Hillebrandus Mentes
Hillebrandus Mentes (ca. 1680–1739) was een Schriftuurlijk-bevindelijke prediker die de gemeenten van Bergum en Visvliet diende. Reeds in zijn jeugd werd zijn geestelijke leven getekend door diepe overtuiging en benauwdheid, waarna hij troost en leiding vond in Gods genade. Als predikant stond hij bekend om zijn nederigheid, vredelievendheid en liefde tot Gods Woord, en zijn bediening droeg in beide gemeenten vrucht.
| Levensloop | |
|---|---|
| Geboren | ca. 1680 |
| Overleden | 05-06-1739 |
| Predikantsplaatsen | |
|---|---|
| Burgum | 1707-1721 |
| Visvliet | 1721-1739 |
Opleiding en predikantschap
Hillebrandus Mentes werd omstreeks 1680 te Groningen geboren. Mentes studeerde theologie aan de universiteit van Groningen waar destijds ook Paul Hulsius hoogleraar was. In oktober 1707 werd Mentes predikant te Burgum. Op 27 juni 1721 deed hij intrede te Visvliet. Mentes overleed op 5 juni 1739.
Een goed getuigenis
Zijn ambtgenoot Johannes Adriani Mensinga uit Usquert hield een gedachtenispreek over Pred. 7:1: ‘Beter is een goede naam dan goede olie, en de dag des doods dan de dag dat iemand geboren wordt.’ Deze preek verscheen in druk onder de titel Kerkrede ter gedagtenis van wylen D. Hillebrandus Mentes in Ieven getrouw leraar van de christelyke gemeente te Visvliet. Gepredikt in de kerke aldaar den 21 Junius 1739. Mensinga memoreerde onder andere Mentes' liefde voor Gods Woord: 'Gods Woord had hij lief, zijn smaak en hoogachting betuigde hij dikwijls voor hetzelve: De uitgave bevat ook een rouwdicht van Mensinga, met onder andere de volgende coupletten:
Gij blonkt, mijn broeder, in het duister
Gelijk een fakkel, klaar en hel
En glansrijk, mijn Nathanaël,
Tot 's Hoogsten eer, en Visvliets luister.
Gedenk ook Bergum aan de lessen
Die Mentes predikte weleer
Door eigen voorbeeld en door leer
Om tragen hemelwaarts te pressen.
Ook Mentes’ zonen Mento en Theodorus werden predikant, alsmede drie zoons van Theodorus, namelijk Albertus Reen, Hillebrandus jr. en Occo Albertus.
Het Kort Ontwerp van de Leer der Waarheid
Hillebrandus Mentes publiceerde samen met zijn collega’s Duirandus Duirsma, Martinus Duirsma en Augustinus Geukama een Kort ontwerp van de leere der waarheid, die na de godsaligheid is. Dit leerboekje werd in veel gemeenten gebruikt onder de naam van ‘het boekje der vier predikanten’. Het werk beleefde meerdere herdrukken (de twaalfde in 1761) en werd ook in het Maleis vertaald voor gebruik op het zendingsveld. Ook verscheen er een Kort uittrekzel van.
Geroepen, gelouterd en gezegend: het leven en de predikdienst van ds. Hillebrandus Mentes
‘Ik wil niet dat men na mijn dood over mij treuren zou, maar liever dat men God over mij dankte.’ Deze opmerkelijke woorden sprak ds. Hillebrandus Mentes op zijn sterfbed. Ze vatten samen wat zijn leven en predikdienst kenmerkte: Gods genade had hem in zijn jeugd stilgezet, door diepe benauwdheid heen geleid en geroepen om anderen met licht én leven te dienen. Deze kerkrede werpt licht op zijn bekering, zijn geestelijke levensweg en de zegen die hij in zijn arbeid in Bergum en Visvliet mocht ervaren.
Lees de volledige kerkrede van ds. Mensinga
Zo leidt mijn rede mij ertoe om ook over uw overleden leraar te moeten spreken, in meer dan één opzicht mijn geliefde broeder, van wie ik alleen dit zal gewagen:
- Met betrekking tot deze tekst, wat ik nodig zal achten om te zeggen over zijn persoon, goede naam en uiteinde.
- En dan zal ik met een woord tot de gemeente spreken over de plicht van de gemeente omtrent hem en tegenover zulke gelovigen die hem gekend hebben.
Eerst spreek ik dan van zijn goede naam, niet tot verdediging daarvan, hoewel hij als mens zijn gebreken had. Dat zou onder u niet nodig zijn, want ik heb dat goede gevoelen, niet alleen van onze overleden broeder, maar ook van deze gemeente, van de meesten, zeker van de besten, dat wie onder u zijn goede naam zou willen besmetten zichzelf vuil zou maken. En van zijn goede naam sprekende, zou ik hem maar ondienst doen en mijzelf schade berokkenen, indien ik er anders van sprak dan tot de eer van Gods Naam.
