Aan de Christelijke lezer, op het doorwrochte werk, waarin de drieërlei staat der ware Kerk breedvoerig wordt verklaard, tegen partijen krachtig verdedigd en onderscheidenlijk toegepast, door de weleerwaarde, zeer geleerde en Godzalige heer, J. Hillenius, getrouw dienaar van het Evangelie te Drachten, toen zijn eerwaarde het geliefde door de druk gemeen te maken.
Die ooit ’t drievoudig lotgeval
Der ware Kerke na den val
In spiegel klaarheid wil aanschouwen;
Die bidde God om Zijn genâ,
Dat Hij daarmee hem mag bedauwen,
En zie dit werk met aandacht na.
Hoe ’t Godebeeld, eerst Adam pronk,
Dat God hem in de schepping schonk,
Zich na de val ging vleug’len maken,
En ras weer tot zijn oorsprong kwam.
Toen slangengif de mens kwam schaken,
En ’t zondenbeeld een aanvang nam.
Hoe dat de mens, vervallen wijd,
Weer wordt hersteld in vindenstijd,
Door Gods genâ in kracht te leren;
En eind’lijk na de dood volmaakt,
Als hij uit stof zal wederkeren,
Met ziel en lichaam binnen raakt.
In ’t eerste dwaalt hij breed en wijd;
In ’t tweede lot hij lijdt en strijdt;
In ’t derde zal hij zegepralen.
In ’t eerste lot is hij verkeerd;
In ’t tweede hem ’t Lam Gods komt halen;
In ’t derde lot hij ’t Lam vereert.
Terwijl ons vriend zeer is gezet,
Om niet alleen Gods Heilstrompet
In ’s hemels gunst met mond te blazen.
Maar ook het volke, hem betrouwd,
Gods heilgeheim, tot zielegranen,
Met keurlijk pennewerk ontvouwt.
Zo is ’t dat hier ons kerkjuweel
Beschrijft in ’t eerst’ ellende deel
Den aard en ’t wezen van de zonde;
Zoals die is geen enkel niet,
Wijl God ze dan niet straffen konde;
Doch echter ook geen stellig iet’.
Maar een gemis van ’t deugdenbeeld,
Waardoor men van Gods wet verscheelt;
En buiten ’t deugdenperk gaat rennen,
Waarin men ’t rechte doel niet raakt;
Van satans toom zich om laat mennen,
Waarin de deugd haar werking staakt.
Hoe ’t heil, in Adams hand gesteld,
Door zijnen val is neêr geveld.
Een Adams daad, elk toegeschreven,
Zo op een ieders reek’ning stond,
Alsof hij zelf die had bedreven,
Wijl Adam ’t hoofd was van ’t verbond.
Hoe Adams beeld, tot al zijn zaad,
Om zijne bondsbreuk, overgaat.
God, zijnde ziels onmid’lijk Stichter
Des lichaams door natuurgeboort’,
Onthoudt de ziel zijn beeld als Richter,
Waarop de zond’ vanzelfs komt voort.
Dit erfbeeld is zo algemeen,
Dat niemand, dan ons Heer’ alleen,
Hiervan moet uitgezonderd blijven.
Dit steld’ onz’ schrijver zo in ’t licht,
En gaat het met bewijzen staven,
Dat waarheids-tegenspreker zwicht.
Deez’ erfsmet treft ook ziel en lijf,
En is de bron van kwaad bedrijf.
D’ ontblote ziel is satans woning,
Daar vestigt hij zijn troon en wet;
Als heer geniet hij daar zijn kroning,
En heeft zich in Gods plaats gezet.
De duisterheid ’t verstand bezet;
Het oordeel op geen dwaling let;
De wil, nu Gods rebel, afkerig
Van Gods gebod, en ’t hoogste goed;
’t Geweten slaapt, hartstochten nerig,
Om rust te storen in ’t gemoed.
Het lichaam, eerst een pronkjuweel,
Een zondig werktuig nu geheel.
Dus heeft de mens zijn kracht verloren,
En kan geen zaligmakend goed,
Tenzij hij niet wordt weêrgeboren,
Uitwerken tot zijn zielsbehoed.
Want d’ vrije wil, Socinus god,
Doch door genade der vromen spot,
Wel onverschillig is in wezen;
Maar in betrekking tot de wet,
Der zonde knecht, een slaaf in dezen;
Geheel tot slavernij gezet.
De mens, bedorven in de grond,
Doet niet dan kwaad op ieder stond’,
Met hart, met mond, met doen en laten;
Hij brengt zich dieper in de schuld;
Verzwaart zijn straffe bovenmaten,
Totdat hij heeft de maat vervuld.
Hier volgt de drieërleie dood.
