn ziel en dat verwekte in mij een verwondering, zodat ik moest uitroepen: Ach Heere, wilt Gij mij hebben, zulk een booswicht als ik ben? Heere, hoe kan dat zijn, dat Gij naar mij wilt omzien? Ik, die in zichzelf niet meer ben dan een dode hond. En zo kwam ik als in een grote verwondering en dat wel in mijn eigen niet weg te zinken, zodat de woorden van Job toen plaats kregen in mijn ziel, Job 42:5-6: 'Met het gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en in as.' Ja, het was alsof ik in de liefde van Jezus verslonden werd en ik kreeg lust tot heiligheid in het binnenste, om heilig voor Jezus te leven. En zo bleef ik bijna in die toestand de tijd van een kwart[24] jaar.

Toen raakte ik wederom in een zeer nare toestand, want ik werd zo dodig, zo lusteloos, zo ijverloos, dat het niet te zeggen is en het was alsof de Heere Zijn aangezicht voor mij kwam te verbergen. De liefde Gods, die ik had in Christus, was alsof het geheel uit mijn hart kwam te verdwijnen, zodat het mij deed uitroepen: De Heere heeft mij vergeten, de Heere heeft mij verlaten, Jes. 49:14. En daar volgde toen nog zoveel zwarigheden en bekommeringen uit voort, zodat ze onnoemelijk veel waren en zo voedde ik mij met as en mijn bedrogen hart leidde mij zo terzijde af, zodat ik mijn ziel niet kon redden, noch zeggen: Is er niet een leugen in mijn rechterhand, Jes. 44:20.

En in die nare toestand liet de Heere mij een geruime tijd wandelen, maar eindelijk gebeurde het eens op een avondstond, dat ik naar bed zou gaan, dat ik zeer benauwd werd in mijn ziel, dat het niet te zeggen is, vanwege die nare en duistere toestand waar ik toen in was. Ik raakte op mijn knieën en ik raakte aan het smeken tot de Heere; Hij mocht toch Zijn aangezicht niet langer voor mij verborgen houden en mij toch niet langer in die nare duisterheid laten wandelen. Hij mocht mij toch helpen en uitredden uit die nare toestand waar ik in was naar de ziel. De Heere wist hoedanig dat het met mij gesteld was. Was mijn weg nog niet recht voor Zijn aangezicht, de Heere mocht het toch recht maken, en daarom: Heere, doorgrond Gij mij, Gij kent alleen mijn hart en daarom beproef Gij mijn hart, Heere. Gij alleen kent mijn gedachten en ziet of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij toch op de eeuwige weg, Ps. 139:23-24. En dat met meer bedelen en worstelen voor de Heere. Ja, ik was zo sterk aan het worstelen, dat ik vond[25], ik kon niet ophouden en die plaats niet verlaten al zou ik daar gestorven zijn, als de Heere mij niet tegen was gekomen[26].

Maar ach, de Heere Die altijd goed is, Die ook alle dingen op Zijn tijd weet te schikken en klaar te maken en ook hoever dat het met het schepsel gaan kan. Want de Heere, Die goed is, kwam Zichzelf toen wonderlijk aan mijn ziel klaar te openbaren. De Heere gaf mij die plaats: Al waren uw zonden zo rood als scharlaken, Ik zal ze wit maken als sneeuw. Ja, al waren ze zo rood als bloed, Ik zal ze witter maken als witte wol. En deze woorden voegde de Heere er nog bij: En daarom Mijn zoon, geef Mij uw hart.

Toen was het alsof ik in mijn nietigheid kwam weg te zinken en ik riep uit met een grote verwondering: Ach Heere, wilt Gij mij mijn zonden vergeven? Och[27] Heere, hoe kan dat zijn? Ik, die wel de voornaamste ben van al de zondaren. Doch Heere, Uw bloed, dat heilig is, is wel machtig om al mijn zonden weg te nemen. Ja Heere, Gij, Gij alleen kunt ze wegnemen. Ziedaar dan Heere Jezus, ziedaar is dan mijn hart. Neem Gij het dan Heere, en Heere wilt Gij er maar Uw troon in oprichten.

Ach, wat werd mijn ziel toen als verslonden in die liefde van de zoete en lieve Heere Jezus. Ja, het bracht mij als in een heilige verrukking en in een wonderbare nabijheid bij de Heere. Ja, het was alsof ik boven het aardse opgetrokken werd en het maakte mij zo hemelsgezind, zodat ik mij geheel aan de dierbare Heere Jezus over kwam te geven. O, wat is dat een zoetigheid, zo in de nabijheid van die zoete en beminnelijke Heere Jezus te zijn. O, het deed mij met Asaf uitroepen: 'Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Bezwijkt mijn hart en mijn vlees, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in [der] eeuwigheid', Ps. 73:25-26. Ja, ik moest zeggen: O Heere Jezus, wat heeft U bewogen om naar mij om te zien en dat wel met zulk een onbegrijpelijke[28] liefde als Uw vrije genade. En ik kon in mij niet anders vinden als dit, dat ik maar eeuwig voor Jezus leven mocht en dat wel hoe heiliger hoe liever en hoe volmaakter hoe liever. En zo behaagde het de goede God mij geruime tijd in die zoete schaduw[29] van Jezus’ liefde te laten wandelen. Het was mijn grootste vermaak om in Gods allerheiligste Woord te lezen en de waarheid te onderzoeken en in godzalige boeken te lezen. Ach, daar kon ik mij gedurig zo in verkwikken, want de Heere schikte het, dat ik mijn staat daar zo gedurig in kon vinden en dat ik aandeel had aan die dierbare Heere Jezus en aan al de zalige heilgoederen van Christus’ Koninkrijk. Amen.