Ik zeg dan allereerst uit de mond van verschillende getuigen, kinderen en vrienden, in en buiten deze gemeente, dat de woorden die hij op zijn sterfbed meermalen gesproken heeft, een uitleg en ondervindelijke bevestiging van deze tekst zijn geweest. Want dit waren zijn woorden: ‘Ik wil niet dat men na mijn dood over mij treuren zou, maar liever dat men God over mij dankte.’ Hij voegde eraan toe: ‘Niet dat dit leven mij verdriet’, want de Heere gaf hem in de dingen van dit leven die zegeningen die Hij belooft in Zijn Woord, en hij was vergenoegd en dankbaar. Sedert lang tijden klaagde hij samen met al de vromen over een te groot gebrek aan het laatste. Dat hij echter begeerde dat men over hem meer danken zou en niet treuren, sproot voort uit zijn levendige en dikwijls op de proef gestelde hoop van een goede verwisseling, die hij door de dood zou maken. Het is intussen waar dat velen wel op hun sterfbed roemen op hun hoop en een ontwijfelbare zaligheid tegemoetzien die zij niet zullen verkrijgen, omdat zij hier niet eerst uit genade zalig gemaakt werden door het geloof, en zo geen gronden hadden voor hun hoop.
De grond die hij voor zijn hoop had, zal ik nu melden tot eer van Hem Die haar in hem gelegd had.
In de dagen van zijn jongelingschap is hij, naar Salomo's wijze raad aan de jongelingen, zijn Schepper gaan gedenken, tot een voorbeeld voor jongelingen. Dat is de Drie-enige Verbondsgod, omdat Die aan hem gedacht had met Zijn voorkomende genade.
Toen hij nog onderwijs volgde aan de gewone Latijnse scholen en daar, na prijzen voor zijn vlijt te hebben gekregen, zo ver was gekomen dat hij inmiddels in de zevende of laatste klas zat, ondervond hij krachtige overtuigingen en zware benauwdheden. Zijn vernedering was zeer diep, maar dat alles strekte ertoe om hem des te hoger op te heffen, gelijk de bal, met hoeveel meer kracht ze tegen de steen wordt gekaatst, zoveel te hoger ze opspringt.
Ik twijfel echter geenszins dat zijn benauwdheid door de tijdelijke vernedering nog groter zal zijn geworden door zijn onkunde en gebrek aan verstandige leiding. Het is algemeen bekend dat onze vleselijke vrienden in zulke tijden nietige medicijnmeesters zijn, die ons willen genezen door het werk van God uit te blussen. Ook hij heeft dit ondervonden. Dit heugt mij, dat zijn medescholieren in die tijd, toen de Heere bezig was hem wijzer te maken dan zijn meesters, over hem zeiden dat hij gek werd. Degenen die toch maar beginnen op Gods weg te komen, zijn al spoedig aan bespotting onderhevig, zoals Ismaël Izak deed in hetzelfde huis. Ze moeten toch allen vervolgd worden die godzalig in Christus willen leven, zo niet met de hand, dan ten minste met de tong en met het hart.
De barmhartige Vader van Zijn verloren kinderen ontmoet hem ondertussen tijdig. De genaderijke hemelse Medicijnmeester goot Zijn kostelijke olie en wijn in zijn verwonde ziel, die Hij altijd eerst moet breken en verbrijzelen en zo gevoelig moet maken voor de krankheid of dood waarin alle nakomelingen van Adam liggen, om de genezing en uiteindelijk de gezondheid van de ziel te bevorderen.
In zijn grote benauwdheden gaf God hem niet alleen veel troost en ruimte, maar gaf Hij hem ook als een ongewoon teken ten goede iets bijzonders in een zekere nacht, zoals hij mij veel heeft verhaald. Doch de Heere, Die dikwijls toont dat Hij de Heere is en zonder middelen kan werken, heeft ons toch aan die middelen gebonden, om zo niet alleen Zijn macht, maar ook Zijn wijsheid en goedheid te tonen. Hij bracht hem dan in het gezelschap van verstandiger en ervarener christenen, onder wie ook een zekere oude discipelin was, Vrede Gerrits genaamd. Zij hield ook een oefenschool van godzaligheid tot nut van dochters en vrouwen, zoals Paulus ook spreekt van vrouwen die met hem gestreden hebben in het Evangelie, Filippensen 4. In de eerste christenkerk plachten zulke vrouwen veel dienst te doen, hetgeen velen in die tijd, omdat zij het niet verstonden, lasterden.