De eerst’ onz’ ziel van God ontbloot;
De tweede ziel en lijf doet scheiden;
De derde zwaarst, en eeuwig is,
Die kwelt in d’ hel, lijf, ziele beiden;
Zo door gevoel, als door gemis.
Zie daar, ons schrijvers eerste deel!
|Is dat niet wel een treurtoneel?
O mocht men hier verlegen vragen!
Wat moet ik doen om zaligheid?
In ’t tweede deel zal ’t Licht opdagen,
Dat ’t erfvolk tot verlossing leid’.
Wijl ’t hemels recht onwrikbaar stond,
Als zijnd’ in Gods natuur gegrond;
|Kond’ God zijn uitverkoren scharen
Van schuld en straf niet maken vrij,
Zijn toorne vuur ook niet bedaren,
Ten waar er geen voldoening zij.
God eist, naar ’t oude werkverbond,
Op eigen kracht en deugd gegrond,
Bleef na de val de mens verplichten,
Om die te doen in hoogste trap;
Noch kond’ iemand daarvan verlichten,
Wijl Gods gericht niet week een stap.
Wijl schepsels deugd, een glimmend niet,
Daar ’s Richters oog met wals op ziet,
Naar ’t recht der wet niet kon vermogen;
Zo bleef het aan zijn schuld gehecht;
Gods recht geen vrijspraak kon gedogen,
Bleef ’t recht ten leven haar ontzegd.
Dus Gods genâ en strenge recht,
Als stonden in een tweegevecht.
Het recht deed God Zijn eer bewaren,
En riep geduriglijk om wraak;
Maar Zijn genâ deed mensen sparen,
En zei: o! neen; de wraak toch staak!
Schoon dit geschil in omvraag ging,
God toch van niemand raad ontving;
Het diep besef der eng’len scharen
Moest hier zijn onkund’ leggen af,
En kon ’t geheim niet openbaren,
Maar schoot te kort en was te straf.
Hoe hoog ’t vernuft ten toppunt klom
Van ’t schranderst filosofendom,
Toch dit geheim niet kon bepeilen;
Het een’ zei dit; het ander dat;
Maar heeft hierin toch moeten feilen
En heeft het nooit van zelfs gevat.
Dus moest het ganse mensendom
Te gronde gaan, en komen om,
En wist geen uitkomst meer te vinden;
Ja was geheel als buiten hoop;
De duivel zocht het te verslinden,
En was het tot een tegenhoop.
Vernuft noch eindig schepsels kracht
Heeft dit geheim in ’t licht gebracht;
Maar lag in ’t grond’loos diep verborgen
Van God, Die alles heeft beraamd,
En ging zo voor onz’ welstand zorgen,
Zo wijs, zo goed, als ’t Hem betaamt.
Gods wijsheid, aan genâ gehecht
Heeft dit geschil alleen beslecht,
In Gods genâ met recht te paren;
Zodra genâ, in haar beding,
Gods recht met leer niet kwam bezwaren,
Toen zij verlof tot heil ontving.
Gods recht, dat aan Zijn ere hing,
Doch door genâ geen kreuk ontving,
Heeft enen Borge toegelaten;
Waarin genâ en recht tesaam
Zich beid’ aan ’t heil gelegen laten,
Tot vol opluist’ring van Gods Naam.
Een God-mens is hier ’t middelpunt,
Waarin Gods recht ons ’t heil vergunt.
O wijsheid zonder eind en palen!
Gij hier alleen ontvangt de kroon;
Hoe kon ’t vernuft hier maat bij halen?
Dat niet en wist: God heeft een Zoon.
Het wonder van Gods vrije min
Drong tot ons arme mensen in,
En kwam ons vriend’lijk te bekoren,
Door ’t vreê-verbond met Zijnen Zoon;
Zo heilig uit een maagd geboren;
Van d’ krib gesteigerd tot de troon.
Gods strenge eis in Zijne wet,
Die ons te doen was voorgezet,
m die in alles te volbrengen,
Heeft Hij in hoogste trap voldaan;
Om ’t recht ten leven aan te brengen,
Waardoor wij in ’t gericht bestaan.
De straf, van God ons opgelegd,
Heeft Hij, als Gods getrouwe Knecht,
In lijf en ziel volkoôm gedragen;
Dus is de schuld gans uitgewist;
Geen satan, wet ons kan aanklagen,
Wijl al ’t geschil reeds is beslist.
Gods wijsheid heeft een weg gebaand,
Die ’t schepsel past en God betaamt;
Waarna Zijn almacht nu gaat werken,
Door ’t welgeordineerd verbond,
Dat hier onz’ schrijver gaat aanmerken,
En maakt dat in den brede kond’.
Wie heeft nu lust in ’t heilverbond?
Die leg dit rantsoen tot een grond;
Hij ga het in gelove sluiten;
En teek’ne het met Jezus hand;
Hij late zich niet keren buiten
Door ongeloof. O tegenstand!