Ziedaar, tot hiertoe[30] de weg van mijn bekering, opgesteld in zoverre als de Heere het aan mij heeft geopenbaard, zo het de rechte bekering mocht zijn. Echter[31], ik wenste het niet voor de gehele wereld te verwisselen.

Echter, beproef gij het of het de rechte weg is van ware bekering, die de Heere met mij gehouden heeft, zo wens ik daar van ganser harte aan[32] ontdekt te wezen.

Och, mocht de liefde van Jezus dringen om voor Hem te leven. Mocht ik het vlees recht kruisigen met al zijn bewegingen en begeerlijkheden. Mocht de Heere mij die genade doen, dat er niet een enige zonde mocht zijn, die ik met vermaak mocht aanzien, maar dat ik doden mocht de leden die op de aarde zijn. En dat de vruchten des Geestes in mij mochten openbaar worden, naar de mate als het de Heere genadig behagen zal om te geven[33]. Amen.

Dit is de wens en de zucht van mijn ziel tot de Heere, de God aller genade. Alles uit vrije genade, om de Heere Jezus wil. Amen.


Voetnoten

  1. onmiddelbare
  2. ’t Byl. Dit oude gebied bestond uit hooilanden. De naam is terug te vinden in de nu nog bestaande straat Bildwei
  3. als
  4. omging
  5. waar
  6. opkomende
  7. hetwelk /welke
  8. niet veel val had
  9. verdievederen
  10. dacht mij
  11. In het Fries de buorren, dat wil zeggen het centrum van het dorp
  12. daarmet doen aan ‘t werken
  13. met schik
  14. hadde
  15. bij
  16. Ds. Jodocus Heringa (1704-1782) diende de gemeenten Simonswolde (Oost-friesland, 1738-1741) en Drogeham in combinatie met Harkema-Opeinde (1741-1782)
  17. daar
  18. dorste
  19. bij
  20. zijn
  21. dier
  22. bidding
  23. Hem
  24. fandels = een vierde deel
  25. dachte
  26. al zou ik daar gestorven hebben voordat de Heere mij niet tegen was gekomen
  27. ei
  28. onnadenkelijke
  29. lommer
  30. zoverre
  31. edoch
  32. van
  33. Heere genadig welbehagen zijn zal
Plattegrond uit  1718 van de omgeving van Rottefalle
Een kaart uit 1718. Rottevalle en het Bild zijn met grijs aangegeven

Naschrift

Tijdens mijn speurtocht naar gegevens van Friese predikanten, stuitte ik in 2010 bij geval op een bekeringsgeschiedenis, die tussen 1742 en 1752 te Rottevalle heeft plaatsgevonden. Het betreft een geschreven verslag uit 1752 en het bevindt zich in het archief van de familie Eelkema. Dit archief wordt bewaard bij Tresoar te Leeuwarden, waar men mij welwillend een kopie verstrekte. Het trok mijn aandacht temeer omdat het geschreven is aan ds. Gerhardus Schortinghuis. Van deze predikant heeft Uitgeverij Pro Lectori de preek opnieuw uitgegeven die hij hield ter gedachtenis van Jesaias Hillenius te Drachten. Beide predikanten brachten een Schriftuurlijk bevindelijke prediking.

Met moeite lukte het mij om het verhaal te lezen en over te schrijven. Een jaar lang bleven de blaadjes met de overgeschreven tekst liggen. In de zomer van 2011 werd Tresoar weer bezocht met hetzelfde doel als het jaar daarvoor. Tot mijn grote verrassing bleek dat iemand mij voor was geweest met de transcriptie van dit bekeringsverhaal. In “De vrije Fries” van 2007 (vol. 87, pagina 121-142) is deze namelijk opgenomen van de hand van de heer D. Kooistra. Dit bracht mij mijn voornemen weer in herinnering en ik ben er weer mee aan de slag gegaan, dankbaar gebruikmakend van het werk van dhr. Kooistra ter controle van mijn eigen overzetting. Het resultaat kunt u nu lezen.

Wie de persoon is, die zijn bekering beschrijft, is mij onbekend. Het is waarschijnlijk iemand uit de familie Eelkema. Dit is temeer waarschijnlijk daar de heer Kooistra in een noot aangeeft, dat er zich meer handschriften met een, zoals hij dat noemt, piëtistische inhoud bevinden in het archief van deze familie. “De jongste dateren uit de tweede helft van de negentiende eeuw. (..) Dat kan erop duiden dat het bevindelijk geloof van generatie op generatie werd overgedragen en ook, dat er schriftelijke contacten bestonden tussen gelijkgezinden”, aldus de heer Kooistra in “De vrije Fries”, blz. 140.

De plaats waar de bekering zich heeft afgespeeld, is Rottevalle, dichtbij Drachten en in de tijd voordat ds. Schortinghuis er predikant was. Hij stond er namelijk van 1750 tot en met 1761 en deze geschiedenis begint met de datering 1742.

Ik heb getracht zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst te blijven en woorden die vervangen zijn, vindt u in een eindnoot eenmaal terug. Ook de geciteerde Bijbelteksten heb ik ongewijzigd weergegeven, hoewel ze niet altijd geheel juist worden aangehaald. Verder is de spelling aangepast aan de huidig gangbare.

Of deze bekeringsgeschiedenis ook daadwerkelijk naar ds. Schortinghuis is verzonden, is mij onbekend. Heeft hij erop gereageerd, wat was zijn mening over deze bekeringsweg? Vragen waarop we (tot nu toe) het antwoord schuldig moeten blijven.