Maar deze nieuwgeborene liet daarom niet na profijt te doen met de wijsheid en ondervinding van een oude vrouw, die omgang had met zulke helden in ons Israël als de Rotterdamse Brakel. Trouwens, zelfs Apollos versmaadde het onderwijs van Priscilla niet. Zo werd hij gesterkt in de geest en kwam hij zelfs, o grote zegen, bekeerd op de academie. Zo mocht hij hopen op meerdere zegen in zijn studies onder zijn meesters, omdat de satan niet meer zijn meester was, die zowel onze zielen als de heiligste studies een onverzoenlijke haat toedraagt.
Hij had nu niet slechts zulk licht als de ijverige beoefenaars hebben, dat hun alleen de bast en de dode letter toont, en geenszins de ziel en de levendmakende gevoelens van de betrachtende heilige waarheden. Hij had het rechte doel van zijn studies voor ogen toen hij zich, onder het onderwijs van de zeer beroemde heer P. Hulsius, aan de edele studie van de godgeleerdheid begaf. Zijn godsvrucht maakte hem ook aangenaam bij deze hoogleraar, gelijk ik reden heb om te geloven. Hoewel kwade tongen ook andere geruchten verspreidden, heeft mijn overleden broeder mij namelijk wel verhaald dat hij zijn ondervindingen aan die hoogleraar had voorgedragen, die daarin zijn genoegen toonde, en dat met die nederigheid die aan alle hoogleraren eigen behoorde te zijn.
Een zegen van zijn vroege bekering was ook deze, dat hij op zo’n zuivere wijze tot een bediening kwam. Want hoewel hij in deze provincie, waar hij woonde, veel hoop op bevordering mocht hebben, zo werd hij toch onverwachts door de Heere uitgestoten in Zijn oogst op een grote plaats in Friesland, Bergum, door een zonderlinge voorzienigheid. Want nadat hij als een vroom jongeling was aanbevolen aan de hoogedele mevrouw Glinstra, die het recht van begeving[1] van die plaats bezat, ging hij naar Leeuwarden om zijn predikgaven en bekwaamheid te laten horen en beoordelen. Juist kwam de hoogleraar Hulsius bij geval in die kerk. Toen hem naar deze jongeling werd gevraagd, gaf hij zo’n goed getuigenis van deze proponent dat dit veel bijdroeg aan zijn bevordering.
Doch voordat ik over hem spreek als leraar, moet ik nog een woord spreken over het werk der genade in zijn ziel. Het is toch bekend welke verlichtingen en smaken van Gods goede gaven enzovoort christenen door algemene en niet-zaligmakende genade wel kunnen ondervinden. Zij hebben wel de naam dat zij leven, maar zijn inderdaad nog dood. Derhalve zijn het de vruchten waaraan men de boom moet kennen, zoals blijkt uit Mattheüs 7:24 en 13:8, Johannes 15:2 en Hebreeën 6:7 en 8.
Maar wat is de rechte vruchtbaarheid? Niet nu en dan een goede daad te doen, rechtvaardigheid te oefenen, vlijtig te zijn in zijn beroep — al had iemand ook zo’n grote vlijt in het predikambt dat hij twintig catechisaties in de week had —, niet nu en dan een aalmoes of vele grote aalmoezen te geven. Maar de vruchtbaarheid, om het naakt en klaar te zeggen, is in het algemeen godzalig te leven in Christus, 2 Timotheüs 3:12.
Ik denk dat daartoe behoort dat iemand, vanuit de overtuiging van Gods tedere liefde tot hem in Jezus Christus, in zijn ziel zo’n ernstige en hartelijke liefde tot God heeft en voedt. Daarbij moeten ook de stof, de beweegredenen, het einde en de eigenschappen van zijn doen worden gezien. Die liefde maakt hem zorgvuldig om God te behagen en te eren, door gedurig te strijden om te weten welke de goede en welbehaaglijke wil van God is, en die wil te doen.
Wat nu deze vruchtbaarheid aangaat, mij heugt dat ik mijn lieve broeder gelukkig achtte vanwege zijn vroege bekering, maar dat hij zich dan ten uiterste vernederde omdat hij geen meerdere voortgang in de heiligmaking had gemaakt. En dat was terecht. Want inderdaad, wat ellendige dwergen blijven wij doorgaans, herders en schapen! Hoewel we meer licht en meer middelen hebben dan de ouden, zien we, zelfs staande op de schouders van die reuzen, zo ver niet als zij. We lijken op zulken die de tering hebben, die wel veel etter maar weinig of geen groei vertonen.
O, hoe moeten we ons vernederen, dat wij zulke slechte knechten zijn van de beste Heere! Welke heer heeft bijna zo’n onverdraaglijke knecht, of hij beschaamt ons doorgaans nog?