Men stake hier het eigen werk,
En zie op ’t Evangeliemerk;
Men heeft hier gans niet mee te brengen
Van ’t geen, dat uit ons zelven komt;
Genâ kan zulks toch niet gehengen,
Maar eigenwerker heel verstomt.
Sta naar geloof en word bekeerd,
Dan zult gij hier recht zijn geleerd,
Hoe gij in dit verbond moet treden;
Dit zijn de eisen van ’t verbond;
Maar breng ze uit u zelfs niet mede,
Z’ zijn niet op eigen kracht gegrond.
’t Geen God hier eist, werkt Hij meteen,
Opdat het zij genâ alleen.
Volbreng mijn plicht in mij onwaarde,
Dat ik geloof en mij bekeer,
Opdat ik heb ’s verbonds voorwaarde
Door Uwen Geest! Bid zo den Heer’.
’t Verbond neemt hier geen deugd tot buit,
En sluit om ondeugd niemand uit;
Gij moet het op Gods aanbod wagen;
De hemel staat om niet te veil;
Laat u dan door genade dragen,
Zo krijgt gij wis ’t verborgen heil.
Nu God u roept op Zijn genâ,
Ai dan toch niet naar ’t werkhuis ga!
Genâ gaat hier jaloersheid tonen;
Zij neemt geen medehelpers aan;
Zij laat zich hier met armoed’ kronen,
En laat de rijken henen gaan.
Zo keert onz’ schrijver ’t werkhuis om,
En leert ons ’t zuiv’re christendom.
Ach dat die waarheid ons mocht trekken!
Dan kreeg onz’ schrijver zijn begeert’.
Mocht dit zijn heilschrift ons opwekken,
Zo werden wij nog meest geëerd.
Dit heilwerk is van groot gewicht,
En geeft ons in veel zaken licht;
Hij komt de leer der waarheid dekken,
En stelt haar licht in hoogsten top;
Komt ’s vijands valsheid klaar ontdekken,
En lost hun’ tegenwerping’n op.
De waarheid wordt hier toegepast;
Een ieder op zijn zeer getast.
Hij toont ’t gevaar der valse gronden,
Als klippen, daar elk onbekeerd
Zo roekeloos hun staat op gronden.
O wierden die hier toch geleerd!
’t Verbrijzeld en doorwonde hart
Laat hij niet leggen in zijn smart,
Maar giet de olie in de wonden.
Hij opent Gods erbarmens lust,
En toont, dat Hij wil zijn gevonden,
Van elk, die maar den Zone kust.
Het volk, dat zijn ellende kent,
En door geloof aan God gewend,
Wordt hier getoond, de aard der plichten,
En op wat wijz’ het, naar ’t verbond
In Jezus kracht, die moet verrichten;
En hoe ‘t rantsoen is hare grond.
Zwijg Kajefas; zwijg Juliaan;
Wil Christus schaar’ niet last’ren gaan;
Als waar’ ’t een volk, die ’t recht niet weten;
Hoe gij ’t veracht, uw tonge ’t hoont,
En met wat naam gij ’t komt te heten,
Gods knecht, onz’ Hillel’ ’t contra toont.
Geef toch ook uwen Herder dank,
Gedurende uw leven lang,
O dierbare gemeent’ van Drachten;
Gebruik dit werk tot uwen nut,
En wilt het in den geest betrachten;
Het zij ’t erfvolk tot onderstut.
Houd hem voor uwen zielevriend,
Die u getrouw in Gode dient;
Hij voed’ uw ziel met volle borsten
Van d’ onvervalste moedermelk;
Wilt vurig naar zijn lere dorsten,
Die hij opdist, uit waarheids-kelk.
En zo gij reeds volwassen zijt,
Krijg wederom een nieuw aptijd;
Hier is ook vaste spijs voor sterken,
Opdat gij wordt bekwaam gemaakt,
Tot hoger deugd en goede werken,
En gij alzo Gods beeld genaakt.
Mij lieve broer en goede vriend
Mij hier thans tot een voorbeeld dient;
Hij doet een blos van schaamte hangen,
Door zijne vlijt in ’t Godewerk,
Op mijn verbleekt bedeesde wangen;
’t Geringste meubel in Gods kerk.
Dank zij gezegd onz’ lieve vriend,
Die ons hier nieuwe spijs toedient,
Daar ’t erfvolk rustig bij kan leven.
God wil hem kracht en hulpe biên,
Opdat men haast, ook hier beneven,
Zijn tweede werk het licht mag zien.
Kom ieder Christ’; kom burgerhoofd;
Dat toch de Heere zij geloofd!
Die door Zijn knecht ons komt verplichten.
God geve dan zijn levenslamp
Nog lange mag in klaarheid lichten.
Dit wenst BERNARDUS VENEKAMP
Predikant te Oudega