Echter kon men in Mentes een zonderlinge nederigheid en ootmoedigheid, een beminnelijke zachtzinnigheid en vredelievendheid, en liefde tot de zuivere waarheid met gematigdheid zien. Zonder die gematigdheid lopen de leraars het gevaar om, onder het voorwendsel voor de waarheid te strijden, eigenzinnige kibbelaars, kriegelige vechters en dwarsdrijvers te worden.
Gods Woord had hij lief. Zijn smaak en hoogachting daarvoor betuigde hij dikwijls. Vanwege zijn gebrek aan ijver en ernst heeft hij ook zijn tuchtigingen gehad, zwaarder dan vele anderen, omdat hij ook een sterkere rank was en door de vele tijd die hij gehad heeft, nog sterker had moeten zijn.
Bij de verbergingen van Gods vriendelijke aangezicht en bij heftige vrees voor verlating, niet ten onrechte, zeker, want godzaligheid is iets teders en God is ijverig voor Zijn eer, heeft hij ook grote vertroostingen genoten, verwijding des harten en inleidingen, bijzonder ook in de nare proefwegen.
Gelijk zijn huisvrouw, zalige gedachtenis, mijn teder geliefde zuster[2], die sedert haar dood dagelijks in mijn gedachten is, mij ook wel betuigd heeft, toen ze toch ongelukkig beroofd werden van hun oudste dochter, welke grote genade de Heere hun toen bewees. Evenzo heeft mijn zeer lieve broeder zonderlinge vertroostingen gehad bij de dood van zijn vrouw en een buitengewone zekerheid van de zaligheid van zijn huisvrouw.
Dus heb ik, zonder te merken, reeds van onze overledene gesproken, als nu in zijn herderlijke bediening gesteld zijnde. Beschouwen wij hem dan nog een weinig verder als leraar, gelijk hij in zijn dienst kwam. Hij kwam niet alleen met licht, maar ook met leven, zonder welke alle licht, hoe groot ook, enkel duisternis is. Zo is zijn dienst ook niet ongezegend geweest in beide gemeenten.
In zijn eerste standplaats, Bergum, was hij al vroeg met enige van zijn broeders bezig om het bekende boekje op te stellen. Daarin zetten de opstellers zich er bijzonder voor in om de valse gronden in ons volk uit te roeien en op ware godsvrucht en praktijk aan te dringen.
Op deze zijn standplaats, waar hij in het begin al veel tegenstand ontmoette, ondervond hij de waarheid van de belofte uit Jesaja 11:6: ‘Een klein jongsken zal ze drijven’. Ik meen daarom te mogen zeggen dat hij meer zegen op zijn dienst heeft gehad dan wel vele leraars van ouds die hem in veel opzichten te boven gingen. Bijzonder roemde hij de bijstand van de Heere in een catechisatie die hij in de gemeente te Kuikhorne[3] had.
Hoe zijn dienst in deze gemeente is geweest, ligt u nog vers in het geheugen. Dit heugt mij, dat hij in het begin van zijn dienst onder u, ingegaan zijnde in de arbeid van de wakkermakende dienst van zijn voorganger, wel gezegd heeft dat hij nogal een nalezing vond. Dus hoop ik dat zijn dienst nuttig zal zijn geweest tot opbouwing en versterking van sommigen en tot levendmaking van anderen. Hoewel hij ook met andere leraren dikwijls klaagde over gebrek aan vruchten onder u.
Dit alles is dan de reden waarom wij niet zonder grond van uw gestorven leraar mogen hopen dat de dag van zijn dood voor hem beter zal zijn geweest dan die van zijn geboorte. Hoewel het voor de zijnen en u schade betekent, is het voor hem nochtans gewin.
Voetnoten
[1] Recht van begeving: het historische recht om een predikant voor een bepaalde kerkelijke plaats voor te dragen. De bezitter van dit recht, de collator, had daarmee een belangrijke rol bij de benoeming van de predikant.
[2] Lammechien Adriani (1672-1732 of 1734). Zij was een zus van ds. Mensinga.
[3] Kuikhorne is een streek tussen De Westereen (Zwaagwesteinde) en Feanwâlden (Veenwouden). Het ligt niet ver van Bergum waar Mentes diende.
Overzicht van zijn geschriften
- Kort ontwerp van de leere der waarheid, die na de godsaligheid is.
- Kort Uittrekzel van de Leere der Waarheid, die na de Godzaligheid is.
Geraadpleegde bronnen
- Kalender 2027, Gereformeerde Bijbelstichting, Leerdam.
- Kerkrede ter gedagtenis van wylen D. Hillebrandus Mentes (...) door Jo. Adriani Mensinga
- Schatkamer van de Gereformeerde Theologie in Nederland, ds. J. van der Haar.